Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB2794

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2001
Datum publicatie
15-10-2001
Zaaknummer
C99/192HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB2794
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 69, geldigheid: 2001-10-12
Wet op de rechterlijke organisatie 101a, geldigheid: 2001-10-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 533
JWB 2001/241

Conclusie

Rolnummer C99/192

mr. C.L. de Vries Lentsch-Kostense

Zitting 1 juni 2001

Conclusie inzake

1. [Eiser 1]

2. [A] B.V.

3. De Commissie van schuldeisers in het faillissement van [A] B.V.

tegen

ABN AMRO Bank N.V.

Edelhoogachtbaar College,

Inleiding

1. In deze zaak gaat het om het volgende (voor een volledig overzicht van de feiten verwijs ik naar rechtsoverweging 1 van het vonnis in eerste aanleg):

(i) De AMRO-bank, heeft destijds aan thans eiseres tot cassatie sub 2 [A B.V.] krediet verstrekt. Als zekerheid voor dit krediet was [A B.V.] uit hoofde van een overeenkomst van cessie van 23 november 1972 verplicht al haar vorderingen op derden in eigendom over te dragen aan de AMRO-bank.

(ii) Op 6 juni 1974 heeft de Rechtbank te Maastricht [A B.V.] in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. S.V. Langeveld en - op 13 juni 1974 - mr. E.J. Dommering tot curatoren (hierna ook: de voormalige curatoren). Tot rechter-commissaris is benoemd mr. R.C. Cleyndert. Op het tijdstip van de faillietverklaring bedroeg de vordering van de AMRO-bank op [A B.V.] uit hoofde van bovengenoemd krediet ruim f 1.000.000,-.

(iii) Tussen de voormalige curatoren en de AMRO-bank is een geschil gerezen over de rechtsgeldigheid van de door de boekhouder van [A B.V.] ondertekende cessies. Bij arrest van 27 september 1976 heeft het Hof te 's-Gravenhage geoordeeld dat deze cessies rechtsgeldig tot stand zijn gekomen; het door de curatoren tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is door Uw Raad verworpen bij arrest van 10 oktober 1981, NJ 1981, 2. Uiteindelijk zijn alle geschillen tussen de AMRO-bank en de voormalig curatoren geregeld in een dading die in december 1987 is getroffen; de rechter-commissaris mr. Cleyndert heeft toestemming verleend voor het aangaan van deze dading.

(iv) Op 5 oktober 1990 heeft de Rechtbank te 's-Gravenhage mr. Bouma en mr. Lemstra (hierna: de curatoren) benoemd tot curatoren in de plaats van mr. Langeveld en mr. Dommering.

(v) Medio 1992 heeft mr. Paris de functie van rechter-commissaris overgenomen van mr. Cleyndert.

2. Thans eisers tot cassatie sub 1-3, te weten [eiser] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van [A B.V.], de failliet [A B.V.] en de Commissie van schuldeisers in het faillissement [A B.V.] (hierna: [eiser] c.s.) hebben op 21 juli 1998 thans verweerster in cassatie (hierna: ABN AMRO) en de curatoren gedagvaard in kort geding. Zij hebben primair gevorderd ABN AMRO te gebieden - op straffe van een dwangsom - rekening en verantwoording af te leggen voor de bedragen die door haar zijn geïnd ter zake van de door [A B.V.] aan haar verstrekte zekerheden. Zij hebben daartoe gesteld dat ABN AMRO op grond van de artt. 57-59 F. verplicht is rekening en verantwoording af te leggen niet alleen aan de curatoren maar ook aan de belanghebbenden van wie de burgerlijke rechten en verplichtingen in het geding zijn, zoals in casu [A B.V.] en haar crediteuren in het faillissement; zij hebben betoogd dat ABN AMRO in het bijzonder rekening en verantwoording moet afleggen ter zake van het bedrag van f 800.000,- dat zij - aldus [eiser] c.s. - destijds reeds heeft ontvangen van [A B.V.], alsmede over de verpande vorderingen die zij nog onder zich heeft en met name over een vordering ten bedrage van f 1.776.436,40 op Grimbergen Poeldijk B.V. en Grimbergen Constructies Heerlen B.V. Zij hebben gesteld een spoedeisend belang te hebben bij hun vordering aangezien de curatoren het faillissement van [A B.V.] wensen te beëindigen wegens gebrek aan baten. Subsidiair vorderden zij de curatoren te veroordelen te wachten met het opheffen van het faillissement zolang er geen afdoende rekening en verantwoording is afgelegd door ABN AMRO. Deze subsidiaire vordering is ter zitting in eerste aanleg ingetrokken en speelt in cassatie geen rol meer.

