Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB2738

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2001
Datum publicatie
15-10-2001
Zaaknummer
C99/344HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB2738
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 538
JWB 2001/251

Conclusie

Rolnr. C99/344

Zitting 1 juni 2001

Conclusie mr J. Spier

inzake

[Eiser 1]

[Eiser 2]

[Eiser 3]

De stichting Stichting Onafhankelijke Hulpverlening

(hierna: [eisers])

tegen

De vereniging Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde

(hierna: NMT)

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten

1.1 Het Hof heeft in rov. 4.6 van het bestreden arrest de navolgende feiten vastgesteld, waarvan ook in cassatie kan worden uitgegaan.

1.2 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (hierna: Cotg) heeft voor het tijdvak van 1 april 1990 tot en met 1995 telkens tarieven voor tandheelkundige hulp (ten behoeve van ziekenfondsverzekerden) goedgekeurd. In deze tarieven is naast het honorarium voor de tandarts een aantal doelbijdragen opgenomen; één van deze doelbijdragen is een bijdrage - ter grootte van 0,95% van de tarieven - in de contributie van NMT. De goedkeuring geschiedde telkens bij tariefbeschikking krachtens artikel 2 lid 2 Wet tarieven gezondheidszorg (Wtg).(1)

1.3 Voormelde tarieven golden ook voor tandheelkundige hulp verleend door niet-leden van NMT. [eisers] oefenden in het in deze zaak relevante tijdvak als tandarts in Nederland hun praktijk uit zonder lid te zijn van NMT.

1.4 [Eisers] zijn niet tegen de (onder 1.2 bedoelde) beschikkingen van Cotg opgekomen bij de bestuursrechter; op de voet van art. 35 (35 lid 1 oud) Wtg stond een bestuursrechtelijke rechtsgang voor hen open mits zij door de beslissing van het Cotg rechtstreeks in hun belang waren getroffen.

1.5 NMT heeft als enige representatieve organisatie van tandartsen in overleg met de (representatieve organisatie van) ziekenfondsen met betrekking tot het tijdvak van 1990 tot en met 1995 telkens "Uitkomsten van overleg" (Uvo's) als bedoeld in art. 46 lid 2 Ziekenfondswet bereikt. Deze Uvo's hielden mede in dat de (onder 1.2 bedoelde) bijdrage in de contributie van NMT niet aan de tandarts die de tandheelkundige hulp had verleend, maar rechtstreeks aan NMT diende te worden betaald.

1.6 Genoemde Uvo's, die op de voet van art. 46 lid 2 Ziekenfondswet aan de goedkeuring van de Ziekenfondsraad worden "onderworpen", zijn alle ook inderdaad door die raad goedgekeurd.

1.7 [Eisers] zijn niet tegen de (onder 1.6 bedoelde) goedkeuringsbesluiten van de Ziekenfondsraad opgekomen bij de bestuursrechter. Het Hof heeft in het midden gelaten of zo'n rechtsgang openstond.

1.8 De rechtmatigheid van de Uvo's is onomstreden.

1.9 Tandartsen - onder wie [eisers] - die in het in deze zaak relevante tijdvak een medewerkersovereenkomst met een ziekenfonds aangingen, onderschreven daarbij steeds een (mo-del)overeenkomst tussen ziekenfonds en tandarts, die (conform art. 44 lid 4 Ziekenfondswet) overeenstemde met de door de Ziekenfondsraad goedgekeurde Uvo's.

1.10 Een modelovereenkomst als bedoeld in art. 44a en artikel 44 lid 4 Ziekenfondswet (vast te stellen door de Ziekenfondsraad en goed te keuren door de Minister van VWS) ten behoeve van medewerkersovereenkomsten tussen tandartsen en ziekenfondsen is in het relevante tijdvak niet tot stand gekomen.

1.11 Ingevolge de (onder 1.9 bedoelde) medewerkersovereenkomsten betaalden de ziekenfondsen in het relevante tijdvak in-derdaad de bijdrage in de contributie van NMT niet aan de tandarts maar rechtstreeks aan NMT. Het gaat daarbij om een bedrag in de orde van ( 1.600 per lid van NMT per jaar.

2. Procesverloop

2.1 Bij dagvaarding van 18 augustus 1995 hebben [eisers] gevorderd dat de Rechtbank voor recht verklaart dat NMT jegens niet-leden onrechtmatig heeft gehandeld door zonder instemming van de niet-leden een Uvo tot stand te brengen die een regeling van afdrachten van honoraria ten gunste van NMT bevat. Voorts vorderden [eisers] een verklaring voor recht dat NMT onrechtmatig handelt waar zij inbreuk maakt op vermogensrechten van niet-leden door de afdrachten te aanvaarden.

2.2. [Eisers] hebben bovendien vergoeding gevorderd van de schade die zij hebben geleden en lijden als gevolg het onrechtmatig handelen van NMT, zulks op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

2.3 [Eisers] hebben voorop gesteld dat geen wettelijk voorschrift bepaalt dat een tandarts, die in Nederland zijn praktijk uitoefent, lid dient te zijn van de voor zijn beroepsgroep aangewezen representatieve organisatie in de zin van de Wet tarieven gezondheidszorg (Wtg) of de Ziekenfondswet (Zfw).

2.4 [Eisers] hebben vervolgens uiteengezet dat de tarieven die door tandartsen in rekening worden gebracht onderworpen zijn aan het regime van de Wtg. De NMT is uit hoofde van art. 3 van de Wtg aangewezen als representatieve organisatie van tandartsen in de zin van die wet. Hieraan is verbonden dat NMT als enige organisatie namens de tandartsen bevoegd is te overleggen met ziekenfondsen over een Uvo.

2.5 In de Uvo die de NMT in 1993 met de Vereniging van Nederlandse Zorgverzekeraars overeenkwam en die betekenis heeft voor de jaren 1994 en 1995 is bepaald dat de zorgverzekeraar de door de tandarts verleende zorg zal honoreren op basis van de overeengekomen tarieven inclusief de daarmee in verband staande afdrachten. Een van de afdrachten betreft de "contributie" die het ziekenfonds rechtstreeks aan NMT voldoet.

2.6 Het is voor [eisers] ingevolge art. 44 lid 4 Zfw niet mogelijk om bij individuele overeenkomsten met een ziekenfonds af te wijken van dit contractuele systeem.

2.7.1 NMT heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die haar als enige representatieve organisatie betaamt door dit contractuele systeem aldus vorm te geven en door bij gebruikmaking van haar bevoegdheden niet vooraf instemming te verkrijgen van tandartsen-niet-leden van NTM voor een regeling op grond waarvan het ziekenfonds een deel van het tarief waarop de tandarts recht heeft aan NMT afdraagt.

2.7.2 [Eisers] wijzen er op dat niet ter zake doet of - kort gezegd - in de tarieven rekening is gehouden met een aan NTM af te dragen bedrag. Voor een afdrachtplicht aan NMT be-staat geen wettelijke basis; de tandartsen-niet-leden kunnen niet worden verplicht een deel van het hun toekomende tarief te besteden op een wijze die zij niet wensen.

2.8 NMT handelt volgens Van Beek c.s bovendien onrechtmatig jegens de tandartsen-niet-leden door inbreuk te maken op de (subjectieve) vermogensrechten van tandartsen die geen lid zijn van haar organisatie. NMT beschikt ten onrechte over een gedeelte van het honorarium dat tandartsen-niet-leden ontvangen. [eisers] hebben NMT - vergeefs - verzocht afstand te doen van de afdrachten die geïncasseerd waren totdat NMT toestemming van de tandartsen-niet-leden had verkregen.

2.9 NMT heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat NMT-leden in de jaren zestig voorstellen hebben ontwikkeld waarbij geldmiddelen ten behoeve van de ziekenfondstandheelkunde bij de bron geheven werden. Het ziekenfonds was bereid op basis van individuele afspraken een deel van de door de medewerker in rekening te brengen tarieven bij wijze van contributie af te dragen aan NMT. In de voor de onderhavige zaak van belang zijnde periode (t/m 1995) heeft het Cotg de bijzondere heffingen, waaronder de contributie NMT ten bedrage van 0,95 % van het in rekening gebrachte tarief, in de tarieven opgenomen. De tarieven zijn, volgens NMT, opgebouwd uit "kostencomponenten". De contributie aan NMT (en eveneens, bijvoorbeeld, een bijdrage in een collectieve pensioenvoorziening) behoren tot deze kosten (onder 4/5).

2.10 NMT geeft toe dat de niet-leden 0,95% van de in rekening gebrachte tarieven niet ontvangen. Zij wijst er evenwel op dat het tarief artificieel 0,95% te hoog is vastgesteld vanwege voor hen niet bestaande contributie-uitgaven. De niet-NMT leden worden dus, ten opzichte van de wel-leden, in een budget neutrale positie gehouden door het niet afdragen van dit deel van het tarief (onder 6/7).

2.11 NMT heeft voorts gesteld dat sprake is van een overeenkomstenstelsel gebaseerd op de Ziekenfondswet, waarin de Uvo model staat voor de individueel tussen de zorgverzekeraar en de tandarts/prakticus te sluiten medewerkersovereenkomst. Bij deze model- c.q. standaardovereenkomst behoort een kopblad, het zogenaamde persoonsgebonden deel. NTM heeft een kopblad Uvo 1994 en 1995 overgelegd waarin de tandartsmedewerker zich akkoord verklaard met honorering "op basis van de overeengekomen tarieven, inclusief de daarmee in verband staande afdrachten" (art. 9 lid 1). In de modelovereenkomst 1983/1994 (eveneens overgelegd) wordt vermeld dat de contractuele relatie tussen het ziekenfonds en de tandarts wordt beheerst door een aantal met name genoemde stukken. [eisers] hebben zich dus op dit punt contractueel vastgelegd (onder 12).

2.12 [Eisers] hebben bij repliek benadrukt dat het begrip "tarief" in de zin van de Wtg duidelijk maakt dat in casu sprake is van de vergoeding die de tandarts ontvangt voor de door hem geleverde tandheelkundige zorg. De wijze waarop dit tarief is opgebouwd doet, volgens hen, niet ter zake. Er bestaat geen wettelijk voorschrift waaruit voor de tandarts dwingend volgt dat hij de door hem geïncasseerde vergoeding voor de door hem geboden zorg dient te besteden overeenkomstig voorschriften, gegeven in de Cotg-tariefbeschikkingen. Aldus gaat het kernverweer van NMT, inhoudende dat zij op grond van de door het Cotg vastgestelde of goedgekeurde tariefbeschikkingen aanspraak heeft op een percentage van het tarief dat niet-leden van de NMT in rekening brengen, niet op (onder 6).

2.13 Ten aanzien van de Uvo, op basis waarvan de tandartsen zich volgens NMT contractueel hadden vastgelegd met de afdrachten, hebben [eisers] gesteld dat NMT misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid. NMT heeft de zorgvuldigheidsnormen geschonden die zij als enige representatieve organisatie in acht dient te nemen door ten eigen bate in de Uvo een bepaling op te nemen, die de ziekenfondsen ter rechtvaardiging konden inroepen om afdrachten aan de NMT te doen, zulks in de wetenschap dat de individuele tandarts-niet-lid van NMT niet de mogelijkheid had om met een ziekenfonds een overeenkomst te sluiten die deze bepaling niet zou bevatten (onder 12).

2.14 NMT heeft bij dupliek expliciet erkend dat voor de onderhavige bijdrage geen wettelijke grondslag bestaat (onder 6). Vervolgens heeft zij aandacht gevraagd voor het stelsel van de Wtg en Zfw.

2.15 Uit de Wtg vloeit, volgens NMT, voort dat de behandelaar verboden is een tarief in rekening te brengen dat niet overeenkomstig deze wet is goedgekeurd of vastgesteld. De wet schrijft evenwel niet voor dat dit tarief ook zonder mankeren tot uitkering dient te worden gebracht. Te denken valt volgens NMT aan overkoepelende honoreringsafspraken zoals in casu aan de orde (onder 8).

2.16 NMT acht de stelling van [eisers] dat de individuele tandarts ingevolge de Zfw geen vrijheid heeft een individuele medewerkersovereenkomst aan te gaan die afwijkt van de modelovereenkomst dan wel de door de Ziekenfondsraad goedgekeurde Uvo niet relevant. De tandarts kan juist in het kader van de goedkeuringsprocedure van een Uvo als belanghebbende bezwaar maken tegen die onderdelen van de Uvo die zien op een bijzondere "routing" van het tarief, door bijvoorbeeld een percentage af te zonderen voor het betalen van contributie aan de NMT. Men zou hier, aldus nog steeds NMT, kunnen spreken van een vrij onderwerp. NMT beroept zich ook te dezer zake op de leer van de formele rechtskracht (onder 9).

2.17 De stelling van [eisers] dat NTM misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt door te komen tot een Uvo waarbij ook tandartsen-niet-leden een percentuele afdracht van het tarief wordt gevraagd, heeft NTM weersproken. Zij betoogt in de eerste plaats

"dat niet eenvoudig kan worden gezegd dat met het van het tarief afzonderen van een promillage ten behoeve van de contributiebetaling (aan?) NMT, autonome afspraken van de tandarts/ziekenfondsmedewerkers niet-NMT-leden zouden worden aangetast".(2)

Zou een beroep op de bestuursrechter succes hebben gehad dan zou dat ertoe hebben geleid dat het tarief zou dalen met 0,95%.

2.18 Voorts kan geen sprake zijn van misbruik van bevoegdheid omdat NMT, "als representatieve organisatie in het maatschappelijk verkeer", ook de belangen van tandartsen zoals [eisers] behartigt. Zij noemt misbruik volstrekt onaannemelijk, in aanmerking genomen dat de overgrote meerderheid van de tandartsen lid is en blijft van NMT en uit dien hoofde "het positief maatschappelijk functioneren legitimeert" (onder 10).

2.19.1 De Rechtbank heeft de vorderingen van [eisers] afgewezen. Naar haar oordeel berust de afdracht op de door iedere tandarts afzonderlijk aangegane overeenkomst. De tandartsen hebben aldus ingestemd met afdracht (rov. 4.5).

2.19.2 De Rechtbank wijst er voorts op dat de tariefopbouw formele rechtskracht heeft gekregen (rov. 4.7).

2.19.3 In het licht van 2.19.2 stond het NMT vrij afspraken te maken over de inning van de voor haar bestemde bijdragen. Zulks omdat er geen andere representatieve organisatie van tandartsen is aangewezen (rov. 4.8, naar de kennelijke strekking samengevat).

2.20 [Eisers] zijn van het vonnis in hoger beroep gekomen. Blijkens de toelichting op grief 10 beogen [eisers] het geschil in volle omvang aan het Hof voor te leggen.

2.21 Partijen hebben - naar de kern genomen - in hoger beroep hun eerder ingenomen stellingen herhaald. Vermelding verdient nog het volgende.

2.22 [Eisers] hebben aangevoerd dat de Wtg een kostendekkend tarief beoogt en dat

"het Cotg bij de bepaling van de kosten die een tandarts maakt in de uitoefening van zijn praktijk, als aanvaardbare kosten heeft aangemerkt de bijdrage die een tandarts zou dienen te voldoen ten behoeve van het lidmaatschap van (...) NMT".

Zij herhalen in dit verband echter dat er geen verplichting bestaat lid te zijn van NMT (appèldagvaarding blz. 4).

2.23.1 Zij hebben beklemtoond het pretens onrechtmatig handelen niet te zoeken in de "rechtmatigheid van de uitkomsten van overleg". Naar hun oordeel is het gelegen in

"de wijze waarop de NMT als enige representatieve organisatie gebruik heeft gemaakt van haar in die monopoliepositie toekomende bevoegdheden en van de inbreuk op vermogensrechten die de NMT dusdoende heeft gemaakt" (blz. 7).

2.23.2 Dit laatste betoog wordt op blz. 9 nader aangescherpt. Daar wordt tevens aangegeven dat zij "nimmer hebben gesteld dat een wettelijke grondslag voor de afdracht ontbreekt". Zie nader ook de toelichting op grief 7.

2.24 NMT heeft bij mva aangedrongen dat [eisers] geen contributie betalen. "(H)et dan ook niet ontvangen van een toeslag ter zake van de kostenpost contributie NMT kan niet gerekend worden tot een zodanig maatschappelijk onaanvaardbare uitkomst dat zou moeten worden gesproken van misbruik van bevoegdheid (...)" (blz. 5).

2.25 NMT heeft herhaald dat tot de onderwerpen die de Zfw dwingendrechtelijk regelt niet behoren de tarieven/honorering en/of honoreringsafspraken. NTM sprak onder 9 van haar dupliek van een vrij onderwerp; op welke wijze, op welk moment en aan wie betaling door de zorgverzekeraar geschiedt, regelen de zorgverzekeraar en de tandarts ingevolge art. 9 lid 2 Zfw individueel bij het aangaan van de medewerkersovereenkomst (blz. 5 - 8).

2.26 Bij pleidooi heeft NMT nog aangevoerd dat zij in totaliteit niet meer ontvangt dan - kort gezegd - het door Cotg goedgekeurde bedrag (pleitaantekeningen mr Den Hertog blz. 4). De bewering dat zij haar eigen belangen zou hebben gediend, is daarom niet juist (idem blz. 7).

2.27 [Eisers] hebben bij pleidooi betoogd dat weliswaar de omvang van de vergoeding vast staat, maar daarmee niets wordt gezegd over de wijze waarop deze moet worden besteed. Op die vraag zien de tariefbeschikkingen immers niet (pleitnotities mr Versteeg onder 4).

2.28 Het Hof heeft de grieven gezamenlijk besproken en het hoger beroep van [eisers] verworpen.

2.29.1 Volgens het Hof hebben [eisers] niet bestreden dat Cotg voor het tijdvak 1 april 1990 tot en met 1995 in feite goedkeuring heeft verleend aan tarieven waarin onder meer een doelbijdrage van 0,95 % was opgenomen, zijnde de contributie aan NMT (rov. 4.1).

2.29.2 Het Hof gaat er voorts van uit dat de UVO's voor het tijdvak 1990 tot 1995 een verplichting voor de ziekenfondsen inhielden om de bijdrage in de contributie (waarmee het Hof blijkens rov. 4.3 bedoelt: 0,95%) rechtstreeks aan NMT af te dragen (rov. 4.2 - 4.4).

2.30 Ten gronde overweegt het Hof dat niet gebleken is dat [eisers] belang hebben bij de gevorderde verklaringen voor recht naast het belang bij de vergoeding tot schadevergoeding, zodat alleen laatstgenoemde vordering zal worden besproken (rov. 4.9).

2.31 Het Hof heeft als uitgangspunt genomen dat de door Cotg goedgekeurde tarieven en de door de Ziekenfondsraad goedgekeurde Uvo's rechtmatig zijn. Dat de tarieven en Uvo's rechtmatig zijn, impliceert volgens het Hof dat ook hun goedkeuring door Cotg en Ziekenfondsraad rechtmatig is (rov. 4.10).

2.32 Het Hof heeft vervolgens overwogen:

"Nu de tarieven en de Uvo's rechtmatig zijn, is niet van belang of NMT vóór of bij het tot standkomen van die Uvo's onzorgvuldig heeft gehandeld, misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden, of anderszins onrechtmatig heeft gehandeld. Ook als immers NMT bij het tot stand brengen van die Uvo's onrechtmatig heeft gehandeld zoals door de appellanten gesteld, zouden de appellanten hun eventuele schade hebben geleden of nog lijden, niet ten gevolge van dat onrechtmatige handelen, maar ten gevolge van de rechtmatige goedkeuring van de tarieven en Uvo's door Cotg en Ziekenfondsraad, dan wel ten gevolge van later onrechtmatig handelen van NMT. Met andere woorden, de rechtmatige goedkeuring van de tarieven en Uvo's doorbreekt de causale band tussen de onderhavige schade en het aan die goedkeuringen voorafgaande handelen van NMT. Onder omstandigheden zou dit anders kunnen zijn, maar zodanige omstandigheden zijn niet gesteld en ook langs andere weg niet gebleken" (rov. 4.11).

2.33 Aansluitend gaat het Hof in op de stelling van [eisers] dat NMT onrechtmatig heeft gehandeld door het aanvaarden en behouden van de "promillage-contributie", die immers zijn gevolgd op de goedkeuring van de tarieven en Uvo's. Deze opvatting berust op de veronderstelling dat de aldus door NMT ontvangen gelden aan die niet-leden toekomen (rov. 4.12).

2.34 Dienaangaande wordt overwogen:

"4.13 Die veronderstelling kan evenwel niet als juist worden aangenomen. De promillage-contributie komt geenszins toe aan de tandarts-niet-lid, maar aan NMT en wel op grond van de medewerkersovereenkomst waarin dit ten behoeve van NMT tussen de individuele tandarts en het ziekenfonds is overeengekomen. De appellanten wijzen geen deugdelijke grondslag aan voor de aanspraak van de niet-leden op de litigieuze gelden.

4.14 Dat de promillage-contributie onderdeel vormt van het tarief in de zin van de Wtg en dat onder "tarief" in die zin (blijkens artikel 1 lid 1 onder h Wtg) wordt verstaan "prijs voor een prestatie of een deel van prestaties, door een orgaan van gezondheidszorg geleverd", baat appellanten niet, want daarmee is niet gezegd dat elke component van die prijs ook toekomt aan het bedoelde orgaan.

4.15 De appellanten onderschrijven ook (pleitnota mr. Versteeg onder 14) dat de Wtg in het midden laat "op welke wijze het eenmaal terecht in rekening gebrachte tarief tot uitkering komt". Zij miskennen echter dat de vaststelling dat de tandarts iets terecht in rekening brengt, niet inhoudt dat die tandarts dan ook aanspraak heeft op uitkering aan hemzelf van al datgene wat hij terecht in rekening brengt."

2.35 Het Hof besluit met de overweging dat aangezien de door NMT genoten "promillage-contributie", indien genoten ter zake van tandheelkundige hulp van een niet-lid, niet aan dit niet-lid toekomt, NMT geen inbreuk maakt op de vermogensrechten van het niet-lid door deze promillage-contributie te aanvaarden en te behouden (rov. 4.17). De schadevergoedingsvordering is op grond van een en ander niet toewijsbaar.

2.36 [Eisers] hebben tijdig cassatieberoep ingesteld. NMT heeft het beroep weersproken. De zaak is door de advocaten van partijen toegelicht, voor [eisers] door mr Asser.

3. Bespreking van het cassatieberoep

3.1 Door het Hof is in het midden gelaten of NMT onrechtmatig heeft gehandeld door - kort gezegd - in de UVO's een verplichting voor de ziekenfondsen tot afdracht aan NMT van 0,95% van "het tarief" op te nemen voor alle tandartsen, ongeacht de vraag of de betrokken tandartsen al dan niet lid zijn. Volgens het Hof is de beantwoording van die vraag immers niet ter zake dienend.

3.2 M.i. kan bespreking van het middel, dat omstandig een aantal aspecten van 's Hofs oordeel bestrijdt, goeddeels blijven rusten. Immers heeft NMT niet onrechtmatig heeft gehandeld. Ik werk dat hierna onder 3.3 - 3.5 uit.

3.3.1 In deze procedure is door [eisers] zelf aangevoerd, dan wel door NMT gesteld en door [eisers] niet (voldoende) weesproken en ten dele is ook door het Hof vastgesteld:

a. dat over de gehele periode waarover deze procedure loopt sprake is van een "doelbijdrage" ten belope van 0,95%; het gaat hier om - wat het Hof niet geheel zuiver noemt - "contributie" aan NMT (zie onder 1.2 en 2.29.1);

b. dat het bij de onder a. genoemde bijdrage - in de bewoordingen van [eisers] - om aanvaardbare kosten gaat (zie onder 2.22); de rechtmatigheid is uitdrukkelijk niet bestreden (zie onder 1.8, 2.13.1 en 2.31);

c. dat bedoelde 0,95 % "bovenop" het tarief is geplaatst omdat sprake zou zijn van kosten die geen verband houden met de uitgaven (kosten) die zijn verbonden aan verrichtingen van de tandartsen (zie onder 2.9/10, 2.12 en 2.29.2);

d. ingeval [eisers] en andere niet NMT-leden bezwaar zouden hebben gemaakt tegen afdracht van bedoelde 0,95% aan NMT, zou deze component niet in het tarief zijn opgenomen (zie onder 2.17);

e. NMT wordt - in zijn geheel bezien - beter noch slechter van de gevolgde methodiek. Immers vonden de bevoegde autoriteiten (Cotg en de Ziekenfondsraad) kennelijk dat NMT aanspraak had op een totaal bedrag dat overeenkomt met hetgeen zij daadwerkelijk heeft ontvangen. Zij zou dat totale bedrag sowieso uit de ziekenfondspremies hebben ontvangen, zij het - in het onder d genoemde geval - mogelijk op grond van een andere methodiek (zie onder 2.26).

3.3.2 In de onder 3.3.1 sub e. genoemde situatie zouden [eisers] in exact dezelfde positie hebben verkeerd waarin zij thans verkeren. Immers vonden de (onder e genoemde) overheidsinstanties het zinvol om bedoeld bedrag aan NMT te besteden en niet aan de tandartsen. Deze laatsten kwamen - nog steeds in de optiek van deze overheidsinstanties - met een vergoeding van de kosten die -los van bedoelde 0,95% - reeds in het tarief waren verwerkt voldoende aan hun trekken. In deze procedure is door [eisers] niet aangevoerd dat het tarief, geen rekening houdend met genoemde 0,95%, een ontoereikende vergoeding voor hun werkzaamheden zou zijn.

3.4.1 In het licht van de onder 3.3 genoemde feiten en omstandigheden valt niet in te zien waarom NMT onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens [eisers]. Van bevoordeling van haarzelf is geen sprake. NMT krijgt immers niets wat zij niet sowieso zou hebben ontvangen.

3.4.2 Evenmin gaat het hier om een bedrag dat bestemd was voor [eisers] en dat hen wordt onthouden. Van een inbreuk op hun rechten is daarom geen sprake.

3.4.3 Opmerking verdient nog - het Hof heeft daar terecht op gewezen - dat de afdrachtplicht geen inbreuk maakt op de rechten van [eisers] omdat zij deze rechten niet hebben. Los van hetgeen hiervoor onder 3.3 reeds werd genoemd, valt te bedenken dat zij er contractueel mee hebben ingestemd dat bedoeld promillage aan NMT wordt betaald.

3.5 Bij deze laatste opmerking ten overvloede stip ik - eveneens ten overvloede - nog aan dat [eisers] niet hebben aangevoerd dat zij bij het aangaan van dergelijke overeenkomsten - die reeds vele jaren gebruikelijk zijn - bezwaar hebben gemaakt tegen de afdracht aan NMT. Dat sprake was van contractsdwang die hen bezwaarde - waarop in feitelijke aanleg en in cassatie en passant is gewezen - is daarom weinig aannemelijk.

3.6 Aldus valt het doek over de vordering van [eisers] Een eventuele vernietiging van het bestreden arrest kan voor [eisers] niets nuttigs opleveren. Zij missen daarom belang bij hun cassatieberoep.

3.7 Volledigheidshalve zij nog vermeld dat de in onderdeel 1.3 genoemde klacht al aanstonds faalt omdat van een bevoordeling van NMT geen sprake is. Zie hierboven onder 3.3.

3.8 Op twee klachten, die in verband met het voorafgaande van belang zijn, ga ik nog in:

a. de stelling dat volgens art. 1 lid 1 onder h Wtg met het tarief wordt bedoeld: een bedrag dat de tandarts in zijn geheel toekomt omdat - in de bewoordingen van onderdeel 2.1 - sprake is van de prijs voor een prestatie of een geheel van prestaties;

b. de medewerkersovereenkomsten tussen tandartsen en ziekenfondsen verplichtten tot afdracht van contributies. [eisers] zijn geen lid van NMT. Daarom is voor contributies geen ruimte. De medewerkersovereenkomsten bieden geen steun voor afdracht van iets anders. Deze klacht is met name vervat in de onderdelen 2.3 en 2.6 en wordt in de overige onderdelen van onderdeel 2 nader uitgewerkt.

3.9 Met betrekking tot onderdeel 2.1 het volgende. Letterlijke interpretatie van art. 1 lid 1 onder h Wtg kán inderdaad steun bieden voor de door [eisers] vertolkte opvatting. Ik meen evenwel dat voor zodanige letterlijke interpretatie geen reden bestaat.

3.10 In de eerste plaats gaat het hier kennelijk om een situatie waaraan de wetgever niet heeft gedacht. Letterlijke interpretatie brengt ons dan niet veel verder. Niet gezegd kan worden dat de wet dwingt tot het standpunt van [eisers] en dat de wetgever onmiskenbaar iedere andere benadering tegen heeft willen gaan.

3.11.1 Doel en strekking van de Wtg is - zo blijkt reeds uit de considerans - evenwichtige tarieven tot stand te brengen en kostenbeheersing. Met beide doelen is de opvatting van [eisers] niet te verenigen.

3.11.2 Dat bepaalde tandartsen een vergoeding zouden krijgen voor kosten zij niet maken, leidt niet tot evenwichtige tarieven. Dat behoeft m.i. geen verdere toelichting.

3.11.3 Ook kostenbeheersing kan bezwaarlijk worden bereikt met het aan een bepaalde - nogal willekeurige, want zelf gekozen(3) - groep toekennen van een voordeel dat de grote meerderheid van de betrokkenen niet ten deel valt. Hierbij valt nog te bedenken dat de wetgever voor ogen heeft gestaan om alle zorgverleners in beginsel gelijk te behandelen door toekenning van hetzelfde tarief. Dit laat onverlet dat individuele personen kunnen vragen om een afwijkend tarief.(4) [eisers] hebben niet aangevoerd dat zij dat hebben gedaan.

3.12 Zojuist werd betoogd dat in de wet steun kán worden gevonden voor de door eisers tot cassatie bepleite opvatting. De letter van art. 1 lid 1 onder h Wtg kan evengoed - zo niet beter - aldus worden opgevat dat de zorgverlener slechts aanspraak kan doen gelden op dat deel van het tarief dat ziet op zijn eigen verrichtingen. "Prijs voor een prestatie" (genoemd in art. 1 lid 1 onder h Wtg) brengt, aldus gelezen, tot uitdrukking dat - toegespitst op de betrokken zorgverlener - slechts wordt gedoeld op een vergoeding voor zijn prestatie.(5) Het deel dat is bedoeld voor NMT is uit de aard der zaak geen vergoeding voor zijn prestatie.(6)

3.13.1 De schaduwzijde van de onder 3.12 gegeven interpretatie is - [eisers] hebben daar in feitelijke aanleg in ander verband op gewezen - dat de Wtg lijkt te veronderstellen dat het tarief ten goede komt aan - in de bewoordingen der wet - het orgaan van gezondheidszorg.

3.13.2 Ik kan daar slechts, met het Hof, tegen inbrengen dat dit er niet met zoveel woorden staat.(7) Omdat de consequentie van de door [eisers] verdedigde opvatting, toegepast op gevallen als de onderhavige, nauwelijks aantrekkelijk is, bestaat er weinig grond zich daartoe te bekeren. Zeker niet nu de wet er niet toe dwingt.

3.14.1 Anders gezegd: zou men art. 1 lid 1 onder h Wtg willen uitleggen op de wijze zoals [eisers] dat doen, dan kraait de haan der victorie voor hen nog niet. In dat geval brengt een redelijke uitleg van het litigieuze tarief m.i. mee dat dit uit twee componenten is opgebouwd: één eigenlijk gezegd tarief en een opslag voor iets wat daarin niet thuishoort. Of Cotg dat deel van het tarief had kunnen en mogen goedkeuren kan blijven rusten omdat die vraag thans niet aan de orde is.(8)

3.14.2 Dat voor al diegenen die worden vertegenwoordigd door een "representatieve organisatie van organen van gezondheidszorg"(9) een zekere bijdrage moet worden betaald, ligt in de rede. De wetgever moet immers hebben verondersteld dat zo'n organisatie voor allen die zij vertegenwoordigt nuttige werkzaamheden verricht bij het maken van afspraken met ziekenfondsen over de tarieven.(10)

3.14.3 Bij die stand van zaken is het niet vreemd dat uit de middelen opgebracht krachtens de Ziekenfondswet blijkbaar gelden worden vrijgemaakt voor zulk een representatieve organisatie die, als gezegd, door de relevante overheidsinstanties klaarblijkelijk als nuttig wordt ervaren. Dat is nauwkeurig wat in casu is nagestreefd: bovenop de vergoeding voor de werkzaamheden der tandartsen is een promillage gezet. Dat promillage komt - neem ik aan - uit de ziekenfondspremies, heeft niets met werkzaamheden van de tandartsen te maken en vloeit daarom toe aan degene die daar wel iets voor heeft gedaan: de representatieve organisatie NMT.

3.14.4 Als men de wet met een fileermes te lijf gaat, valt tegen de zojuist ontwikkelde redenering wellicht wat in te brengen. Het gevolg zou zijn dat [eisers] een ongerechtvaardigd voordeel in de schoot geworpen zouden krijgen. Zij mogen daar uiteraard om vragen, maar hun bede ware niet te verhoren.

3.15 Het - trouwens in het geheel niet uitgewerkte - beroep op art. 1 Wtg faalt dan ook en daarmee onderdeel 2.1.(11)

3.16 De hierboven onder 3.8 onder b weergegeven klacht (die met name in de onderdelen 2.3 en 2.6 besloten ligt) faalt eveneens. Het Hof heeft zijn oordeel gebaseerd op een uitleg van de in geding gebrachte stukken. Het college heeft daaraan toegevoegd dat [eisers] onvoldoende te berde hebben gebracht dat noopt tot een andere interpretatie.

3.17 Het middel geeft niet aan welke relevante informatie [eisers] aan het Hof hebben verstrekt die het college noopte tot een ander oordeel. Voor het overige is 's Hofs oordeel feitelijk; het kan de cassatietoets doorstaan.

3.18.1 Opmerking verdient nog dat de geëerde steller van het middel er terecht de vinger op legt dat het Hof niet geheel zuiver spreekt van contributie zonder daarbij expliciet onderscheid te maken tussen de tandartsen die wél en die geen lid waren van NMT.

3.18.2 Leest men 's Hofs arrest in zijn geheel dan is duidelijk dat het Hof zich dit onderscheid heel goed bewust is geweest (hetgeen ook zeer voor de hand ligt omdat dit de inzet van de procedure was). In rov. 4.3 wordt - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat in de Uvo's sprake is van een afdracht. Het Hof heeft daaruit afgeleid - en zeer wel kunnen afleiden - dat deze afdracht gold voor alle tandartsen, ongeacht de vraag of zij lid waren van NMT. Waar verderop in het arrest wordt gesproken van "contributie" wordt klaarblijkelijk in verkorte zin hetzelfde tot uitdrukking gebracht als in rov. 4.3.

3.19 De resterende klachten missen m.i. belang. Ik ga daarop niet in. Mocht Uw Raad behoefte aan een conclusie daarover hebben, dan ben ik gaarne bereid een aanvullende conclusie te nemen.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie voor het stelsel dier wet de conclusie van mijn ambtgenoot Bakels van 23 februari 2001, rolnr. C 99/152 en C 99/186 onder 2.2 en 2.3.

2 Hetgeen volgt is niet begrijpelijk; ik kan het niet weergeven.

3 [Eisers] hebben zelf immers ervoor geopteerd geen lid van NMT te worden.

4 S&J 70 (1993) blz. XIV.

5 Met juistheid wijst G.R.J. de Groot, Tarieven in de gezondheidszorg (1998) er op dat het begrip prestatie niet wordt gedefineerd: blz. 51; ook de parlementaire geschiedenis helpt ons niet verder: blz. 52.

6 In deze lezing heeft de betrokken passage dus wel betekenis; anders (zonder motivering) T&C Gezondheidsrecht, Wet tarieven gezondheidszorg (De Groot) art. 1 aant. 3. Voor de in de tekst verdedigde opvatting valt steun te putten uit De Groot, Tarieven a.w. blz. 58.

7 Stelliger: De Groot, Tarieven a.w. blz. 72: de Wtg vormt niet de basis voor de betalingsverplichting.

8 De niet bijster heldere circulaire van 22 november 1983 van de staatssecretaris van WVC (S&J 70 blz. 184 e.v.) laat zowel een bevestigende als een ontkennende beantwoording toe.

9 Zie art. 3 lid 1 Wtg.

10 Zie art. 5 Wtg. Dat de Wtg niet alleen ziet op "sociale ziektekostenverzekeringen" kan hier blijven rusten omdat deze zaak is beperkt tot de onder 1.2 genoemde overeenkomsten; zie De Groot, Tarieven a.w. blz. 65.

11 In de s.t. doet mr Asser nog beroep op De Groot, Tarieven in de gezondheidszorg. Waarom de beschouwingen van De Groot steun zouden bieden aan het door hem bepleite standpunt komt niet uit de verf.