Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB2882

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2001
Datum publicatie
13-11-2001
Zaaknummer
00566/01 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB2882
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 678
NJ 2002, 244
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00566/01 U

mr. N. Keijzer

zitting 24 juli 2001

conclusie inzake

[De opgeëiste persoon]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij uitspraak van 24 januari 2001 heeft de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch toelaatbaar verklaard de door de Verenigde Staten verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon] ter strafvervolging ter zake van de feiten, omschreven in:

'de eerste vervangende strafrechtelijke aanklacht van februari 2000, zaaknummer CR 00-852 (A)-CAS, van de onderzoeksjury bij de Federale Arrondissementsrechtbank voor het Centrale Arrondissement Californië',

gelezen in samenhang met:

'de officiële verklaring van de officier van justitie van de bij de Federale Arrondissementsrechtbank voor het Centrale Arrondissement van Californië in de Verenigde Staten van Amerika, ter ondersteuning van het verzoek tot uitlevering, met bijlagen A tot en met H, gedateerd (..onleesbaar) november 2000, zaaknummer CR 00-852(A) - CAS', de

'authentieke verklaring van William Linehan, Special Agent Drug Enforcement Administration, gedateerd 18 oktober 2000, nummer 00-852-CAS', en de

'authentieke verklaring van John Everett, Special Agent Internal Revenue Service, gedateerd 18 oktober 2000, nummer 00-852-CAS'.

Tevens heeft de Rechtbank de afgifte bevolen van de in het bezit van de opgeëiste persoon aangetroffen en inbeslaggenomen voorwerpen, voorzover de Minister van Justitie het verzoek tot uitlevering inwilligt.

De feiten met betrekking waartoe de uitlevering toelaatbaar is verklaard zijn kort samen te vatten als handel in MDMA en cocaïne, en het witwassen van daaruit verkregen gelden.

2. Tegen deze uitspraak heeft [de opgeëiste persoon] cassatieberoep ingesteld. Namens hem heeft mr A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat 'samenzwering', als bedoeld in de aanklachten 1, 6 en 8, naar Nederlands recht strafbaar is.

4. In het uitleveringsverzoek wordt verwezen naar de first superseding indictment No. CR-00852(A)-CAS van 26 oktober 2000, welke zich bij de stukken bevindt. COUNT ONE (aanklacht 1) daarvan houdt ten laste van [de opgeëiste persoon] de beschuldiging in dat hij, kort gezegd, met anderen (vier van die anderen worden met name genoemd) willfully and knowingly conspired and agreed with each other (volgens de bijgevoegde vertaling: hebben met opzet en bewust samengezworen en zijn met elkaar overeengekomen): 1. To import MDMA into the United States, 2. To distribute MDMA, and 3. To export a substance containing cocaine.

Als handelingen die [de opgeëiste persoon] in dat verband zou hebben verricht (Overt Acts) worden in de first superseding indictment diverse feiten opgesomd, genummerd 1, 4 t/m 7, 15, 17 t/m 20, 22 t/m 28 en 31, welke handelingen alle strekken ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de beoogde misdrijven.

5. Het oordeel van de Rechtbank dat het aldus omschreven deelnemen aan de bedoelde conspiracy strafbaar is naar Nederlands recht geeft, gelet op art. 140 Sr, geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Het aldus omschrevene levert immers deelneming op aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.(1) Dat in de bestreden uitspraak niet is vermeld ten aanzien van welke feiten de Rechtbank strafbaarheid ingevolge art. 140 Sr op het oog heeft - dat moet aan de steller van het middel worden toegegeven - doet hieraan niet af.

6. Voorzover het middel berust op de stelling dat ook COUNT SIX betrekking heeft op kort gezegd conspiracy mist het feitelijke grondslag. Dat onderdeel van de first superseding indictment heeft betrekking op verspreiden van en deelnemen aan verspreiding van MDMA.

Vermoedelijk wordt gedoeld op COUNT TEN, welke eveneens een conspiracy betreft, namelijk tot kort gezegd het witwassen van gelden door investeringen in ten minste twee bedrijven. Uit de omschrijving van de beoogde handelwijze valt af te leiden dat het om een organisatie van meer dan vijf personen gaat. Het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat ook dit feit strafbaar is als deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting.

7. COUNT EIGHT betreft wederom conspiracy gericht op drie misdrijven. Ditmaal is de 'samenzwering' gericht op: 1. To possess with the intent to distribute MDMA, 2. To distribute a substance containing cocaine, en 3. To distribute MDMA. Voor de deelnemingshandelingen wordt verwezen naar COUNT ONE.

Het oordeel van de Rechtbank dat ook het aldus omschrevene strafbaar is naar Nederlands recht geeft evenmin blijk van een verkeerde rechtsopvatting; ik moge verwijzen naar het opgemerkte ter zake van COUNT ONE.

8. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd doet aan het voorgaande niet af dat ook het feit omschreven als COUNT NINE, kort gezegd dat [de opgeëiste persoon] engaged in a continuing criminal enterprise in concert with at least five other persons with respect to whom [de opgeëiste persoon] occupied a position of organizer, supervisor and manager, naar Nederlands recht oplevert deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

9. Het middel faalt derhalve.

10. Het tweede middel houdt de klacht in dat de Rechtbank heeft verzuimd de stukken ongenoegzaam te verklaren, omdat uit het door de Amerikaanse autoriteiten overgelegde bewijsmateriaal blijkt dat van de documenten die [de opgeëiste persoon] ten tijde van zijn aanhouding bij zich had, en waarvan in het uitleveringsverzoek overdracht is gevraagd indien de uitlevering zal zijn toegestaan, aan hen reeds afschrift is verstrekt.

11. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank waar het uitleveringsverzoek is behandeld (pleitnotities, blz. 26-30) heeft de raadsman aldaar het verweer gevoerd dat door de Rechtbank in de bestreden uitspraak als volgt is weergegeven:

12. "De raadsman heeft tenslotte met betrekking tot de aanklachten tien tot en met twaalf (financiële transacties) aangevoerd dat uit de verklaringen van Mohrbacher en Everett kan worden afgeleid dat de onder de opgeëiste persoon inbeslaggenomen documenten aan de Amerikaanse autoriteiten reeds zijn overgedragen. Dit is, zo stelt de raadsman, in strijd met het bepaalde in artikel 17 van het Verdrag(2) omdat de uitlevering nog niet is toegestaan."

13. De Rechtbank heeft dit verweer verworpen, met de volgende motivering:

14. "Uit het ambtsedig proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, nummer 20-033270, met bijlagen, gedateerd 18 september 2000, blijkt dat op basis van art. 17 van het Verdrag tevens de inbeslagneming werd verzocht van de voor de bewijsvoering in de Verenigde Staten van Amerika relevante voorwerpen die de opgeëiste persoon bij zijn aanhouding tot zijn beschikking had. Uit het als bijlage gevoegde proces-verbaal van voorlopige aanhouding ter fine van uitlevering blijkt dat onder de opgeëiste persoon de in dat proces-verbaal omschreven zaken, waaronder briefjes met telefoonnummers en namen, twee vellen papier met daarop namen en getallen en een tweetal notitieboekjes, zijn inbeslaggenomen.

15. De raadsman nu betoogt dat uit de verklaringen van Mohrbacher en Everett blijkt dat de inhoud van de documenten bij de Amerikaanse autoriteiten bekend is. Evenwel blijkt niet uit de overgelegde uitleveringsbescheiden dat bepaalde inbeslaggenomen stukken door of vanwege het openbaar ministerie aan de Amerikaanse autoriteiten daadwerkelijk zijn overgedragen.

16. De officier van justitie heeft ter zitting medegedeeld dat in het belang van de strafvordering ten behoeve van het opsporingsonderzoek in de Verenigde Stateen afschriften van de in het bezit van de opgeëiste persoon aangetroffen en inbeslaggenomen documenten zijn verstrekt.

17. Naar het oordeel van de rechtbank staat het bepaalde in het Verdrag en de Uitleveringswet er niet aan in de weg dat in het kader van een rechtshulpverzoek aan de verzoekende staat afschriften worden verstrekt van inbeslaggenomen documenten zodat daarvan voor de strafvordering gebruik kan worden gemaakt, of anderszins al - voorafgaande aan de beslissing over de overdracht daarvan - de inhoud kenbaar wordt gemaakt."

18. Naar ik meen heeft de Rechtbank aldus geen blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting.

19. In de toelichting op het middel wordt tegen de door de Rechtbank gegeven motivering opgekomen met in hoofdzaak de volgende redenering:

20. "De ratio achter de wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen omtrent uitlevering van voorwerpen is dat er een rechterlijke beslissing aan de overdracht van die voorwerpen ten grondslag dient te liggen. Daarnaast mogen voorwerpen pas worden overgedragen indien de uitlevering wort toegestaan. Indien bescheiden - zoals in dit geval - worden gefaxt aan de verzoekende Staat voordat de Rechtbank zich terzake heeft uitgelaten en voordat een beslissing omtrent het verzoek tot uitlevering is genomen, wordt het wettelijke systeem ondermijnd."