3. ABN AMRO heeft de (primaire) vordering betwist. Zij heeft daarbij vooropgesteld dat aan alle geschillen betreffende de aan haar gecedeerde vorderingen een einde is gemaakt door de dading die zij in december 1987 met de voormalige curatoren heeft gesloten en dat derhalve geen plaats meer is voor het afleggen van rekening en verantwoording, zodat [A B.V.] c.s. op die grond reeds geen belang bij hun vordering hebben. Zij heeft voorts betoogd dat alleen [A B.V.] en na het faillissement van [A B.V.] - gezien art. 25 F. - uitsluitend nog de (voormalige) curatoren aanspraak konden maken op rekening en verantwoording, althans tot aan de dading van december 1987. Zij heeft ook nog aangevoerd dat thans eiseres tot cassatie sub 3, de Commissie van schuldeisers, geen rechtspersoonlijkheid heeft zodat zij derhalve reeds op die grond niet-ontvankelijk is. Bovendien heeft zij betoogd dat [eiser] c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun vordering in kort geding wegens het ontbreken van spoedeisend belang bij de door hen gevraagde voorziening nu zij zich ook tot de curatoren hadden kunnen wenden met het verzoek een vordering tot rekening en verantwoording in te stellen waarna - bij weigering - de bijzondere rechtsgang openstond van art. 69 F., een rechtsgang die wordt gekenmerkt door korte termijnen.

4. De President in kort geding heeft bij vonnis van 3 september 1998 het op art. 69 F. gebaseerde verweer van ABN AMRO gegrond bevonden, daarbij expliciet in het midden latend of [A B.V.] en de Commissie van Schuldeisers ook om andere door ABN AMRO aangevoerde redenen niet-ontvankelijk in hun vordering zouden zijn. Hij overwoog daartoe als volgt ([eiser] c.s. aanduidend als "eisers" en ABN AMRO als "de bank"):

"Voorop staat dat de onderhavige vordering van eisers betrekking heeft op rechten en verplichtingen die tot de failliete boedel behoren. Dit brengt mee dat eisers de mogelijkheid hadden om de curatoren te verzoeken bij de bank rekening en verantwoording te vragen op de door eisers gewenste onderdelen. Indien de curatoren hiertoe niet bereid zouden zijn, stond voor eisers het rechtsmiddel van art. 69 Fw open, welk artikel de mogelijkheid biedt om middels een verzoekschrift bij de rechter-commissaris tegen (het nalaten van) de handeling van de curatoren op te komen, terwijl van de door de rechter-commissaris binnen drie dagen te geven beschikking opnieuw beroep binnen vijf dagen mogelijk is bij de rechtbank. Gelet op deze bijzondere rechtsgang met de mogelijkheid om een snelle beslissing te verkrijgen, is er daarnaast geen plaats voor een voorziening in kort geding. Eisers zijn derhalve niet-ontvankelijk in hun vordering. De gevraagde voorzieningen worden dan ook geweigerd."

Ten overvloede heeft de President nog overwogen dat een inhoudelijke beoordeling van het onderhavige geschil niet tot toewijzing van de vordering zou leiden. Het onderhavige geschil betreft immers, aldus de President, de overeenkomst van cessie en de daarop medio mei 1979 gencasseerde bedragen en tussen partijen staat vast dat de geschillen daaromtrent in december 1987 tussen de bank en de voormalige curatoren met toestemming van de rechter-commissaris geregeld zijn in dier voege dat alle betrokken partijen toen ervan uitgingen dat de bank na uitwinning van haar zekerheden nog een vordering van f 700.000,- op [A B.V.] zou overhouden. Aangezien [eiser] c.s. stellen dat de bank aan de failliete boedel nog schuldig is het positieve saldo van de vordering van de bank op [A B.V.] minus het bedrag van de uitgewonnen zekerheden, nemen [eiser] c.s. kennelijk het standpunt in dat dit uitgangspunt onjuist was. [eiser] c.s. hebben evenwel dat standpunt niet geadstrueerd hoewel zulks wel op hun weg had gelegen. De vordering zou dan ook om die reden in kort geding niet toewijsbaar zijn. Aldus de President.

5. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft zich bij arrest van 25 maart 1999 verenigd met het oordeel van de President dat naast de bijzondere rechtsgang van art. 69 F. geen plaats is voor een voorziening in kort geding. Het Hof overwoog daartoe dat de President met juistheid heeft overwogen dat de onderhavige vordering van [eiser] c.s. om ABN AMRO te gebieden rekening en verantwoording af te leggen van de bedragen die zij op grond van de aan haar verschafte zekerheden heeft geïncasseerd, betrekking heeft op rechten en verplichtingen die tot de failliete boedel van [A B.V.] behoren en dat voor die vordering art. 69 F. voorziet in een bijzondere tegen de curator gerichte, snelle rechtsgang met korte termijnen, zodat geen plaats is voor een voorziening in kort geding. Het Hof voegde daaraan toe dat "zo daar al anders over zou moeten worden gedacht, wat naar het voorlopig oordeel van het hof niet het geval is", in ieder geval de eis van spoedeisendheid strikt moet worden opgevat. Het Hof oordeelde dat in dit geval is gesteld noch aannemelijk is geworden dat sprake is van een zodanige spoedeisendheid dat de voor de procedure van art. 69 F. voorziene korte termijnen niet in voldoende mate aan de belangen van [eiser] c.s. zouden tegemoetkomen. Het betoog van [eiser] c.s. dat de weg van art. 69 F. reeds is bewandeld en "volkomen negatief is gestrand" werd door het Hof verworpen met de overweging dat de door [eiser] c.s. bedoelde procedure een ander onderwerp had dan de onderhavige, nu die procedure het verzoek van [eiser] zelf betrof om in afwijking van het bepaalde in art. 68 F. namens de failliete boedel van [A B.V.] in rechte op te treden. Het betoog van [eiser] c.s. dat de rechter-commissaris en de rechtbank worden geconfronteerd met eerdere door hen genomen of goedgekeurde beslissingen indien de weg van art. 69 F. wordt gevolgd en dat zulks in strijd is met art. 6 EVRM, werd door het Hof verworpen met de overweging dat deze stelling onduidelijk en onvoldoende feitelijk onderbouwd is en in het kader van het onderhavige kort geding in ieder geval geen beantwoording behoeft. Voorts oordeelde het Hof dat de grief gericht tegen de inhoudelijke beoordeling van de vordering geen behandeling behoeft omdat deze is gericht tegen een overweging ten overvloede; niettemin overwoog het Hof dat voorzover [eiser] c.s. een beroep doen op de nietigheid van de dading, moet gelden dat [eiser] c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt dat de dading door bedrog door de bank is totstandgekomen.

6. [eiser] c.s. hebben binnen de te dezen geldende termijn van zes weken cassatieberoep ingesteld. ABN AMRO heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

In het voetspoor van de President in kort geding laat ik in het midden of de Commissie van schuldeisers die, naar uit het hierna volgende mogen blijken - naar mijn oordeel terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering in kort geding wegens het ontbreken van spoedeisend belang - ook niet-ontvankelijk is in haar vordering op de grond dat zij rechtspersoonlijkheid mist en slechts enkele bijzondere bevoegdheden heeft, zoals de bevoegdheid om verzoeken ex de artt. 69, 73 en 84 F. in te dienen. Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer voor Uw beschikking van 4 februari 2000, NJ 2000, 257.

De cassatiemiddelen

7. Middel 1 komt op tegen 's Hofs oordeel dat de onderhavige vordering betrekking heeft op rechten en verplichtingen die tot de failliete boedel van [A B.V.] behoren en dat art. 69 F. voor een zodanige vordering voorziet in een bijzondere tegen de curator gerichte, snelle rechtsgang met korte termijnen, zodat geen plaats is voor een voorziening in kort geding. Geklaagd wordt dat het Hof ten onrechte overweegt dat art. 69 F. ook een snelle rechtsgang is met korte termijnen waardoor voor een voorziening in kort geding geen plaats is. Betoogd wordt in dat verband dat de bank een separatist is, die op grond van art. 57 F. haar rechten kan uitoefenen alsof er geen faillissement was, en dat daarom de rechtsgang die art. 69 F. biedt, geen rechtsgang is waarin de onderhavige vordering van [eiser] c.s. kan worden afgedaan. Volgens het middel, "[is dit] in casu zeker het geval nu de Rechter-commissaris alsmede de Rechtbank in beroep alvorens te kennen hebben gegeven dergelijke vordering negatief te beantwoorden."

8. Dit middel wil kennelijk betogen dat ABN AMRO niet door de curatoren tot rekening en verantwoording kan worden aangesproken ter zake van de bedragen die zij heeft geïnd uit hoofde van de aan haar verschafte zekerheden (op 1 januari 1992 van rechtswege omgezet in een pandrecht) nu ABN AMRO als separatist is aan te merken zodat zij in zoverre haar rechten kan uitoefenen alsof er geen faillissement was.

Dit betoog faalt. Het miskent dat een eventueel overschot dat resteert na uitwinning van verstrekte zekerheden, valt in het faillissement van de schuldenaar die de zekerheid verschafte, zodat de faillissementscurator ter uitoefening van de rechten van de schuldeisers en van de gefailleerde aanspraak heeft op het overschot dat resteert na uitwinning door de pandhouder van de aan haar verpande vorderingen; met het oog op de belangen van de schuldeisers en van de gefailleerde moet de curator zonder meer op de voet van art. 490c Rv. rekening en verantwoording kunnen verlangen van de executerende pandhouder. Het Hof heeft terecht met de Rechtbank geoordeeld dat de rechtsvordering tot het afleggen van rekening en verantwoording betrekking heeft op "rechten en verplichtingen van de boedel" nu immers een eventueel surplus valt in de boedel en een eventueel negatief saldo tot resultaat heeft dat een vordering op de boedel resteert; vergelijk in dit verband Uw arresten van 19 mei 1999, NJ 1999, 670 en 671, m.nt. Ma. De curator was derhalve op de voet van art. 25 F. bevoegd rekening en verantwoording te verlangen en voor [eiser] c.s. stond dan ook de weg van art. 69 F. open om terzake een bevel uit te lokken. Ik verwijs hier met name naar de door [eiser] c.s. in appèl geciteerde passages uit de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 16 593 waarin het nieuw voorgestelde art. 57 lid 3 F. wordt toegelicht; deze bepaling vervangt het oude art. 59 lid 1 F. waarin nog expliciet was bepaald dat de pandhouder die van zijn rechten gebruik heeft gemaakt, verplicht is de opbrengst van het verbonden goed aan de curator te verantwoorden, met uitkering van hetgeen die opbrengst het verschuldigde te boven gaat (Parl. Gesch. Invoering Boeken 3, 5 en 6, Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de Rechterlijke Organisatie en de Faillissementswet, p. 404).

De aan het slot van het middel opgenomen klacht dat "dit in casu zeker het geval [is] nu de Rechter-commissaris alsmede de Rechtbank in beroep alvorens te kennen hebben gegeven dergelijke vordering negatief te beantwoorden" voldoet niet aan de eisen die ingevolge art. 407 lid 2 Rv. aan een middel moeten worden gesteld.

9. Middel 2 komt op tegen 's Hofs overweging (een overweging die aansluit op de in middel 1 tevergeefs aangevallen overweging) dat "zo daar al anders over zou moeten worden gedacht, wat naar het voorlopig oordeel van het hof niet het geval is", de eis van spoedeisendheid strikt moet worden opgevat en dat in casu gesteld noch aannemelijk is dat sprake is van een zodanige spoedeisendheid dat de korte termijnen voorzien in de procedure van art. 69 F. niet in voldoende mate aan de belangen van [eiser] c.s. tegemoetkomen. Geklaagd wordt over onbegrijpelijkheid van de zinswending "naar het voorlopig oordeel". Voorts wordt geklaagd dat er "voldoende grondslag [is] om van spoedeisendheid te spreken in de zin van een strikte opvatting (...) nu bij monden van de curatoren te kennen is gegeven het faillissement te doen eindigen."

