Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB2787

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2001
Datum publicatie
15-10-2001
Zaaknummer
R01/006HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB2787
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 531
NJ 2001, 652
JWB 2001/240

Conclusie

Rek.nr. R01/006

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 15 juni 2001

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

[De vrouw]

1. Feiten en procesverloop (1)

1.1 Bij beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 17 januari 1996 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en onder meer bepaald dat de man na echtscheiding aan de vrouw ƒ 1.500,- per maand, en na verkoop van de echtelijke woning ƒ 2.500,- per maand aan alimentatie diende te betalen.

1.2 De man heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 20 oktober 1998, de rechtbank te 's-Gravenhage verzocht die beschikking in dier voege te wijzigen, dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar onderhoud met ingang van 3 april 1996 zal worden bepaald op nihil. De man heeft als grond voor dit verzoek gesteld dat de in de beschikking van 17 januari 1996 vastgestelde beschikking tot levensonderhoud voor de vrouw van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan en dat bovendien de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de door de man te betalen bijdragen niet meer voldoen aan de wettelijke maatstaven.

1.3 De rechtbank heeft bij beschikking van 23 maart 2000 de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 3 april 1996 bepaald op ƒ 980,- per maand tot de datum van verkoop van de voormalige echtelijke woning en vanaf die datum op ƒ 1.350,- per maand. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de alimentatie met ingang van 1 januari 1997 ƒ 1.470,- per maand zal bedragen, met ingang van 1 januari 1998 ƒ 1.760,- per maand en met ingang van 1 januari 1999 ƒ 1.760,- per maand.

1.4 De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Zij heeft verzocht de beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de man alsnog niet ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoekschrift, althans hem zijn verzoek te ontzeggen, althans te bepalen dat de wijziging in de te betalen bijdrage eerst met ingang van 1 november 1998 zal gelden, dan wel de bijdrage tot levensonderhoud van de vrouw voor 1996 en 1997 op een hoger bedrag vast te stellen dan in de beschikking van de rechtbank van 23 maart 2000 en te bepalen dat de als gevolg van de te wijzen beschikking teveel betaalde c.q. ontvangen bedragen tot levensonderhoud tot 1 november 1998 niet zullen kunnen worden teruggevorderd en/of worden verrekend met toekomstige termijnen.

1.5 De man heeft een verweerschrift tevens incidenteel appel ingediend waarin hij heeft verzocht het verzoek van de vrouw in hoger beroep af te wijzen en voorts in incidenteel appel de beschikking van de rechtbank te vernietigen en de door hem te betalen alimentatie met terugwerkende kracht met ingang van 17 januari 1996 op nihil te stellen althans op een zodanig bedrag als het hof in goede justitie meent te behoren.

De vrouw heeft zich tegen dit verzoek verweerd.

1.6 De vrouw heeft een verweerschrift incidenteel appel ingediend en verzocht om de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn inleidende verzoek nu het niet aannemelijk is dat de rechtbank in haar beschikking van 17 januari 1996 bij de vaststelling van de alimentatie van onjuiste gegevens is uitgegaan, dan wel dat de omstandigheden van partijen zich sindsdien wezenlijk hebben gewijzigd.

1.7 Nadat het hof de zaak op 8 september 2000 had behandeld, heeft het bij beschikking van 15 november 2000 de beschikking van de rechtbank van 23 maart 2000 vernietigd en het inleidende verzoek van de man afgewezen.

1.8 De man heeft tegen de beschikking van het hof tijdig(2) beroep in cassatie ingesteld. In het verzoekschrift tot cassatie wordt een middel voorgesteld. De vrouw heeft een verweerschrift in cassatie ingediend.

2. Bespreking van het middel

2.1 Het middel bevat vier onderdelen.

2.2 Het eerste onderdeel is gericht tegen de volgende rechtsoverweging:

"Naar het oordeel van het hof kunnen de door de man opgevoerde kosten ter ondersteuning van der partijen zoon [...], die ten tijde van de echtscheidingsprocedure al ouder was dan 21 jaar, niet als wijzigingsgrond worden aangemerkt. Met deze kosten wordt geen rekening gehouden, omdat de man niet verplicht was deze kosten te maken."

2.3 Volgens het onderdeel heeft het hof (1) met deze overweging een onjuist criterium aangelegd voor de wijzigingsgrond. Voor zover de overweging geen blijk geeft van een onjuiste maatstaf, is het hof (2) tekort geschoten in zijn motivering van het oordeel. De opmerking dat de zoon [...] ten tijde van de echtscheiding 21 jaar was, geeft (3) in dit verband onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het hof. Bovendien (4) geeft het hof met deze opmerking eveneens blijk van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof meent, dat de kosten ten tijde van de echtscheiding geregeld hadden moeten worden, althans voorzienbaar waren. Ten slotte (5) betoogt het onderdeel dat voor zover het hof niet van een onjuist criterium is uitgegaan, de uitspraak althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

2.4 Het gaat in deze zaak om een verzoek tot wijziging van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud als bedoeld in art. 1: 401 BW. Een dergelijke wijziging kan plaatsvinden indien de rechterlijke uitspraak nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1) dan wel indien de rechterlijke uitspraak van den aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat van onjuiste gegevens is uitgegaan (lid 4). Niet van belang is of het aan de alimentatieplichtige heeft gelegen dat de rechter is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens(3).

2.5 Wat betreft de verplichting van ouders in het levensonderhoud van hun kinderen te voorzien, geldt dat het niet de bedoeling is van art. 1:392 BW ouders te verplichten hun meerderjarige kinderen die in staat zijn door arbeid in eigen levensonderhoud te voorzien, door het verstrekken van een uitkering in staat te stellen tot het volgen of voltooien van een opleiding(4).

Daaruit vloeit echter niet voort dat als een ouder zich redelijkerwijze gehouden kan achten te blijven voorzien in de kosten van levensonderhoud van een meerderjarig (studerend) kind, met die bijdrage geen rekening behoeft te worden gehouden als factor welke op de draagkracht van de onderhoudsplichtige van invloed kan zijn(5).

2.6 Het oordeel van het hof dat indien een ouder onverplicht kosten maakt ter ondersteuning van een kind ouder dan 21 jaar, dit geen invloed kan hebben op de draagkracht van die ouder, althans op de vast te stellen alimentatie, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.7 Voor zover het hof aan de door de man gemaakte kosten op grond van bijzondere omstandigheden in dit geval geen gewicht wilde toekennen, heeft het hof zijn beslissing niet volgens de eisen der wet met redenen omkleed en onvoldoende inzicht gegeven in de gevolgde gedachtegang.

Voor zover de tussenzin van rechtsoverweging 2 "die ten tijde van de echtscheidingsprocedure al ouder was dan 21 jaar" doelt op de voorzienbaarheid van de kosten, geeft het hof evenzeer blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Art. 1: 401 BW heeft niet enkel het oog op onvoorziene wijzigingen van omstandigheden. Het feit dat een omstandigheid voorzienbaar is, sluit daarom niet uit dat een partij die omstandigheid aan haar verzoek tot wijziging ten grondslag legt(6). Ook betekent het feit dat een bepaalde wijziging van omstandigheden voorzienbaar is niet dat daarmee ook ten tijde van de oorspronkelijke rechterlijke uitspraak rekening is gehouden. Het gaat erom of die omstandigheid geacht moet worden aan de vaststelling van de alimentatie ten grondslag te hebben gelegen(7).

2.9 Voor zover het hof niet doelt op de voorzienbaarheid geeft het hof zonder nadere motivering onvoldoende inzicht in de door hem gevolgde gedachtegang.

2.10 Het eerste onderdeel treft derhalve doel.

2.11 Het tweede onderdeel bevat twee klachten en richt zich tegen de volgende rechtsoverweging:

"Hetgeen de man heeft aangevoerd ten aanzien van gelden die de vrouw over de periode van oktober 1995 tot en met 1996, naar zijn zeggen ten onrechte, van de gezamenlijke rekening van de partijen heeft opgenomen vormt geen grond om de alimentatie te wijzigen, nu dit geen invloed heeft op de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw. Immers, hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hiervoor schulden heeft moeten aangaan, dan wel dat hij het bedrag van tenminste ongeveer ƒ 120.000,- dat hij uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning heeft ontvangen hiervoor niet heeft kunnen gebruiken. Dit geldt evenzeer voor de door hem opgevoerde kosten van juridische bijstand gemaakt in verband met de echtscheidingsprocedure en eventueel door hem gemaakte herinrichtingskosten."

2.12 De eerste klacht betoogt dat deze overweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting betoogt de tweede klacht dat het onbegrijpelijk is - althans zonder nadere motivering - dat het hof zulks heeft overwogen.

2.13 Het hof heeft de stellingen van de man betreffende de geldopnames van de vrouw alsmede de door hem opgevoerde kosten van juridische bijstand en de herinrichtingskosten beoordeeld in het kader van het vaststellen van de draagkracht van de man. Voor op staat dat de rechter bij het vaststellen van de draagkracht van de alimentatieplichtige in hoge mate vrij is. Het is vaste rechtspraak dat de rechter rekening mag houden met alles wat de almentatieplichtige rechtens en feitelijk ter beschikking staat en ook wat deze redelijkerwijs in de naaste toekomst kan verwerven(8). Daarbij wordt de draagkracht niet alleen door het inkomen van de onderhoudsplichtige bepaald, maar ook door zijn vermogen(9).

Onder omstandigheden kan interen op vermogen als redelijk worden aangemerkt(10).