21. Aldus lijkt de raadsman het onderscheid uit het oog te verliezen tussen het verstrekken van inlichtingen en het overdragen van voorwerpen. Art. 17 van het Uitleveringsverdrag N/VS heeft betrekking op inbeslagneming en overdracht van bepaalde voorwerpen, waarom kan worden verzocht en marge van een uitleveringsverzoek. Op het verstrekken van inlichtingen (anders dan door de bedoelde overdracht van voorwerpen) heeft die verdragsbepaling geen betrekking. Daarop hebben wel betrekking art. 1 van het Rechtshulpverdrag N/VS,(3) bij welke bepaling de Verdragsluitende Partijen zich hebben verbonden om, op verzoek en in overeenstemming met de bepalingen van dat Verdrag, elkaar wederzijdse rechtshulp te verlenen bij strafrechtelijk onderzoek en strafrechtelijke procedures, en art. 4, tweede lid, van dat Verdrag, dat handelt over het op verzoek verstrekken van niet openbare gegevens.

22. De stelling van de raadsman, dat, indien de inhoud van bescheiden wordt gefaxt aan de verzoekende Staat voordat een beslissing omtrent het verzoek tot uitlevering is genomen, het bepaalde in het Uitleveringsverdrag illusoir wordt gemaakt, kan ik om de volgende redenen niet onderschrijven.

In de eerste plaats verplicht art. 17 van dat Verdrag weliswaar tot overdracht van voorwerpen indien de aldaar gestelde voorwaarden zijn vervuld, maar verbiedt die bepaling niet de desbetreffende voorwerpen over te dragen vóórdat aan die voorwaarden is voldaan.

In de tweede plaats kan mededeling van de inhoud van een document niet als overdracht ervan gelden, aangezien de staat die de mededeling doet daardoor niet, zoals door overdracht, de beschikking over dat document (al dan niet tijdelijk) verliest.

23. Om die redenen meen ik dat het middel faalt.

24. Het derde middel keert zich tegen de verwerping door de Rechtbank van het verweer dat de door de verzoekende staat overgelegde stukken ongenoegzaam zijn nu aan de hand daarvan niet kan worden getoetst of de aanhouding van [de opgeëiste persoon] door de Nederlandse autoriteiten rechtmatig is geweest, en de afwijzing door de Rechtbank van het verzoek van de raadsman om te bepalen dat aanvullend bewijsmateriaal dient te wordeen overgelegd.

25. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank (pleitnotities, blz. 3-9) heeft de raadsman het verweer gevoerd dat door de Rechtbank in de bestreden uitspraak onder 6.2 sub a is weergegeven. In het bijzonder heeft de raadman betoogd (pleitnotities, blz. 8):

26. "Artikel 9 lid 3 onder b van het Verdrag bepaalt dat bij een verzoek tot uitlevering met betrekking tot een persoon die wordt gezocht met het oog op de vervolging dient te worden gevoegd het bewijsmateriaal dat volgens het recht van de aangezochte Staat (Nederland), de aanhouding en de dagvaarding zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd (...).

Of de aanhouding zou zijn gerechtvaardigd indien het feit in Nederland zou zijn gepleegd kan, op basis van de overgelegde stukken, niet worden beoordeeld. Immers, indien er - naar Nederlands recht - onrechtmatige opsporingsmethoden zijn gehanteerd is het zeer wel denkbaar dat de aanhouding onrechtmatig is geweest. Daarmee meen ik dat (...) het overgelegde bewijsmateriaal niet toereikend is om te voldoen aan de vereisten van het Verdrag. Om die reden verzoek ik Uw rechtbank te bepalen dat er aanvullend bewijsmateriaal dient te worden overgelegd (...)."

27. De Rechtbank heeft dienaangaande overwogen en beslist:

28. "De rechtbank dient te beoordelen of het door de Amerikaanse autoriteiten verstrekte bewijsmateriaal toereikend is om naar Nederlands recht de aanhouding van de opgeëiste persoon te rechtvaardigen indien de feiten, genoemd in het uitleveringsverzoek, in Nederland zouden zijn begaan.

Het overgelegde bewijsmateriaal is, gelet op de inhoud van de door de Amerikaanse autoriteiten overgelegde verklaringen, hiervoor genoemd onder (...) in die zin toereikend.

De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat er geen bijzondere opsporingsmethoden zijn gebruikt bij de aanhouding. De opgeëiste persoon is in een Nederlands opsporingsonderzoek tegen de in Nederland opererende medeverdachten van de opgeëiste persoon (waarvan bij het openbaar ministerie wel een dossier bekend is maar welk dossier niet aan de rechtbank is overgelegd) in een tapgesprek naar voren gekomen en zodoende werd ook duidelijk dat hij zich in een hotel in Amsterdam, alwaar hij werd aangehouden, bevond. Daar is de opgeëiste persoon door een Nederlandse opsporingsambtenaar aan de hand van een foto herkend.

De rechtbank acht nadere informatie door Amerikaanse ambtenaren over de gebruikte opsporingsmethoden bij de aanhouding van de opgeëiste persoon op basis waarvan de herkenning van de opgeëiste persoon heeft plaatsgevonden en zijn verblijfplaats is vastgesteld niet noodzakelijk nu de officier van justitie ter zitting inzichtelijk heeft gemaakt hoe de aanhouding van de opgeëiste persoon is verlopen.

Het horen van de Nederlandse opsporingsambtenaren is deswege evenmin noodzakelijk.

De rechtbank oordeelt de aanhouding gelet op het voorgaande niet onrechtmatig en wijst het verzoek van de raadsman af."

29. Aldus heeft de Rechtbank, zonder blijk te geven van een verkeerde rechtsopvatting, het verweer op toereikende grond verworpen en het verzoek op toereikende grond afgewezen.

30. In de toelichting op het middel wordt tegen de motivering van de Rechtbank als volgt opgekomen:

31. "Op grond van artikel 9 Nederlands-Amerikaans Uitleveringsverdrag dient bij het verzoek tot uitlevering te worden gevoegd "het bewijsmateriaal dat volgens het recht van de aangezochte Staat de aanhouding en dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen, indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd, met inbegrip van het bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de persoon wiens uitlevering wordt verzocht degene is op wie het bevel tot aanhouding betrekking heeft." Uit deze bepaling volgt dat de vraag of de aanhouding naar Nederlands recht zou zijn gerechtvaardigd moet worden beantwoord enkel op basis van het door de verzoekende staat overgelegde bewijsmateriaal. Een verklaring van een Nederlands officier van justitie ter terechtzitting maakt geen deel uit van dat bewijsmateriaal. Door te oordelen dat op basis van die verklaring duidelijk is dat de aanhouding niet onrechtmatig is, geeft de rechtbank - naar het oordeel van verzoeker - blijk van een onjuiste rechtsopvatting."

32. Aldus wordt (evenals reeds in feitelijke aanleg) het onderscheid miskend tussen enerzijds de eis die in art. 9, derde lid aanhef en onder b, Uitleveringsverdrag N/VS is gesteld met betrekking tot het over te leggen bewijsmateriaal (namelijk dat dit een fictieve aanhouding en dagvaarding zou rechtvaardigen in het fictieve geval dat het feit zou zijn gepleegd in de aangezochte Staat) en anderzijds de vraag of de daadwerkelijke, al dan niet voorlopige, aanhouding van de opgeëiste persoon rechtmatig is geweest.

Het antwoord op de laatstbedoelde vraag, of de daadwerkelijke aanhouding al dan niet rechtmatig is geweest, is voor de vraag of het overgelegde bewijsmateriaal voldoet aan de daaraan in art. 9, derde lid aanhef en onder b, Uitleveringsverdrag N/VS gestelde eis niet beslissend.

33. De Rechtbank heeft, door enerzijds te oordelen dat het door de Amerikaanse autoriteiten verstrekte bewijsmateriaal toereikend is om naar Nederlands recht aanhouding van de opgeëiste persoon te rechtvaardigen indien de feiten, genoemd in het uitleveringsverzoek, in Nederland zouden zijn begaan, en anderzijds overlegging van nadere informatie over de gebruikte opsporingsmethoden bij de aanhouding van de opgeëiste persoon niet noodzakelijk te oordelen omdat de officier van justitie ter zitting inzichtelijk heeft gemaakt hoe de daadwerkelijke aanhouding van de opgeëiste persoon is verlopen, deze beide vragen wel uit elkaar gehouden.

34. Het middel treft mitsdien geen doel.

35. Ambtshalve heb ik geen reden aangetroffen waarom de bestreden uitspraak niet in stand zou mogen blijven. De middelen ongegrond achtende concludeer ik daarom tot verwerping van het beroep.

Voor de Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Waarnemend Advocaat-Generaal

1 Vgl. HR 20 juni 2000, NJ 2000, 493.

2 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, met Bijlage, Trb. 1980, 111.

3 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Trb. 1981, 188.