10. Met zijn klacht over onbegrijpelijkheid van de zinswending "naar het voorlopig oordeel" ziet de steller van het middel kennelijk eraan voorbij dat het onderhavige geding een kort geding is, dat in beginsel een voorlopig karakter heeft. De klacht dat het Hof eraan voorbijziet dat er voldoende grondslag is om van spoedeisend belang te spreken, komt op tegen een overweging ten overvloede en ziet voorts eraan voorbij dat het Hof met zijn gewraakte overweging slechts heeft aangegeven dat is gesteld noch aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige geval sprake is van een zodanige spoedeisendheid dat de procedure van art. 69 F. met zijn korte termijnen toch nog te weinig tegemoet komt aan de spoed die in casu zou zijn vereist met het oog op de belangen van [eiser] c.s. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het middel dat 's Hofs overweging kennelijk anders leest, geeft ook niet aan waarom dat oordeel onbegrijpelijk is.

Terzijde wijs ik erop dat voor een voorziening in kort geding slechts ruimte is indien dit gelet op de belangen van partijen, uit hoofde van onverwijlde spoed is vereist, een situatie waarvan slechts sprake is wanneer onverwijld handelen geboden is en bovendien de loop van en de beslissing in een gewone procedure niet kunnen worden afgewacht; zie Schenk / Blaauw, Het kort geding (Algemeen deel), 1996, p. 4-6 met verwijzingen naar jurisprudentie.

11. Middel 3 komt op tegen 's Hofs oordeel dat "onduidelijk en onvoldoende feitelijk onderbouwd" is de stelling van [eiser] c.s. dat ingeval de weg van art. 69 F. wordt gevolgd, de rechter-commissaris en de Rechtbank worden geconfronteerd met eerdere door hen genomen of goedgekeurde beslissingen, hetgeen in strijd zou zijn met art. 6 EVRM. Betoogd wordt dat de procedure van art. 69 F. in casu niet voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM nu de rechter-commissaris voorheen rechtstreeks betrokken is geweest in het onderhavige geschil gezien de goedkeuring die hij heeft gegeven aan het eindverslag van de curatoren. De betrokkenheid van de rechter-commissaris is, aldus dit middel, "duidelijk door rekwiranten middels processtukken aangegeven, met daarbij het specifiek aangeven dat in het verleden (na uitspraak faillissementsverklaring [A B.V.]) de rechter-commissaris in dienst was bij de desbetreffende bank." Het middel tekent daarbij aan dat [eiser] c.s. deze feitelijke gegevens niet nader behoefden te onderbouwen omdat het Hof deze ambtshalve dient te toetsen, ook binnen het kader van het onderhavige kort geding.

12. Vooropgesteld kan worden dat in het kader van art. 6 EVRM een onderscheid wordt gemaakt tussen subjectieve en objectieve onpartijdigheid. Subjectieve partijdigheid ziet op de situatie dat de rechter daadwerkelijk partijdig is, hetgeen kan blijken uit zijn optreden en opmerkingen. Van objectieve partijdigheid is sprake ingeval op basis van feiten en omstandigheden in redelijkheid kan worden gesteld dat de rechter niet onpartijdig is; het gaat hier om de naar objectieve maatstaven gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6 eerste lid EVRM dient - volgens vaste jurisprudentie van Uw Raad - voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een procespartij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer Uw arrest van 16 november 1999, NJ 2000, 335, m.nt. 'tH). Van objectieve partijdigheid kan sprake zijn indien de rechter eerdere bemoeienis met de zaak heeft gehad. Dit zou in het bijzonder het geval kunnen zijn wanneer de rechter een oordeel moet vellen over een beslissing die hij zelf genomen heeft. Niet iedere eerdere bemoeienis maakt evenwel de rechter partijdig in de zin van artikel 6 EVRM; de aard ("scope and nature") van die bemoeienis is van belang. (Ik verwijs in dit verband naar HR 16 juni 1992, NJ 1992, 819; HR 15 april 1997, NJ 1997, 535; EHRM 26 oktober 1984, NJ 1988, 744 m.nt. EAA; EHRM 24 mei 1989, NJ 1990, 627 m.nt. PvD; EHRM 24 mei 1989, NJ 1990, 627 m.nt. PvD; EHRM 23 mei 1991, NJ 1992, 456 m.nt. EJD; EHRM 24 februari 1993, NJ 1993, 649 EAA; EHRM 24 augustus 1993, NJ 1993, 650 m.nt. EAA; EHRM 22 april 1994, Series A no. 286-B; EHRM 22 februari 1996, NJ 1996, 483; EHRM 10 juni 1996, NJ 1998, 184 m.nt. Kn.; EHRM 7 augustus 1996, NJ 1998, 185.)

Niet kan worden volgehouden dat de enkele omstandigheid dat de rechter-commissaris toezicht houdt op de afwikkeling van het faillissement, tot de slotsom moet leiden dat hij niet meer als onpartijdig rechter een beslissing kan geven ingeval hem daarom op de voet van art. 69 F. wordt verzocht; als ik het goed zie, wil het middel dat ook niet betogen. Overigens staat tegen een beslissing van de rechter-commissaris hoger beroep open op de rechtbank; art. 6 EVRM brengt niet mee dat geschillen betreffende burgerlijke rechten en verplichtingen moeten worden berecht in procedures waarvan elk stadium door een rechterlijke instantie in de zin van art. 6 EVRM behandeld wordt (EHRM 23 juni 1981, NJ 1982, 602, m.nt. EAA onder NJ 1982, 603).

Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat er bijzondere omstandigheden kunnen bestaan die de vrees rechtvaardigen dat de rechter-commissaris niet onpartijdig is in de zin van artikel 6 EVRM. Op degene die zich op partijdigheid beroept, rust evenwel een stelplicht terzake. Het Hof heeft geoordeeld dat [eiser] c.s. niet aan die stelplicht hebben voldaan. Dat oordeel wordt in het middel bestreden met het betoog dat de rechter-commissaris voorheen rechtstreeks betrokken is geweest in het onderhavige geschil gezien de goedkeuring die hij heeft gegeven aan het eindverslag van de curatoren en dat de rechter-commissaris in dienst was bij "de desbetreffende bank", zoals duidelijk in de processtukken aangegeven. Het enkele feit dat de rechter-commissaris het eindverslag heeft "goedgekeurd" en het feit dat de rechter-commissaris in dienst was van de ABN vóór de fusie met de AMRO-bank met welke bank [A B.V.] een relatie had, kunnen naar mijn oordeel niet impliceren dat de rechtsgang van art. 69 F. in casu niet zou moeten worden beschouwd als een volwaardige voorziening waarin volgens de eisen van art. 6 EVRM zou kunnen worden beslist over de verlangde rekening en verantwoording. Dat daargelaten, moet naar mijn oordeel evenwel worden geconcludeerd dat het middel niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. nu wordt volstaan met de stelling dat de betrokkenheid van de rechter-commissaris "duidelijk door rekwiranten middels processtukken [is] aangegeven", terwijl niet wordt aangegeven om welke passages in de gedingstukken het daarbij gaat.

13. Middel 4 komt op tegen 's Hofs overweging dat de tweede grief zich richt tegen een oordeel ten overvloede zodat zij geen behandeling behoeft. Geklaagd wordt dat deze grief niet ten overvloede was voorgesteld maar dat deze feitelijk centraal staat in het onderhavige geding.

14. Dit middel ziet eraan voorbij dat het Hof met juistheid heeft geoordeeld dat de tweede grief opkomt tegen een overweging ten overvloede. In de door de President en het Hof gehuldigde (in cassatie tevergeefs bestreden) visie dat [eiser] c.s. niet ontvankelijk moesten worden verklaard in hun onderhavige vordering in kort geding omdat de procedure van art. 69 F. voor een zodanige vordering reeds voorziet in een snelle rechtsgang, kon aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering niet meer worden toegekomen. Het Hof heeft dan ook terecht geoordeeld dat de tweede grief met haar klacht tegen de door de President "niettemin" gegeven inhoudelijke beoordeling van de vordering geen behandeling behoefde nu zij zich richtte tegen een overweging ten overvloede.

15. De middelen 5 en 6 behoeven geen behandeling nu zij zich richten tegen overwegingen ten overvloede.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden