Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB2810

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
00461/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB2810
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 694
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00461/00

Mr Machielse

Zitting: 10 juli 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij arrest van 4 november 1999 is verzoeker door het gerechtshof te Arnhem vrijgesproken van het onder 1. en 2. tenlastegelegde.(1)

2.1. Door de Advocaat-Generaal bij het Gerechtshof te Arnhem is tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld op 16 november 1999.

2.2. Enkele opmerkingen over de gang van zaken in cassatie zijn op hun plaats, alvorens ik toekom aan een inhoudelijke bespreking van de zaak.

2.3. Allereerst betreft dat de omstandigheid dat het dossier van de onderhavige zaak door de griffie van het hof is opgestuurd zonder dat aan de verdachte in persoon was betekend dat door het openbaar ministerie cassatieberoep was aangetekend.(2) Uit het dossier waren ook geen - voor het hof Arnhem kenbare omstandigheden - af te leiden waaruit kon voortvloeien dat het instellen van het beroep aan de verdachte bekend was.

Daarom heb ik aan het ressortsparket verzocht om alsnog een aanzegging als bedoeld in artikel 433, eerste lid Sv aan de verdachte te doen betekenen. Die aanzegging is op 12 april 2001 aan de verdachte in persoon betekend. Een en ander heeft er toe geleid dat de eerste behandeling van de zaak door Uw Raad niet - zoals gepland - kon plaatsvinden op 10 april 2001, maar pas op 19 juni 2001.

2.4. Een tweede opmerking betreft de omstandigheid dat door een administratieve vergissing de zaak in het zakensysteem van de Hoge Raad is ingevoerd als cassatieberoep dat was ingesteld door of namens de verdachte. Dientengevolge is een aanzegging, als bedoeld in artikel 435, eerste lid, Sv aan verdachte verstuurd, met een afschrift daarvan aan zijn raadsman. Die aanzegging houdt in dat de stukken in de zaak waarin verdachte cassatieberoep had ingesteld bij Uw Raad waren ingekomen. Tegelijkertijd is verzuimd om in het zakensysteem te verwerken dat mr. R.M. Speijdel, advocaat te Enschede zich als raadsman van verdachte heeft gesteld in de cassatieprocedure, waardoor hij geruime tijd in het ongewisse is gelaten over het verloop van de procedure.

2.5. De derde en laatste opmerking betreft het volgende. Op 2 april 2001 is aan de Hoofdadvocaat-Generaal bij het hof de in artikel 435 Sv bedoelde aanzegging verzonden. De daarbij gestelde termijn van een maand is op 2 mei 2001 verstreken zonder dat een cassatieschriftuur is ingekomen.(3) Navraag bij het Ressortsparket te Arnhem leerde mij dat de bedoelde aanzegging daar nooit is aangekomen. Nader onderzoek alhier wees uit dat de aanzegging is verstuurd naar het algemene postbusnummer van het Paleis van Justitie te Arnhem en niet naar het - algemeen bekende en normaliter ook gebruikte - postbusnummer van het Ressortsparket zelf. In het licht van die omstandigheid was ik de mening toegedaan dat aan het openbaar ministerie een nieuwe termijn moest worden gegund voor het indienen van een schriftuur als bedoeld in artikel 437, eerste lid Sv.

2.6. Die nieuwe aanzegging is op 10 mei 2001 verzonden. Op 30 mei 2001, derhalve tijdig, is bij de griffie van de Hoge Raad een schriftuur houdende één middel van cassatie ingekomen van de Advocaat-Generaal.

3.1. Ik kom toe aan een bespreking van het door het openbaar ministerie voorgestelde middel, dat uitsluitend is gericht tegen de door het hof gegeven vrijspraak van het onder 1. tenlastegelegde. Art. 430 lid 1 Sv bepaalt dat tegen een vrijspraak geen cassatieberoep open staat. Op grond van de rechtspraak van uw Raad lijdt deze regeling uitzondering, indien het een zogenoemde onzuivere vrijspraak betreft. Daarvan is onder meer sprake indien de verdachte van iets anders is vrijgesproken dan aan hem was tenlastegelegd.(4)

3.2. Als feit 1 is aan verdachte telastegelegd dat:

"hij in of omstreeks de maand augustus 1997, althans op of omstreeks 7 augustus 1997, in de gemeente Enschede en/of Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer en/althans (elders) in Nederland en/of (op een luchthaven) in Brazilië tezamen en in vereniging met (een) ander(en), een meisje, genoemd [het kind] (verondersteld geboren te zijn op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats]) (vanuit Brazilie) over de grenzen van het Rijk in Europa heeft gevoerd met het oogmerk [dat kind] wederrechtelijk onder de macht van een ander, namelijk [betrokkene A] en/of [betrokkene B], te brengen en/of in hulpeloze toestand te verplaatsen, gezien de leeftijd van [dat kind] en/of door [dat kind] met een valse identiteit buiten de officiële adoptieprocedure om in een situatie te brengen waarin een (officiële) status haar ontbreekt/blijft ontbreken;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 278 Wetboek van Strafrecht"

3.3. Het hof heeft de gegeven vrijspraak als volgt gemotiveerd:

"Ten aanzien van het onder 1. telastegelegde is het hof van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), het kind, genaamd [het kind], over de grenzen van het Rijk in Europa heeft gevoerd.

Blijkens de bij artikel 278 van het Wetboek van Strafrecht behorende Memorie van Toelichting dient onder "over de grenzen van het Rijk in Europa voeren" te worden verstaan "het vanuit Nederland over de grens voeren naar het buitenland".

Hier is echter het omgekeerde geval aan de orde, immers is het kind vanuit Brazilië naar Nederland gebracht.

Aldus redenerend kan niet bewezen worden dat verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), het kind "over de grenzen van het Rijk in Europa heeft gevoerd" in de zin van het bovengenoemde wetsartikel en kan slechts vrijspraak voor dat feit volgen."

3.4. In het middel wordt betoogd dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel "over de grenzen van het Rijk in Europa voeren".

3.5. De Memorie van Toelichting bij artikel 298 van het Regeringsontwerp voor het Wetboek van Strafrecht (thans artikel 278 Sr) houdt het volgende in:

"Dit misdrijf onderscheidt zich als zwaardere soort van de volgende soorten van vrijheidsberooving door het karakter van meerdere duurzaamheid dat het bezit. Zoolang de weggevoerde zich in Nederland bevindt, is duurzame vrijheidsberooving buiten het geval van opsluiting ondenkbaar, vindt de geroofde in de nederlandsche wet en hare organen overal bescherming en in de taalgemeenschap bovendien het middel om de hulp van anderen in te roepen. Indien de weggevoerde de opsluiting weet te verijdelen of zich in gemeenschap met anderen weet te stellen, is hij in staat zijne vrijheid te hernemen. De wegvoering daarentegen naar het buitenland, buiten het bereik der nederlandsche overheid, te midden van eene bevolking ook door taalverscheidenheid van den weggevoerde gescheiden of in landen waar hetzij bevolking ontbreekt, hetzij van de bevolking geen hulp te wachten is (onbewoonde landen of landen bewoond door onbeschaafde volken of volken, die de persoonlijke onvrijheid erkennen) geeft aan de wegvoering het karakter van duurzame vrijheidsberooving, welke zelfs geene stoffelijke banden of een bepaalde opsluiting vordert voor hare voortduring. Alleen in dat geval kan van eigenlijke menschenroof sprake zijn. Daarbij is het onverschillig, of de wegvoering geschiedt om den weggevoerde tot slavernij te brengen dan wel om hem buitenslands op te sluiten, aan een buitenlandsche overheid of aan de magt van private personen of aan vreemde roovers over te leveren, of hem hulpeloos ergens in den vreemde te verplaatsen."(5)

3.6. De tekst van de Memorie van Toelichting is kristalhelder: mensenroof bestaat eruit dat iemand vanuit Nederland wordt ontvoerd naar een ander land. In gelijke zin aantekening 6b op artikel 278 in Noyon-Langemeijer-Remmelink:

"Bij de totstandkoming van art. 278 Sr is gedacht aan 'eenrichtingsverkeer', het wegvervoer buiten de landsgrenzen. Maar ook kan men denken aan de situatie dat iemand vanuit het buitenland Nederland wordt 'ingevoerd' onder omstandigheden als in art. 278 Sr opgetekend. Nu art. 278 Sr enkel bedoeld is voor het 'uitvoeren' zal het geen toepassing kunnen vinden in zo een situatie. Toch is ook dan denkbaar dat de in Nederland ingevoerde vreemdeling in Nederland even hulpeloos zal zijn als de uit Nederland weggevoerde landgenoot. Alsdan zal art. 282 Sr of onder omstandigheden art. 250ter Sr van toepassing kunnen zijn."

3.7. De steller van het middel wijst er op dat de door het hof voorgestane beperkte uitleg van artikel 278 Sr tot gevolg heeft dat uit het buitenland naar Nederland ontvoerde personen onvoldoende bescherming genieten. Dat nu vermag ik niet in te zien. Een ontvoering waarbij een persoon vanuit een buitenland naar Nederland wordt gebracht en hier tegen zijn wil wordt vastgehouden valt immers onder de strafbaarstelling van artikel 282 Sr, de 'gewone' vrijheidsberoving. Daarbij zou bij de bepaling van de straf zeker als strafverzwarende omstandigheid mee kunnen wegen dat de ontvoering vanuit het buitenland is geschied.

Zo er al een noodzaak bestaat om de reikwijdte van artikel 278 Sr te vergroten in de door de AG voorgestane zin, komt het mij bovendien voor dat daar een taak ligt voor de wetgevende macht, nu een dergelijke beslissing een rechtspolitieke keuze vergt.

3.9. Nu 's hofs vrijspraak naar mijn oordeel zuiver is, acht ik het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk.

4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Deze zaak hangt samen met de zaak, bekend onder griffienummer 00460/00, waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Recent deed zich een zelfde probleem voor in de zaak die is gepubliceerd als HR NJ 2001, 126. Zie de conclusie van mijn ambtgenoot mr. Fokkens onder 2. vóór dit arrest.

3 Art. 437.1 Sv schrijft voor dat op straffe van niet-ontvankelijkheid een schriftuur moet worden ingediend binnen een maand na het versturen van de bedoelde aanzegging. Het artikel is gewijzigd bij Wet van 1 oktober 1998, Stb. 591, in werking getreden op 1 juni 1999.

4 Vgl. HR NJ 1995, 552, m.nt. Kn.

5 Smidt. Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht Deel II, 1881, pag 408 e.v.