Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB2772

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2001
Datum publicatie
26-10-2001
Zaaknummer
C99/337HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB2772
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 569
NJ 2001, 665
RvdW 2001, 167
JWB 2001/267

Conclusie

Rolnummer C99/337

mr. C.L. de Vries Lentsch-Kostense

Zitting 22 juni 2001

Conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

Inleiding

1. Partijen, verder: de man en de vrouw, zijn gewezen echtgenoten. Zij zijn op 22 juni 1989 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd; het huwelijk is op 6 september 1994 ontbonden door inschrijving van de beschikking van de Rechtbank Roermond d.d. 21 juli 1994 waarbij de echtscheiding werd uitgesproken. In dit geding vordert de vrouw verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. In cassatie gaat het nog uitsluitend om de vordering van de vrouw tot verrekening van het door de man vanaf 1 december 1965 tot aan de datum van de ontbinding van het huwelijk opgebouwde (ouderdoms)pensioen.

2. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de pensioenrechten van de man tussen partijen moeten worden verrekend op de wijze zoals aangegeven in het arrest van Uw Raad van 27 november 1981, NJ 1982, 503, m.nt. EAAL (verder ook: het Boon/Van Loon-arrest). Zij heeft in dat verband gevorderd dat de man wordt veroordeeld aan haar te voldoen een bedrag van f 8.101,-, vermeerderd met de wettelijke rente; daarbij heeft zij verwezen naar een door haar in het geding gebrachte opgave van de Stichting Co-op Pensioenfonds d.d. 13 december 1994, volgens welke opgave de contante waarde van het door de man tot 6 september 1992 opgebouwde ouderdomspensioen f 26.429,- bedraagt en de contante waarde van het tot aan die datum opgebouwde weduwenpensioen f 10.227,-.

3. De man heeft verweer gevoerd, zich daarbij beroepend op "verknochtheid" en op de eisen van redelijkheid en billijkheid. Zo heeft hij betoogd dat zijn pensioenaanspraken zozeer aan hem zijn verknocht dat zij niet in de gemeenschap vallen omdat de vrouw - aldus de man - uitsluitend met hem in het huwelijk is getreden om de Nederlandse nationaliteit te verwerven zodat in zoverre van een "schijnhuwelijk" sprake is. Voorts heeft hij betwist dat de pensioenrechten een "band" hebben met de vrouw. In dat verband heeft hij zonder nadere toelichting aangevoerd dat het onderhavige pensioen niet uit maatschappelijk oogpunt is bestemd te voorzien in de behoeften van beide echtgenoten en voorts dat het niet is aan te merken als het resultaat van de gezamenlijke inspanning van beide partijen nu slechts sprake is geweest van een relatief kort huwelijk. Hij heeft verder nog aangevoerd dat de vrouw zelf ook pensioenrechten heeft opgebouwd. Met een beroep op de eisen van de redelijkheid en billijkheid heeft hij betoogd dat het in ieder geval buitengewoon onbillijk zou zijn ingeval de vrouw een bedrag van f 8.101,- wegens pensioenverevening zou ontvangen nu partijen in casu slechts gedurende vijf jaren gehuwd zijn geweest, de vrouw slechts in het huwelijk is getreden om (na vijf jaar) de Nederlandse nationaliteit te verwerven en het onderhavige pensioen voor een groot deel is opgebouwd in de periode voorafgaand aan het huwelijk. Voorts heeft de man onder verwijzing naar het Boon/Van Loon-arrest betoogd dat mocht de vrouw recht hebben op enige verrekening, van contante afrekening geen sprake kan zijn doch hooguit van toedeling van een voorwaardelijk recht op basis van een contante waarde van f 8.101,-, zodat ook op die grond de vordering van de vrouw voor afwijzing gereed ligt.

