Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB2800

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2001
Datum publicatie
10-10-2001
Zaaknummer
01931/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB2800
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 588, geldigheid: 2001-10-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 546

Conclusie

Nr. 01931/99

Mr. Machielse

Zitting: 10 juli 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem heeft verzoeker bij arrest van 28 december 1998 ter zake van "verduistering" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf. Daarnaast heeft het hof bepaald dat de benadeelde partij [betrokkene A] niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

2. Verzoeker heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld en mr. R.M.J. Lanting, advocaat te Deventer, heeft namens verzoeker een schriftuur, houdende één middel van cassatie ingediend.(1)

3. De benadeelde partij [betrokkene A] heeft een geschrift ingediend, dat evenwel niet kan worden aangemerkt als een cassatiemiddel in de zin der wet aangezien het louter mededelingen van feitelijke aard bevat en geen grief die gericht is tegen de bestreden uitspraak.(2)

4.1. In het middel wordt erover geklaagd dat het hof ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep nietig is. De steller van het middel voert daartoe aan dat op grond van art. 588 lid 3 onder c Sv de akte - in geval uitreiking op grond van art. 588 lid 1, onderdeel b, onder 1° en 2° Sv niet heeft kunnen plaatsvinden - aan de griffier van de rechtbank dient te worden uitgereikt in het arrondissement waar de zaak het laatst heeft gediend. Nu in casu de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te Arnhem en niet aan de griffier van de rechtbank te Zutphen, alwaar de behandeling in eerste aanleg heeft plaatsgevonden, zou de uitreiking van de dagvaarding in strijd met art. 588 lid 3 onder c Sv hebben plaatsgevonden.

4.2. Artikel 588 lid 3 onder c Sv houdt in dat de uitreiking geschiedt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend, indien de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens danwel niet is ingeschreven in de basisadministratie maar een bekende woon- of verblijfplaats heeft en uitreiking in persoon (of aan een huisgenoot of gemachtigde) niet is gelukt. De dagvaarding in eerste aanleg zal volgens deze bepaling dan uitgereikt worden aan de griffier van de rechtbank waar de zaak zal dienen. De vraag is hoe het is gesteld met de toepassing van de bepaling op de uitreiking van de appeldagvaarding.

De kamerstukken bij het wetsvoorstel dat oorspronkelijk aan de huidige regeling ten grondslag heeft gelegen houden het volgende in:

"In het nieuwe vierde lid (thans derde lid onder c; A.M.) van artikel 588 wordt gesproken van de griffie van de rechtbank. Beoogd is namelijk de betekeningen bij één griffie te concentreren in plaats van die over de griffies van verschillende rechterlijke colleges binnen hetzelfde arrondissement te verspreiden. Dit is voor die andere gerechten (kantongerechten, militaire gerechten, hoven en Hoge Raad) ook verreweg het eenvoudigste."(3)

Wat kan hier bedoeld zijn met "één griffie"? Als de minister daarmee zou hebben gedoeld op de relatieve competentie, op een lokale bepaaldheid, moet het wel zo zijn dat, als art. 588 lid 3 onder c Sv (voorheen art. 588 lid 4 Sv) van toepassing is, alle gerechtelijke stukken in een en dezelfde strafzaak aan dezelfde griffie dienen te worden uitgereikt. Dat betekent dat de appeldagvaarding zou moeten worden uitgereikt aan de griffie van de rechtbank die de beslissing in eerste aanleg heeft gewezen. Deze uitleg is evenwel niet erg praktisch. Het is veel gemakkelijker om de appeldagvaarding uit te reiken aan de griffie van de rechtbank in de plaats waar ook het Gerechtshof is gevestigd. Dat is overzichtelijker en efficienter. De aktes van uitreiking van appeldagvaardingen aan de griffier zijn dan alle te vinden op de griffie van de rechtbank in de plaats waar ook het gerechtshof is gevestigd in plaats dat zij zijn verspreid over alle griffies in het ressort. Daar staat tegenover dat het wellicht voor degene voor wie het gerechtelijk schrijven is bestemd en die zich op de hoogte wil stellen van de stand van zaken wat gemakkelijker is zich naar de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te begeven dan naar de rechtbank in de plaats waar ook het hof is gevestigd. Tevens kan men natuurlijk als bedenking aanvoeren dat het voor de kantongerechten weliswaar een concentratie van stukken betekent op de griffie van de rechtbank, maar dat het toch ook weer een zekere rompslomp is om die aktes alle weer in de dossiers op de kantongerechten te voegen.

Een andere uitleg van de aangehaalde passage luidt aldus dat de woorden "één griffie" niet duiden op een relatieve, maar op de absolute competentie. De huidige uitreikingspraktijk hanteert deze uitleg. Uitreikingen geschieden aan de griffier van de rechtbank, niet aan de griffier van het kantongerecht, van het gerechtshof of van de Hoge Raad. Gelet op de bedoeling van de wetgever om de zaak maar eenvoudig te houden komt mij deze uitleg uiteindelijk het meest plausibel over. Er is minder tijdverlies, minder gezoek, minder heen- en weerzending. In deze laatste uitleg moet de appeldagvaarding uitgereikt worden aan de griffier van de rechtbank in welker ressort het hof is gevestigd, omdat déze de griffier van de rechtbank van het arrondissement is "waar de zaak zal dienen".

4.3. De steller van het middel richt zijn blik alleen maar op het onderdeel van art. 588 lid 3 onder c Sv waar de wetgever spreekt van de de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak "laatstelijk heeft gediend".(4) Hij ziet daarbij voorbij aan de overige inhoud van de bepaling. Tevens ziet de steller van het middel over het hoofd dat op schending van art. 588 Sv geen nietigheid is gesteld.

Met ingang van 2 februari 1998 is art. 590 Sv van zijn huidige inhoud voorzien. Deze wetswijziging had geen gevolgen voor strafzaken die voor de inwerkingtreding van deze wet bij wege van verkorte dagvaarding, oproeping of dagvaarding aanhangig waren gemaakt.(5) Het komt mij voor dat deze overgangsbepaling aldus dient te worden verstaan dat de nieuwe bepaling niet van toepassing was in hoger beroep als de zaak door het uitbrengen van een appeldagvaarding al aanhangig was gemaakt op het moment van inwerkingtreding van de nieuwe wet. Dat was hier niet het geval. In casu is de dagvaarding blijkens de aan de dagvaarding in hoger beroep gehechte akte van uitreiking immers - nadat op 13 november 1998 tevergeefs is getracht deze aan verzoekers GBA-adres uit te reiken - op 20 november 1998 teruggezonden aan de afzender en op 24 november 1998 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te Arnhem.

Als al art. 588 lid 3 onder c Sv aldus zou moeten worden uitgelegd dat de appeldagvaarding aan de griffier van eerste aanleg zou moeten worden uitgereikt, dan was het aan het hof om eventueel aan een gebrek in de uitreiking consequenties te verbinden. Art. 590 Sv zegt immers dat de rechter bij niet naleving van het bepaalde in art. 588 Sv de betekening nietig kan verklaren. In cassatie wordt niets aangevoerd wat de visie zou kunnen ondersteunen dat in dit geval het hof uit het dossier had moeten opmaken dat door de gang van zaken verdachtes belangen zouden zijn geschaad en dat daarom de betekening van de appeldagvaarding nietig moest worden verklaard.

5. Het voorgestelde middel faalt, primair omdat het uitgaat ven een verkeerde lezing van art. 588 lid 3 onder c Sv. Subsidiair, voor het geval de steller van het middel wel gevolgd zou moeten worden, faalt het middel omdat art. 590 Sv geen absolute nietigheid stelt op een gebrek in de betekening. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Mr. Lanting verklaart weliswaar niet bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn door verzoeker tot het indienen van een schriftuur, maar dit is niet langer een reden om het middel niet te bespreken. Zie HR 20 maart 2001, griffienr. 02443/00 en HR NJ 1995, 118 en de conclusie vóór dat arrest van mijn voormalig ambtsgenoot A-G Van Dorst.

2 Zie HR NJ 1984, 634 en A.J.A. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, vierde druk, p. 82.

3 Kamerstukken II 1983-1984, 18 324, nr.3, p.16.

4 Deze woorden hebben een functie waar na de uitspraak nog aan de verdachte moet worden betekend.

5 Artikel VI van de Wet van 15 januari 1998, Stb. 35.