Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB2563

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2001
Datum publicatie
13-07-2001
Zaaknummer
C99/354HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB2563
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 446
NJ 2001, 505
JWB 2001/192
JAR 2001/157
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. C 99/354 HR

Mr. M.R. Mok

Zitting 11 mei 2001

Conclusie inzake

(bij vervroeging)

[Eiser]

tegen

[Verweerster] (FVC)

Edelhoogachtbaar college,

1. KORTE BESCHRIJVING VAN DE ZAAK

1.1. [Eiser], eiser van cassatie, was op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst van verweerster in cassatie, FVC(1).

Op die overeenkomst was de c.a.o. voor het beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen van toepassing.

1.2. [Eiser] heeft het plan opgevat een eigen bedrijf als koerier te stichten. Daarover heeft hij(2) gesprekken gevoerd met directeur [A] van FVC en diens twee zoons. Directeur [A] heeft het besprokene bevestigd bij de in noot 2 genoemde brief, waaruit blijkt dat [eiser] op 1oktober voor zichzelf zou beginnen.

Bij brief van zijn gemachtigde van 24 september 1996(3) heeft [eiser] ontkend de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 1996 te hebben opgezegd.

1.3. [Eiser] heeft FVC gedagvaard voor de kantonrechter te Leeuwarden en betaling van achterstallig loon gevorderd. Bij repliek heeft [eiser] zijn vordering enigszins vermeerderd.

In een tussenvonnis van 19 augustus 1997 en een eindvonnis van 21 oktober 1997 heeft de kantonrechter de vorderingen van [eiser] toegewezen. Het eindvonnis had alleen op de vermeerdering van eis betrekking.

1.4. Van (alleen) het tussenvonnis is FVC(4) in appel gekomen bij de rechtbank te Leeuwarden.

Bij vonnis van 21 juli 1999 heeft de rechtbank het bestreden tussenvonnis vernietigd en de daarbij toegewezen vordering van [eiser] afgewezen.

1.5. [Eiser] heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld, welk beroep steunt op een middel dat bestaat uit vijf onderdelen waarvan het eerste geen klacht bevat.

2. BESPREKING VAN HET MIDDEL

2.1.1. In ro. 4 heeft de rechtbank vooropgesteld dat vrijwillige beëindiging door een werknemer van zijn arbeidsovereenkomst voor hm zulke ernstige gevolgen heeft, dat de werkgever de bedoeling tot vrijwillige beëindiging niet te gauw mag aannemen.

Wil een werkgever een werknemer aan een vrijwillige beëindiging kunnen houden, dan is vereist dat sprake is van een verklaring of een gedraging van de werknemer die duidelijk en ondubbelzinnig is gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Bovendien moet de werkgever zich er met redelijke zorgvuldigheid van vergewissen dat de werknemer inderdaad beëindiging beoogde.

De werkgever draagt de bewijslast van een en ander.

2.1.2. In ro. 5 heeft de rechtbank hieraan toegevoegd dat aan het door de werkgever te leveren bewijs hoge eisen moeten worden gesteld.

Zij meende echter dat het te ver zou gaan om, zoals de kantonrechter in de onderhavige zaak had gedaan, te eisen dat FVC zich minimaal had moeten verzekeren van een schriftelijke bevestiging door [eiser] van diens opzegging. Ook indien geen schriftelijke bevestiging van de werknemer aanwezig is, kan het bewijs onder omstandigheden geleverd worden geacht.

2.1.3. Tegen die laatste overweging keert zich onderdeel 2. Het betoogt dat van een bewezen duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer geen sprake kan zijn wanneer de werknemer zelf ontkent zodanige verklaring te hebben afgelegd en een schriftelijke opzegging of akkoordverklaring zijnerzijds ontbreekt.

2.1.4.1. Het in ro. 4 door de rechtbank geformuleerde uitgangspunt van het vereiste van een duidelijke en ondubbelzinnige wilsuiting van de werknemer (zie § 2.1.1.) is ontleend aan rechtspraak van de Hoge Raad(5).

De vraag of aan de gestelde eisen is voldaan moet worden beantwoord door de rechter die over de feiten oordeelt(6).

2.1.4.2. Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan. Bij het onderzoek of aan dat uitgangspunt was voldaan, was de rechtbank, anders dan het middel verdedigt, niet aan de keuze van bepaalde bewijsmiddelen gebonden.

Uit rol 6 van het bestreden vonnis blijkt dat de rechtbank zich heeft gebaseerd op het aanwezige bewijsmateriaal, bestaande uit een aantal stukken en een aantal in een voorlopig getuigenverhoor door de kantonrechter opgenomen verklaringen.

2.1.4.3. Men zou zich kunnen afvragen of er geen aanleiding is de eisen te verscherpen en te verlangen dat er voor beëindiging van een arbeidsovereenkomst een schriftelijk van de werknemer afkomstig bewijsstuk aanwezig moet zijn.

Ik zou echter menen dat een door de werkgever aan de werknemer toegezonden en door deze laatste niet (tijdig) weersproken schriftelijke vastlegging van een mondelinge wilsuiting van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst in het algemeen voldoende is. Dat geldt zeker in een geval als het onderhavige, waarin niet van een bestaand conflict tussen partijen is gebleken, maar de werknemer een goede reden voor de beëindiging had opgegeven, nl. de wens voor zichzelf te beginnen, hetgeen getuigen hebben bevestigd.

2.1.4.4. Het onderzoek van het aanwezige bewijsmateriaal, waarvan de rechtbank rekenschap heeft afgelegd in de roo. 6.1.-6.6., heeft haar tot de slotsom geleid (ro. 6.7.) dat FVC had bewezen dat sprake is geweest van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van [eiser], gericht op vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 1996 en dat FVC had voldaan aan de op haar volgens [eiser] rustende onderzoeksplicht.

2.1.4.4. Aldus heeft de rechtbank een, op een juiste rechtsopvatting gebaseerd alsmede voldoende en begrijpelijk gemotiveerd, feitelijk oordeel gegeven.

Dit oordeel is in cassatie onaantastbaar, zodat het onderdeel geen doel treft.

2.2.1. In ro. 6.4. heeft de rechtbank vastgesteld dat [eiser] op de aangetekende brief van 12 augustus 1996 van FVC pas bij brief van 24 september 1996 heeft gereageerd. Daaraan heeft de rechtbank toegevoegd dat het voor de hand had gelegen dat [eiser], indien zijn stelling dat hij geen ontslag had genomen juist zou zijn, veel eerder aan FVC had laten weten dat hij het met die brief niet eens was.

2.2.2. Onderdeel 3 werpt op dat de rechtbank zodoende heeft miskend dat [eiser] voor de gestelde opzegdatum schriftelijk heeft gereageerd en geprotesteerd.

Om die reden zou er geen sprake kunnen zijn van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van [eiser], gericht op opzegging van de arbeidsovereenkomst.

2.2.3.1. Het komt mij voor dat die klacht geen recht doet wedervaren aan de uit het bestreden vonnis blijkende gedachtegang van de rechtbank.

Deze hield in dat, als de inhoud van de (aangetekende) brief van FVC, waarin deze bevestigde dat [eiser] de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 1996 had beëindigd, onjuist was, men van [eiser] had mogen verwachten dat deze zulks op korte termijn zou hebben betwist

2.2.3.2. Niet is in te zien waarom [eiser], als ware dat vanzelfsprekend, met zulk een betwisting zou kunnen wachten tot de gestelde datum van ingang van de beëindiging.

Het onderdeel is daarom vergeefs voorgesteld.

2.3.1. Onderdeel 4 klaagt erover dat de rechtbank zou hebben miskend dat de verklaring van de getuige [1] (door de rechtbank genoemd in ro. 6.3.) is bestreden door de verklaring van de [getuige 2] en door [eiser] zelf.

2.3.2. Dit onderdeel stuit af op gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank heeft in ro. 6.5. uitdrukkelijk en gemotiveerd geoordeeld dat de verklaringen van [eiser] en diens vriendin [getuige 2] tegenover het overige bewijsmateriaal onvoldoende gewicht in de schaal legden.

2.4. Het tegen de slotsom van de rechtbank gerichte onderdeel 5 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft geen bespreking.

3. CONCLUSIE

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van [eiser] in de kosten.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

(1). Volgens de rechtbank "in ieder geval sedert 13 mei 1996" (vgl.ook prod. 1 bij c.v.a. in 1e aanleg, alleen in A-dossier); volgens de kantonrechter sedert 1 mei 1995 (vgl. prod. 5 bij c.v.r. in 1e aanleg.

(2). Klaarblijkelijk op 6 augustus 1996; zie de brief van FVC d.d. 12 augustus 1996, prod. 8 bij c.v.a. (A-dossier).

(3). Niet in dossiers.

(4). Tijdig, nl. binnen drie maanden na het uitspreken van het tussenvonnis.

(5). HR 28 mei 1982, NJ 1932, 2; HR 20 september 1991, NJ 1991, 785. Zie voorts concl., sub 4 (Biegman-Hartogh) voor HR 17 januari 1986, NJ 1986, 732, mnt. P.A. Stein.

(6). HR 4 januari 1974, NJ 1974, 235.