Het hof heeft in zijn oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij schulden heeft gemaakt dan wel voor genoemde posten de opbrengst van de verkoop van de voormalig echtelijke woning niet heeft kunnen gebruiken, tot uitdrukking gebracht dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van lastenverzwaring en dat niet aannemelijk is gemaakt dat niet op het vermogen kan worden ingeteerd. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof is bovendien voldoende gemotiveerd. Aan een dergelijke beslissing die uitsluitend de vaststelling en weging van de door de man met het oog op zijn draagkracht aangevoerde omstandigheden betreft, mogen volgens vaste jurisprudentie geen hoge motiveringseisen worden gesteld(11).

2.15 Het tweede onderdeel faalt derhalve.

2.16 De onderdelen 3 en 4 handelen over de behoefte van de vrouw.

Het derde onderdeel betoogt dat bij de beoordeling van de vraag of de omstandigheden van partijen zich sinds de beschikking van 17 januari 1996 wezenlijk hebben gewijzigd geen aandacht is besteed aan het feit dat de vrouw sedert de beschikking van de rechtbank van 17 januari 1996 aanmerkelijk meer is gaan verdienen en dat het hof zijn oordeel op dit punt in ieder geval nader had behoren te motiveren.

2.17 Het inkomen van de vrouw bedroeg in 1995 blijkens de beschikking van de rechtbank van 17 januari 1996 een bedrag van ƒ 325,- netto per maand. De rechtbank heeft in haar beschikking van 23 maart 2000 het eigen bruto jaarinkomen van de vrouw in 1996 vastgesteld op ƒ 8.167,- , in 1997 op ƒ 16.292,- en in 1998 op ƒ 19.088,- en (mede) op basis van deze bedragen de alimentatie tot een lager bedrag vastgesteld.

2.18 In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de man deze door de rechtbank vastgestelde jaarinkomens onder de aandacht van het hof gebracht.

Het hof heeft vervolgens in zijn thans bestreden beschikking geconcludeerd:

"(...) dat de rechtbank bij haar beschikking van 17 januari 1996 niet van onjuiste gegevens is uitgegaan, noch dat de financiële gegevens van de partijen nadien zodanig zijn gewijzigd dat de hoogte van de alimentatieverplichting aan de wettelijke maatstaven van draagkracht en behoefte getoetst dient te worden."

Dit oordeel is in het licht van het bovenstaande zonder nadere motivering welke ontbreekt, onbegrijpelijk. Onderdeel 3 slaagt derhalve eveneens.

2.19 Volgens de eerste klacht van het vierde onderdeel had het hof de vraag moeten beantwoorden of de vrouw haar werkzaamheden zodanig zou kunnen uitbreiden dat zij minder behoefte zou hebben aan alimentatie van de man. De tweede klacht betoogt dat het hof ook op dit punt zijn oordeel nader had moeten motiveren.

2.20 Het hof heeft dienaangaande als volgt overwogen:

"Met de vrouw is het hof van oordeel dat, gelet op haar leeftijd van 52 jaar, haar arbeidsverleden, de rolverdeling tijdens en de duur van het huwelijk en haar opleiding niet aannemelijk is dat de vrouw haar werkzaamheden zodanig zal kunnen uitbreiden dat zij geen behoefte meer heeft aan de alimentatie van de man."

2.21 Het hof heeft in voormeld oordeel de vraag onder ogen gezien of de vrouw door uitbreiding van haar werkzaamheden minder behoefte zou hebben aan een bijdrage in het levensonderhoud, terwijl het hof de beantwoording van deze vraag bovendien voldoende heeft gemotiveerd.

Onderdeel 4 faalt derhalve.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

(1) Zie het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 november 2000.

(2) Het verzoekschrift tot cassatie is ter griffie binnengekomen op 12 januari 2001.

(3) HR 7 oktober 1994, NJ 1995, 60.

(4) HR 9 september 1983, NJ 1984, 535 m.nt. EAAL.

(5) HR 27 juni 1980, NJ 1981, 113 m.nt. EAAL, en de verwijzingen naar jurisprudentie en literatuur in de conclusie van A-G Van Soest., p. 351; HR 29 juni 1984, NJ 1985, 14.

(6) HR 6 september 1985, NJ 1986, 669; HR 15 november 1996, NJ 1997, 450.

(7) HR 1 juli 1994, NJ 1994, 597; HR 12 september 1997, NJ 1997, 733.

(8) Asser-De Boer, 1998, nr. 625.

(9) HR 25 mei 1962, NJ 1962, 266; HR 12 november 1993, NJ 1994, 141.

(10) Zie noot 8 en de daar vermelde jurisprudentie en literatuur.

(11) Zie o.m.: HR 23 september 1983, NJ 1984, 90; HR 5 oktober 1984, NJ 1985, 87; HR 15 juli 1985, NJ 1986, 398; HR 24 november 1996, NJ 1996, 260; HR 23 januari 1998, NJ 1998, 365 en HR 4 september 1998, NJ 1998, 827; Zie voorts: Asser-De Boer, 1998, blz. 435-436.