4. De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 14 november 1996 vooropgesteld dat de vraag of de litigieuze pensioenrechten in de huwelijksgoederengemeenschap vallen en in de verdeling van de gemeenschap moeten worden betrokken, moet worden beantwoord aan de hand van de regels geformuleerd in het door beide partijen aangehaalde Boon/Van Loon-arrest aangezien partijen van echt zijn gescheiden vóór de inwerkingtreding op 1 mei 1995 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet van 28 april 1994, Stb. 342) doch na genoemd arrest. Zij verwierp 's mans verweer dat sprake is van een zodanige verknochtheid van de pensioenaanspraken aan de man dat deze niet in de gemeenschap vallen nu in feite slechts van een schijnhuwelijk sprake zou zijn; zij overwoog daartoe dat dit verweer niet zozeer betrekking heeft op de vraag of sprake is van verknochtheid, doch eerder op de vraag of het wel redelijk is dat (volledige) verrekening plaatsvindt. Zij oordeelde voorts dat de man zijn betoog dat de pensioenrechten geen band hebben met de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd, dat hij hiertoe slechts heeft gesteld dat de vrouw ook zelf pensioenrechten heeft opgebouwd, doch dat de vrouw onder overlegging van bescheiden onweersproken heeft gesteld dat deze pensioenaanspraken te verwaarlozen zijn. De Rechtbank kwam aldus tot de slotsom dat de pensioenrechten in de gemeenschap vallen en dat in beginsel verrekening dient plaats te vinden waarbij aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid moet worden vastgesteld op welke wijze en tot welke bedragen die verrekening dient te geschieden. Zij stelde in dat verband voorop dat Uw Raad in meergenoemd arrest uitdrukkelijk ervoor heeft gekozen ook de vóór het huwelijk opgebouwde pensioenrechten te verrekenen. Zij overwoog dat het enkele feit dat partijen slechts vijf jaar gehuwd zijn geweest dan ook niet tot matiging kan leiden. Zij oordeelde evenwel voorshands dat matiging van de vordering in de rede ligt ingeval de vrouw, zoals de man stelt en de vrouw uitdrukkelijk betwist, uitsluitend met de man is gehuwd om de Nederlandse nationaliteit te verwerven. De Rechtbank heeft de man vervolgens toegelaten tot bewijs van zijn stelling.

Bij eindvonnis van 23 oktober 1997 heeft de Rechtbank geoordeeld dat de man niet in het hem opgedragen bewijs is geslaagd en dat niet gezegd kan worden dat "enkel van een schijnhuwelijk sprake was". Zij heeft geconcludeerd dat de man derhalve in het kader van de verdeling van de gemeenschap moet worden veroordeeld tot betaling van de door de vrouw ter zake van de verrekening van het ouderdomspensioen gevorderde som van f 8.101,-.

5. De man heeft in zijn appèldagvaarding hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de Rechtbank. In zijn memorie van grieven heeft hij drie grieven aangevoerd. Grief I (waarin kennelijk enkele woorden zijn weggevallen) klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de man in de periode 1 december 1965 tot 6 september 1994 opgebouwde pensioenrechten voor verrekening in aanmerking komen en "de stellingen [van de man], dat o.g.v. verknochtheid als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW c.q. o.g.v. de redelijkheid en de billijkheid, door de Hoge Raad voorgeschreven in het Boon Van Loon-arrest d.d. 27 november 1981, NJ 1982, 503 verworpen". In dit verband heeft de man in de eerste plaats verwezen naar zijn in eerste aanleg aangevoerde argumenten en producties. Vervolgens heeft hij een "verdere toelichting" gegeven die uitmondt in de conclusie dat het gezien alle genoemde omstandigheden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid de vrouw een verrekeningsbedrag toe te kennen. Met de tweede grief komt de man op tegen het oordeel van de Rechtbank dat hij niet is geslaagd in het bewijs dat de vrouw uitsluitend met hem in het huwelijk is getreden om aldus de Nederlandse nationaliteit te verwerven. In de derde grief wordt geklaagd dat de Rechtbank ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de bij akte in het geding gebrachte brief van het Co-op Pensioenfonds d.d. 1 augustus 1997 waarin de contante waarde wordt berekend van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen.

6. Nadat het Hof eerst de tweede, tegen de bewijswaardering gerichte grief had verworpen, heeft het Hof de eerste grief besproken die zich - aldus het Hof - richt tegen het oordeel van de Rechtbank dat het opgebouwde pensioen over de periode 1 december 1965 tot 4 september 1994 voor verrekening in aanmerking komt. Na de constatering dat de man verwijst naar de in eerste aanleg aangevoerde argumenten en voorts een aantal met name genoemde argumenten aanvoert, verwierp het Hof deze grief met de volgende overweging:

"4.4. De omstandigheden die [de man] aanvoert, kunnen naar het oordeel van het hof, uitgaande van het feit dat het huwelijk niet (alleen) als een schijnhuwelijk is aan te merken, niet leiden tot het oordeel dat er voldoende redenen zijn om de opgebouwde pensioenen niet te verrekenen dan wel de vordering te matigen.

Daarbij dient als uitgangspunt te gelden de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria (HR 27 november 1981, Boon/Van Loon) waarbij geldt dat verrekening van de opgebouwde pensioenen in beginsel voor de helft dient plaats te vinden, tenzij bepaalde omstandigheden zich daartegen verzetten.

De aangegeven omstandigheden, zoals het grievend gedrag tijdens het huwelijk -indien al bewezen-, de financiële bijdrage van de man en de zorg aan de dochter van [de vrouw] besteed, billijken niet dat de verrekeningsvordering wordt afgewezen of gematigd.

De relatief korte duur van het huwelijk is evenmin reden de pensioenen voorzover deze voor het huwelijk reeds waren opgebouwd geheel of gedeeltelijk buiten de verrekening te houden. Voor zover [de man] zijn in eerste aanleg aangevoerde argumenten ten aanzien van de verknochtheid en redelijkheid en billijkheid heeft herhaald, kan het hof daarop niet ingaan nu daaromtrent bij tussenvonnis van de rechtbank van 14 november 1996 is beslist terwijl tegen dat tussenvonnis geen hoger beroep is ingesteld.

Door [de man] is onvoldoende onderbouwd dat hij niet tot enige uitkering in staat is zodat ook dit verweer niet kan slagen.

Grief I dient derhalve te worden verworpen."

Het Hof heeft de derde grief verworpen met de overweging dat de Rechtbank de brief van het Co-op Pensioenfonds d.d. 1 augustus 1997 buiten beschouwing kon laten nu de pensioenopbouw over de voorhuwelijkse jaren ook voor verrekening in aanmerking komt en bedoelde brief uitgaat van de pensioenopbouw tijdens het huwelijk.

7. De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De vrouw is in cassatie niet verschenen.

De cassatiemiddelen

8. Middel I komt op tegen 's Hofs oordeel dat voorzover de man zijn in eerste aanleg aangevoerde argumenten inzake de "verknochtheid" en de "redelijkheid en billijkheid" heeft herhaald, het Hof daarop niet kan ingaan nu daaromtrent bij tussenvonnis is beslist en tegen dat tussenvonnis door de man geen hoger beroep is ingesteld. Betoogd wordt dat de grieven van de man geen andere uitleg toelaten dan dat mede wordt opgekomen tegen de in het tussenvonnis van de Rechtbank besloten liggende oordelen ten aanzien van de verknochtheid van de pensioenrechten en de redelijkheid en billijkheid en dat daaraan niet afdoet het enkele feit dat het tussenvonnis in de appèldagvaarding en in de memorie van grieven niet met zoveel woorden is genoemd.

Middel II komt op tegen 's Hofs oordeel dat de relatief korte duur van het huwelijk niet een reden is om de voor het huwelijk reeds opgebouwde pensioenen geheel of gedeeltelijk buiten de verrekening te houden.

Middel III klaagt dat het Hof - mede gezien de inhoud en de toelichting op grief I - heeft miskend dat verrekening ter zake van het ouderdomspensioen gezien de eisen van de redelijkheid en billijkheid in de regel slechts kan plaatsvinden door aan de pensioengerechtigde echtgenoot een voorwaardelijke uitkering op te leggen als bedoeld in het arrest Boon/Van Loon.

9. Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat Rechtbank en Hof terecht ervan zijn uitgegaan dat in dit geding inzake de pensioenverrekening tussen echtgenoten die in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd, richtinggevend is het Boon/Van Loon-arrest nu partijen zijn gescheiden nadat Uw Raad dat arrest had gewezen, doch voordat de Wet verevening pensioenrechten in werking trad. In dat arrest overwoog Uw Raad dat pensioenrechten als de onderhavige (dat wil zeggen voorwaardelijke vorderingsrechten die als zodanig op het tijdstip van de ontbinding reeds bestaan) in het algemeen voor het gedeelte dat op het tijdstip van de ontbinding van de gemeenschap reeds was opgebouwd, bij de verdeling van de gemeenschap door middel van verrekening in aanmerking moeten worden genomen en dat de verknochtheid aan de persoon van de rechthebbende zich daartegen in het algemeen niet verzet omdat in de regel niet alleen verknochtheid bestaat met de persoon van de rechthebbende, doch tevens een niet te verwaarlozen band met de persoon van de andere echtgenoot. Die band met de andere echtgenoot bestaat, aldus Uw Raad, omdat een ouderdomspensioen, zo de rechthebbende is gehuwd, uit maatschappelijk oogpunt bestemd is te voorzien in de behoefte van beide echtgenoten en voorts omdat de opbouw van een zodanig pensioen in beginsel moet worden gezien als het resultaat van de gemeenschappelijke inspanning van beide echtgenoten voortvloeiend uit de zorg die zij krachtens art. 1:81 BW aan elkaar verschuldigd zijn in verband met de gehele of gedeeltelijke financiering daarvan uit de gemeenschap en de bij velen bestaande taakverdeling binnen het huwelijk. Uw Raad overwoog voorts dat aan de hand van de eisen van de redelijkheid en billijkheid moet worden vastgesteld op welke wijze en tot welke bedragen een verrekening moet plaatsvinden en dat afhankelijk van de beschikbare baten en van de waarde die voor verrekening in aanmerking komt, deze eisen vaak zullen meebrengen dat de verrekening slechts kan plaatsvinden door aan de pensioengerechtigde echtgenoot een voorwaardelijke uitkering op te leggen die aan het leven van beide echtgenoten gebonden is, opeisbaar is naarmate de pensioentermijnen opeisbaar worden en kan worden uitgedrukt in een percentage daarvan.

10. In haar eindvonnis is de Rechtbank tot de conclusie gekomen dat de man niet was geslaagd in het hem bij tussenvonnis opgedragen bewijs en dat de man derhalve - of, anders gezegd: gezien de in het tussenvonnis reeds neergelegde beslissingen betreffende de "verknochtheid" en de "redelijkheid en billijkheid" - moest worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van f 8.101,- dat de vrouw had gevorderd ter zake van de verrekening van het ouderdomspensioen. Nu de eerste (hiervoor onder 5 ten dele geciteerde) grief strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de man opgebouwde pensioenrechten voor verrekening in aanmerking komen en dat de Rechtbank daarbij ten onrechte heeft verworpen 's mans stellingen ter zake van de "bijzondere verknochtheid" en de "redelijkheid en billijkheid" (ik meen althans dat deze grief aldus moet worden gelezen), moet worden geconstateerd dat de eerste grief zich in feite met name richt tegen de in het tussenvonnis vervatte beslissingen.

In de appèldagvaarding wordt uitsluitend appèl ingesteld tegen het eindvonnis en ook in de memorie van grieven wordt in de aanhef (uitsluitend) vermeld dat appellant zich niet kan verenigen met het eindvonnis. Volgens vaste jurisprudentie heeft de appellant die in zijn appèldagvaarding enkel vernietiging van het eindvonnis vordert en niet tevens van het aan het beroepen vonnis voorafgaande tussenvonnis, in het algemeen de vrijheid om niettemin bij de nadere omlijning van zijn hoger beroep in zijn memorie van grieven ook grieven te richten tegen beslissingen in het tussenvonnis, indien deze nog niet in een eerder appèl door hem zijn bestreden en voorzover zij niet tevens een eindvonnis zijn; zie Uw arrest van 22 oktober 1993, NJ 1994, 509, m.nt. HJS.

Het Hof heeft zich in zoverre aan deze jurisprudentie geconformeerd dat het de expliciet in de nadere toelichting bij de eerste grief aangevoerde argumenten inzake de redelijkheid en billijkheid heeft behandeld. Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat niet kan worden ingegaan op de bezwaren van de man inzake de verknochtheid en de redelijkheid en billijkheid voorzover de man "zijn in eerste aanleg aangevoerde argumenten ten aanzien van de verknochtheid en de redelijkheid en billijkheid heeft herhaald". Uit 's Hofs overwegingen (met name uit het feit dat het Hof wél heeft behandeld de expliciet in de nadere toelichting aangevoerde argumenten die ten dele ook een herhaling inhouden van de in eerste aanleg aangevoerde argumenten) blijkt dat het Hof heeft bedoeld te zeggen dat niet kan worden ingegaan op de door de man aangevoerde argumenten inzake de verknochtheid en de redelijkheid en billijkheid voorzover de man heeft volstaan met een verwijzing naar zijn in eerste aanleg aangevoerde argumenten. Het Hof heeft dat oordeel niet gemotiveerd met de overweging dat de man met deze verwijzing naar zijn stellingen in eerste aanleg de gronden van zijn vordering in appèl onvoldoende heeft omschreven (vergelijk Uw arrest van 28 maart 1997, NJ 1997, 452), doch met de overweging dat daaromtrent bij tussenvonnis is beslist en tegen dat tussenvonnis geen hoger beroep is ingesteld. Uit het hiervoor betoogde volgt dat dit oordeel inderdaad blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting; in zoverre is middel I gegrond. Dit middel laat evenwel na aan te geven welke essentiële stellingen door het Hof niet zijn besproken;daarom kan het naar mijn oordeel - gezien art. 407 lid 2 Rv. - niet tot cassatie leiden. In middel III wordt wel een in eerste aanleg aangevoerde stelling genoemd die aldus niet door het Hof is behandeld. Ik bespreek dan ook nu eerst dat middel.

11. Middel III klaagt dat het Hof - mede gezien de inhoud en de toelichting op grief I - ten onrechte het eindvonnis van de Rechtbank heeft bekrachtigd voorzover de man daarbij is veroordeeld ter zake van de verrekening een bedrag van f 8.101,- aan de vrouw te voldoen; onder verwijzing naar het Boon/Van Loon-arrest wordt betoogd dat het Hof heeft miskend dat verrekening ter zake van het ouderdomspensioen gezien de eisen van de redelijkheid en billijkheid in de regel slechts kan plaatsvinden door aan de pensioengerechtigde echtgenoot een voorwaardelijke uitkering op te leggen die aan het leven van beide echtgenoten gebonden is, die opeisbaar wordt naarmate de pensioenrechten opeisbaar worden en die kan worden uitgedrukt in een percentage daarvan.

Zoals hiervoor gezegd, heeft het Hof bij de behandeling van de eerste grief op onjuiste, door middel I terecht bestreden, gronden de in eerste aanleg door de man aangevoerde stellingen buiten beschouwing gelaten voorzover hij in appèl had volstaan met een verwijzing naar die stellingen. Tot die in eerste aanleg aangevoerde stellingen behoort - zoals het middel onder verwijzing naar de desbetreffende passage terecht betoogt - de stelling dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van contante afrekening geen sprake kan zijn doch hooguit van toedeling van een voorwaardelijk recht op basis van een contante waarde van f 8.101,- en dat derhalve de vordering van de vrouw voor afwijzing gereed ligt. Met zijn eerste grief is de man opgekomen tegen het oordeel van de Rechtbank dat de pensioenrechten voor verrekening in aanmerking komen en dat de stellingen van de man inzake de redelijkheid en billijkheid moeten worden verworpen. Het Hof had dan ook niet mogen voorbijgaan, althans niet op de door hem aangevoerde gronden, aan de stelling van de man dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de verrekening diende plaats te vinden door de man een voorwaardelijke uitkering op te leggen die aan het leven van beide echtgenoten gebonden is, opeisbaar is naarmate de pensioentermijnen opeisbaar worden en kan worden uitgedrukt in een percentage daarvan. Het middel klaagt daarover terecht. 's Hofs arrest kan dan ook niet in stand blijven en verwijzing zal moeten volgen.

12. Middel II komt - zoals gezegd - op tegen 's Hofs overweging dat de relatief korte duur van het huwelijk niet een reden is om de vóór het huwelijk reeds opgebouwde pensioenen geheel of gedeeltelijk buiten de verrekening te houden. In dat verband wordt betoogd dat het in casu gaat om een bijzonder geval omdat de voorhuwelijkse pensioenrechten zijn opgebouwd in een periode van maar liefst bijna vierentwintig jaar en het huwelijk slechts vijf jaar heeft geduurd; voorts wordt erop gewezen dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding het pensioenvereveningsrecht doelbewust heeft gerelateerd aan het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen, terwijl ook overigens pensioenopbouw gelet op de bij velen bestaande taakverdeling binnen het huwelijk in beginsel moet worden beschouwd als het resultaat van de gemeenschappelijke inspanning van beide echtgenoten en in casu voor een zeer groot deel van de totale pensioenopbouw geldt dat van een gemeenschappe-lijke inspanning geen sprake is geweest.

Dit middel ziet eraan voorbij dat in een geval als het onderhavige waarin partijen van echt zijn gescheiden voordat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding in werking trad en nadat Uw Raad het Boon/Van Loon-arrest wees, verrekening van pensioenrechten plaatsvindt niet zoals bij de Wet verevening pensioenrechten onverschillig voor welk huwelijksgoederenregime partijen hebben geopteerd, doch uitsluitend in het kader van de verdeling van een tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen en derhalve ook uitsluitend voorzover partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. De kwestie van de pensioenverrekening is daarmee in een geval als het onderhavige "gereduceerd" tot de vraag of het bewuste pensioen in de gemeenschap valt, dan wel wegens bijzondere verknochtheid met de persoon van de rechthebbende buiten de gemeenschap blijft en tot de vraag op welke wijze het pensioen, zo het in de gemeenschap valt, in de verdeling moet worden betrokken. Met zijn klacht dat het Hof in verband met de relatief korte duur van het huwelijk de vóór het huwelijk reeds opgebouwde pensioenen geheel of gedeeltelijk buiten de verdeling van de gemeenschap had moeten houden, neemt dit middel kennelijk - in lijn met het Boon/Van Loon-arrest - tot uitgangspunt dat het pensioen niet wegens bijzondere verknochtheid buiten de gemeenschap valt. Het strookt niet met het rechtskarakter van de gemeenschap van goederen om bij de verrekening uitsluitend dat deel van het pensioen in aanmerking te nemen dat staande het huwelijk is opgebouwd. De gemeenschap omvat immers alle tegenwoordige en toekomstige goederen der echtgenoten (voorzover niet sprake is van bijzondere verknochtheid of van een uitsluitingsclausule als bedoeld in art. 1:94 lid 1 BW), zodat de vóór het huwelijk opgebouwde pensioenrechten zonder meer in de gemeenschap vallen en voor verdeling in aanmerking komen tenzij van verrekening in het geheel geen sprake kan zijn, ook niet van het staande huwelijk opgebouwde pensioen, omdat een bijzondere verknochtheid van het pensioen aan de gerechtigde zich daartegen verzet. Derhalve is het Hof terecht ervan uitgegaan dat de korte duur van het huwelijk op zichzelf niet een reden is de voor het huwelijk reeds opgebouwde pensioenen geheel of gedeeltelijk buiten de verrekening te houden. Van een onjuiste rechtsopvatting is geen sprake; nadere motivering behoefde dit oordeel niet.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden