Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB2240

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2001
Datum publicatie
31-07-2001
Zaaknummer
R01/014HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB2240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 8
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 15
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 17
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 78
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 390
NJ 2001, 437
RvdW 2001, 117
JWB 2001/178
BJ 2001/37 met annotatie van W. Dijkers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R 01/014 HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 20 april 2001

BOPZ

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

Edelhoogachtbaar College,

In deze Bopz-zaak gaat het hoofdzakelijk om de vraag of de rechter de vordering tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf kan splitsen in een gedeeltelijke toewijzing en een gedeeltelijke aanhouding van de beslissing.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verzoeker tot cassatie (hierna aangeduid als: betrokkene) verblijft sedert 8 juni 1998 in het psychiatrisch ziekenhuis van BAVO/RNO te Capelle a/d IJssel. Op 26 oktober 2000 heeft de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam bij de rechtbank aldaar een vordering ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf (art. 15 e.v. Wet Bopz). Bij de vordering was een geneeskundige verklaring van dezelfde datum gevoegd, alsmede een afschrift van het behandelingsplan.

1.2. Ter voldoening aan het voorschrift van art. 17 lid 2 jo. art. 8 lid 1 Wet Bopz, heeft de rechter zich op 22 november 2000 naar het ziekenhuis begeven teneinde betrokkene te horen. De rechter heeft de behandelend arts en de raadsman van betrokkene gehoord en vernomen, dat betrokkene de voorgaande dag uit het ziekenhuis was weggelopen. Omdat werd vermoed dat betrokkene feitelijk bij zijn moeder verbleef(1), heeft de rechter besloten daarheen te gaan. Op 23 november 2000 heeft de rechter in het bijzijn van de raadsman het huisadres bezocht, maar niemand aangetroffen. Bij beschikking d.d. 24 november 2000 heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf verleend tot uiterlijk 23 december 2000. In die beschikking wordt onder meer vermeld:

"Betrokkene is meerdere malen weggelopen uit het ziekenhuis. De laatste keer(2) is hij door de politie weer teruggebracht in het ziekenhuis. Zonder medicatie zal hij psychotisch worden en de situatie bij moeder thuis escaleren. (...) Het verhoor van betrokkene zal worden aangehouden en de rechterlijke machtiging met een maand worden verlengd om betrokkene nogmaals in de gelegenheid te stellen zijn mening kenbaar te maken. Betrokkene zal derhalve zowel in het ziekenhuis als op het adres [volgt woonadres] opgeroepen worden."

1.3. De rechtbank heeft een nieuw verhoor gepland op 12 december 2000 in het ziekenhuis; kennelijk was betrokkene inmiddels weer opgenomen. Nadat de raadsman op 1 december 2000 de rechtbank had verzocht om een afschrift van de aan het geplande verhoor ten grondslag liggende vordering, heeft de rechtbank in een afzonderlijke beschikking van 6 december 2000 overwogen dat in de beschikking van 24 november 2000 abusievelijk niet is vermeld dat de behandeling van de vordering voor het overige werd aangehouden. De rechtbank, van oordeel dat het hier ging om een kennelijke misslag die zich voor eenvoudig herstel leent(3), corrigeerde de beschikking van 24 november 2000 in die zin, dat het dictum komt te luiden:

"Verleent machtiging tot het voortgezet verblijf van: [naam betrokkene], in een psychiatrisch ziekenhuis tot uiterlijk 23 december 2000 en houdt de beslissing op hetgeen overigens is verzocht aan."

1.4. De raadsman heeft bij brief van 8 december 2000 hiertegen geprotesteerd. De rechtbank heeft het verhoor op 12 december 2000 doorgang laten vinden en heeft betrokkene, de behandelend arts en de raadsman gehoord. De laatstgenoemde heeft onder meer aangevoerd dat aan dit nieuwe verhoor geen vordering van de officier van justitie ten grondslag ligt en dat op de vordering d.d. 26 oktober 2000 reeds is beslist op 24 november 2000. Bij beschikking van 12 december 2000 heeft de rechtbank dit verweer verworpen en een machtiging tot voortgezet verblijf verleend tot uiterlijk 24 november 2001.

1.5. Namens betrokkene is - tijdig(4) - cassatieberoep ingesteld. Blijkens het slot van het cassatieverzoekschrift is het cassatieberoep gericht zowel tegen de beschikking van 24 november 2000, zoals gecorrigeerd op 6 december 2000, als tegen de beschikking van 12 december 2000. Het cassatieverzoekschrift bevat een voorbehoud tot aanvulling van het middel na ontvangst van de processen-verbaal van verhoor. Bij brief van 28 maart 2001 heeft de advocaat van betrokkene laten weten, van dit voorbehoud geen gebruik te maken.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel 1 komt met een rechtsklacht op tegen de (gecorrigeerde) beschikking van 24 november 2000. Nu betrokkene voorafgaand aan die beschikking niet persoonlijk is gehoord, noch uit de beschikking blijkt dat hij op de hoogte is gesteld van de hoorzitting, is volgens de klacht niet voldaan aan de wettelijke hoorplicht en kan de beschikking "mede gelet op art. 5 EVRM" niet in stand blijven.

2.2. Bij deze klacht heeft betrokkene geen belang. Het tijdvak waarvoor in de beschikking van 24 november 2000 een machtiging tot voortgezet verblijf werd gegeven, van 24 november tot 23 december 2000, is inmiddels verstreken en was trouwens ook al voorbij toen het cassatieverzoek werd ingediend. Naar vaste rechtspraak volgt dan een niet-ontvankelijkverklaring(5). Voorafgaand aan de vrijheidsbeneming in het tijdvak vanaf de beschikking van 12 december 2000 tot 24 november 2001 is betrokkene persoonlijk door de rechter gehoord. Ten overvloede volgen toch enkele opmerkingen naar aanleiding van de klacht. Art. 8 lid 1 Wet Bopz schrijft voor dat de rechter, alvorens op de vordering te beslissen, degene hoort ten aanzien van wie de machtiging is gevorderd tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen. In het onderhavige geval heeft de rechtbank niet vastgesteld dat betrokkene niet bereid zou zijn zich te laten horen. Indien de betrokkene in een ziekenhuis verblijft, wordt de rechter steeds in de gelegenheid gesteld de betrokkene aldaar te horen. In het andere geval zal de rechter, indien de betrokkene op de voor het verhoor bepaalde plaats en tijd niet verschijnt, zich ervan vergewissen of deze naar behoren is opgeroepen(6). Uit de beschikking van 24 november 2000 en de processen-verbaal d.d. 22 en 23 november 2000 blijkt niet met zoveel woorden dat de rechtbank zich ervan heeft vergewist dat betrokkene naar behoren is opgeroepen(7). Wat te doen indien de betrokken patiënt naar behoren is opgeroepen maar niet voor de rechter verschijnt? Zoveel mogelijk dient gewaarborgd te zijn dat iemand niet van zijn vrijheid wordt beroofd zonder dat hij, zo hij zulks wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Dit legt op de met het verhoor belaste rechter een inspanningsverplichting om te trachten betrokkene daadwerkelijk te bereiken. De enkele omstandigheid dat een formeel correct opgeroepen patiënt op de voor het verhoor bepaalde plaats en tijd niet voor de rechter verschijnt, rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Het is evenwel niet noodzakelijk, dat de betrokkene verklaart dat hij niet bereid is zich te doen horen: de rechter kan uit het gedrag van de patiënt afleiden dat deze in staat is naar de rechtbank te komen doch niet bereid zich te laten horen(8). Indien hiervan sprake is, de rechter in verband met de wettelijke beslistermijn(9) de beslissing niet langer kan uitstellen en overigens aan de wettelijke eisen voor verlening is voldaan, kan de beslissing dus inhouden dat de rechter de machtiging verleent zonder de betrokkene zelf gesproken te hebben(10). Aan de eis van art. 5 lid 4 EVRM/art. 15 lid 2 Grondwet, dat aan de gevatte persoon zo spoedig mogelijk toegang tot een rechter wordt verschaft om de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming te laten toetsen, kan worden voldaan door een verzoek tot ontslag uit het ziekenhuis als bedoeld in art. 49 Wet Bopz en, indien de geneesheer-directeur geen ontslag verleent, een daarop volgende rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming.

2.3. Onderdeel 2 maakt eveneens bezwaar tegen de beschikking d.d. 24 november 2000, met het argument dat een machtiging wordt gegeven zonder dat uit de motivering blijkt dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken (art. 15 lid 2 onder a Wet Bopz), dat dit gevaar niet op andere wijze kan worden afgewend en dat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot opneming. Om dezelfde reden als bij onderdeel 1 (gemis aan belang) leidt de klacht niet tot cassatie. In dit geding wordt niet aangevoerd dat betrokkene enig belang heeft bij een retrospectief oordeel over de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming in een reeds verstreken periode.

2.4. Onderdeel 3 komt niet op tegen de herstelbeschikking van 6 december 2000 als zodanig(11), maar heeft betrekking op de beschikking van 24 november 2000 zoals deze door de genoemde herstelbeschikking is komen te luiden. De klacht houdt in, dat de aldus gecorrigeerde beslissing onbegrijpelijk is. Volgens de klacht heeft de officier van justitie een machtiging tot voortgezet verblijf gevorderd zonder een termijn te noemen waarvoor de machtiging zou moeten worden verleend. In de redenering van het onderdeel is die vordering met de op 24 november 2000 gegeven beschikking volledig afgehandeld: de rechter heeft de gevraagde machtiging tot voortgezet verblijf verleend en wel: voor de duur van één maand (tot 23 december). Na die beslissing was er volgens het onderdeel geen ruimte meer om een nadere beslissing op de vordering d.d. 26 oktober 2000 te nemen. Met andere woorden: als de officier van justitie voor het tijdvak ná 23 december 2000 voortzetting van de dwangopneming verlangt, zal hij een nieuwe vordering moeten indienen. De klacht wordt herhaald in onderdeel 4, dat gericht is tegen de beschikking van 12 december 2000. Beide onderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

2.5. Feitelijk is juist, dat in de tekst van de vordering d.d. 26 oktober 2000 niet een bepaalde termijn wordt genoemd: de officier van justitie heeft de rechtbank slechts om een machtiging tot voortgezet verblijf gevraagd. Doorslaggevend vind ik dit argument niet. Een machtiging tot voortgezet verblijf kan immers worden verleend voor een tijdvak tot ten hoogste een jaar na haar dagtekening (zie art. 17 lid 4 Wet Bopz). De officier van justitie heeft onmiskenbaar het oog gehad op een machtiging voor een tijdvak tot ten hoogste één jaar. Daarmee wordt aan de rechtbank de nodige beslissingsruimte verschaft: de rechtbank kan immers geen machtiging verlenen zonder dat - voor het gehele tijdvak - daaraan een vordering van de officier van justitie ten grondslag ligt. De rechtbank heeft in haar beschikking, zoals deze door de herstelbeschikking is komen te luiden, de vordering (tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf voor ten hoogste één jaar) gesplitst in een gedeelte dat de rechtbank terstond voor toewijzing vatbaar achtte (nl. voor de periode van 24 november tot 23 december 2000) en een gedeelte waarover de rechtbank zich eerst nog wilde beraden (nl. voor de periode van 24 december 2000 tot 24 november 2001). Zoals de rolprocedure het deelvonnis kent, zo kan de rechter naar de algemene regels voor de verzoekschriftprocedure een deelbeslissing nemen; d.w.z. dat in het dictum het verzochte voor een gedeelte wordt toe- of afgewezen, terwijl de beslissing omtrent hetgeen meer of anders is verzocht tot een later tijdstip wordt aangehouden(12). De algemene regels zijn ingevolge art. 78 Wet Bopz toepasselijk en staan niet aan deze gang van zaken in de weg. De te beantwoorden vraag is dus, of de systematiek van de Wet Bopz zich tegen een dergelijke deelbeschikking verzet.

2.6. Hoewel in dit geding niet rechtstreeks aan de orde, wil ik eerst kijken naar de situatie die ontstaat wanneer de rechter niet om een procedurele reden (betrokkene niet verschenen), maar om een inhoudelijke reden de vordering niet meteen voor de wettelijke maximumduur wil toewijzen. Het is niet moeilijk voorbeelden te bedenken. Er kan sprake zijn van een tijdelijke terugval in het ziekteverloop of van een ziekte die goed te behandelen is, zodat op het moment van de rechterlijke beslissing weliswaar aan de eisen voor dwangopneming wordt voldaan maar reeds te voorzien is dat de dwangopneming niet lang behoeft te duren. Ook kan er sprake zijn van gevallen waarin weliswaar op het moment van de rechterlijke beslissing aan de eisen voor dwangopneming wordt voldaan, maar onzekerheid bestaat over de uiteindelijke diagnose, het te verwachten verloop van de ziekte of het succes van de voorgenomen behandeling. In het wettelijk stelsel kan de rechter in zulke gevallen een machtiging verlenen met een geldigheidsduur gelijk aan het wettelijk maximum, in de wetenschap dat in de periode vóór het verstrijken van de geldigheidsduur de geneesheer-directeur wettelijk verplicht is aan de betrokkene ontslag uit het ziekenhuis te verlenen zodra deze niet langer geestelijk gestoord of gevaarlijk is dan wel het gevaar op andere wijze kan worden afgewend (zie art. 48 lid 1 onder a Wet Bopz). Indien de geneesheer-directeur niet eigener beweging dit ontslag verleent, kunnen de betrokken patiënt en de andere in art. 49 lid 1 Wet Bopz genoemde personen aan de geneesheer-directeur het ontslag uit het ziekenhuis verzoeken, met de mogelijkheid van beroep op de rechter (art. 49 lid 3). Wil de rechter die over de machtiging beslist de beslissing liever in eigen hand houden, dan kan hij de geldigheidsduur van de machtiging stellen op een kortere periode dan het wettelijk maximum.

2.7. Hoe gaat dit laatste praktisch in zijn werk? De rechter kan in zijn beschikking de duur van de machtiging uitdrukken in dagen, weken of maanden, waarna de administratie van het ziekenhuis mag uitrekenen op welke datum de geldigheidsduur verstrijkt; de rechter is niet verplicht de data van ingang en afloop van de geldigheidsduur van de machtiging in de beschikking te vermelden(13). Ter voorkoming van onzekerheid bij de administratie over de juiste ingangsdatum(14) of om duidelijk te maken dat de rechter bij de bepaling van de geldigheidsduur rekening heeft gehouden met vrijheidsbeneming voorafgaand aan de beschikking (bijv. omdat de vordering te laat is ingesteld en/of de wettelijke beslistermijn is overschreden), kan de rechter de einddatum uitdrukkelijk in de beschikking vermelden. Tegenwoordig is de vermelding in de beschikking van de einddatum van de geldigheidsduur gebruikelijk. Stelt de rechter de geldigheidsduur van de machtiging korter dan het wettelijk maximum, dan zal de officier van justitie daarvan niet wakker liggen: ongeacht of de geldigheidsduur korter dan of gelijk is aan het wettelijk maximum, steeds kan de officier van justitie in de zesde of vijfde week vóór het verstrijken van de lopende machtiging (opnieuw) een machtiging tot voortgezet verblijf vorderen. Administratief is er hoogstens reden tot zorg indien de rechter de geldigheidsduur op minder dan vijf weken stelt, omdat de officier dan de in art. 17 lid 1 Wet Bopz bepaalde termijn niet haalt.

2.8. In al deze gevallen is de beslissing tot verlening van de machtiging definitief. De Wet Bopz staat niet een voorlopige voorziening toe, waarbij de rechter in afwachting van de definitieve beslissing op de vordering een tijdelijke vrijheidsbenemende maatregel oplegt die achteraf, bij de definitieve beslissing op de vordering, weer teruggedraaid of verrekend zou kunnen worden(15). Dit vloeit in de eerste plaats voort uit het legaliteitsbeginsel: geen vrijheidsbenemende maatregel die niet uitdrukkelijk in de wet is voorzien (zie art. 15 lid 1 Grondwet). Tevens vloeit het voort uit het onomkeerbare karakter van een vrijheidsbeneming(16). Kortom, de rechter verleent de machtiging definitief of hij wijst haar af: die beslissing is niet te splitsen.

2.9. Het tijdvak waarvoor de machtiging wordt verleend, is m.i. wèl splitsbaar: een definitieve toewijzing van de gevraagde machtiging voor een gedeelte van de periode waarop de vordering betrekking heeft is op zichzelf niet onverenigbaar met een aanhouding van de beslissing omtrent het resterende gedeelte van die periode. Als de rechtbank zonder meer een termijn bepaalt, geldt het meer of anders gevorderde als afgewezen. Als de rechtbank - zoals in dit geval in de gecorrigeerde tekst van de beschikking, die in cassatie tot uitgangspunt dient - uitdrukkelijk de beslissing op de vordering voor een gedeelte aanhoudt, zal later alsnog een beslissing over dat gedeelte van de vordering moeten worden genomen. De moeilijkheid is evenwel, dat de rechter ingevolge art. 17 lid 2 Wet Bopz behoort te beslissen binnen vier weken na indiening van de vordering (in casu uiterlijk 23 november 2000). Op 24 november 2000 was de rechtbank dus eigenlijk al een dag te laat, terwijl de gedeeltelijke aanhouding van de beslissing in ieder geval meebracht dat de wettelijke beslistermijn niet werd gehaald. Nu is de beslistermijn voor de rechter geen fatale datum: in een geval waarin deze termijn door de rechter na cassatie en verwijzing niet werd gehaald (en ook nooit gehaald had kunnen worden), is reeds aanvaard dat de rechter met overschrijding van de termijn een beslissing nam(17). Niettemin past de door de rechtbank gekozen constructie (tot aanhouding van de beslissing m.b.t. een gedeelte van het tijdvak) reeds om deze reden slecht in het wettelijk stelsel en valt te hopen dat deze constructie geen school maakt. Een tweede bezwaar is dat de uitgestelde beslissing wordt genomen op basis van een geneeskundige verklaring die inmiddels haar actualiteit kan hebben verloren. Ik geef toe dat dit laatste reparabel is in die zin dat de rechter, die na verloop van tijd alsnog een beslissing neemt over het restant van de vordering, actuele aanvullende medische informatie kan inwinnen. In het onderhavige geval is dat ook gebeurd, door de behandelend arts nogmaals te horen. In het onderhavige cassatieberoep wordt over niet inachtneming van de beslistermijn van art. 17 lid 2 Wet Bopz overigens niet geklaagd.

2.10. Mag een dergelijke constructie (deels toewijzen, deels beslissing aanhouden) nu ook worden toegepast wanneer de rechter de betrokkene niet heeft kunnen bereiken voor het verhoor? In beginsel wel. Omdat een buitenwettelijke voorlopige vrijheidsbeneming niet is toegestaan (zie alinea 2.8 hierboven), moet een partiële toewijzing voldoen aan alle eisen die aan een definitieve toewijzing worden gesteld, met inbegrip van het verhoor van de betrokkene tenzij de rechter vaststelt dat deze, hoewel behoorlijk opgeroepen, tot medewerking aan het verhoor niet bereid is (zie alinea 2.2 hierboven). In procedureel opzicht biedt een deelbeschikking dus geen enkel voordeel.

2.11. Uitgaande van de eerste beschikking zoals deze is komen te luiden door de - op zich niet bestreden - herstelbeschikking, diende de rechtbank na 24 november 2000 nog te beslissen op de vordering van de officier van justitie d.d. 26 oktober 2000, voor zover deze betrekking had op het tijdvak na 23 december 2000. De slotsom is, dat de klachten van de onderdelen 3 en 4 geen doel treffen.

2.12. Onderdeel 5 is subsidiair voorgesteld. Het onderdeel bevat een motiveringsklacht over de beschikking van 12 december 2000. In het bijzonder zou in deze beschikking onvoldoende zijn aangeduid voor welk gevaar moet worden gevreesd en waarom dit gevaar niet op andere wijze dan door een gedwongen opneming kan worden afgewend.

2.13. De steller van het onderdeel geeft eigenlijk zelf al het antwoord op de vraag. Het gevaar, dat de rechtbank voor ogen heeft, wordt in de beschikking van 12 december 2000 als volgt omschreven:

"Bij betrokkene ontbreekt ziektebesef en ziekte-inzicht. Betrokkene onttrekt zich regelmatig aan de behandeling en is meerdere malen weggelopen uit het ziekenhuis. Zonder medicatie zal hij psychotisch worden en zal de situatie thuis escaleren. Betrokkene heeft eerder vanuit zijn psychose zijn moeder mishandeld en derden met een mes gestoken."

Deze omschrijving laat geen ruimte voor twijfel, welk gevaar de rechtbank heeft bedoeld. Over een (beweerdelijke) lacune in het oordeel van de behandelend arts ter terechtzitting kan in cassatie niet met vrucht worden geklaagd. Overigens acht ik de zojuist geciteerde motivering van de rechtbank evenmin onbegrijpelijk wanneer deze wordt gelezen in het licht van de geneeskundige verklaring en de ter terechtzitting door de arts gedane mededelingen. De mededeling van betrokkene ter terechtzitting dat hij (beseft dat hij) medicijnen moet slikken en dat die medicijnen goed voor hem zijn, waaraan zijn raadsman de conclusie heeft verbonden dat het gevreesde gevaar kan worden afgewend door het innemen van medicijnen, behoefde de rechtbank niet tot een ander oordeel te brengen. Betrokkene ontkende ter terechtzitting ziek te zijn en de rechtbank overweegt dan ook dat ziektebesef ontbreekt. De te vrezen gevolgen van het onttrekken aan de behandeling worden door de rechtbank helder omschreven. De klacht faalt daarom.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep voor zover gericht tegen de beschikking van 24 november 2000 (zoals gewijzigd bij de herstelbeschikking van 6 december 2000) en tot verwerping van het cassatieberoep voor zover gericht tegen de beschikking van 12 december 2000.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Het adres van de moeder is hetzelfde als het woonadres van betrokkene.

2 Bedoeld zal zijn: de voorlaatste keer. Betrokkene was immers voortvluchtig.

3 Zie voor dit criterium: HR 29 april 1994, NJ 1994, 497; HR 17 december 1999, NJ 2000, 171. Daar wordt ook de eis gesteld dat partijen in de gelegenheid worden gesteld "zich erover uit te laten of inderdaad van een zodanige verschrijving sprake is". Over niet naleving van deze procedurele eis wordt in cassatie niet geklaagd.

4 Op 24 januari 2001, dus ook tijdig m.b.t. de beschikking van 24 november 2000.

5 Laatstelijk: HR 13 oktober 2000, kBJ 2000, 57 m.nt. red.; HR 20 oktober 2000, KBJ 2000, 58.

6 Op de oproeping is krachtens art. 78 Wet Bopz in verbinding met art. 429r Rv het Besluit oproepingen, mededelingen en zendingen verzoekschriftprocedure van toepassing: HR 14 februari 1997, NJ 1997, 378 m.nt. JdB. Dit Besluit laat de rechter ruimte, een (aan de toestand en omstandigheden van de patiënt) aangepaste wijze van oproeping te bepalen. Zie over de wijze van oproepen in Bopz-procedures i.h.a.: Laurs (red.), Handboek Opneming en Verblijf, aant. 2.5 op art. 8 Wet Bopz (Dijkers).

7 Doorgaans wordt in zo'n geval de formule gebruikt: dat de betrokkene "hoewel behoorlijk opgeroepen, niet is verschenen".

8 Vgl. HR 14 februari 1997, NJ 1997, 378 m.nt. JdB. Vereist is dan wel, dat de rechter in de beschikking met zoveel woorden vaststelt dat de bereidheid ontbreekt en op welke gronden dat oordeel is gebaseerd.

9 Zie: art. 9 lid 1 voor de voorlopige machtiging en art. 17 lid 2 voor de machtiging tot voortgezet verblijf.

10 Zie voor een inbewaringstelling van een voortvluchtige patiënt onder vigeur van de Krankzinnigenwet: HR 28 september 1984, NJ 1985, 105. Verlenging van TBS van een voortvluchtige werd aanvaard in EHRM 25 oktober 1990, NJ 1991, 627 m.nt. EAA, mits voldaan wordt aan het bepaalde in art. 5 lid 4 EVRM; zie ook: Laurs (red.), Handboek Opneming en Verblijf, aant. 2.6 op art. 8 Wet Bopz (Dijkers).

11 In het cassatieverzoekschrift wordt geen vernietiging van de herstelbeschikking verzocht. Mogelijk heeft dit te maken met de beperkte mogelijkheden om op te komen tegen een herstelbeslissing: HR 15 mei 1998, NJ 1999, 672 m.nt. HJS; HR 17 december 1999, NJ 2000, 171.

12 Zie over de deelbeschikking: Snijders/Wendels, Civiel appel (1999) nr. 368; S. Boekman, De verzoekschriftprocedure (1996) blz. 53; H.W. Wiersma, Tussenoordelen en eindbeslissingen, diss. 1998, blz. 184-200, i.h.b. blz. 198-199.

13 HR 24 juli 1995, NJ 1996, 606, m.nt. JdB onder nr. 605.

14 In herinnering wordt gebracht de discussie over de ingangsdatum van een voorlopige machtiging volgend op een inbewaringstelling (thans geregeld in het gewijzigde art. 10 lid 4 Wet Bopz).

15 Vgl. voor een inbewaringstelling onder de Krankzinnigenwet: HR 26 september 1986, NJ 1987, 101 m.nt. JBMV, besproken in: Laurs (red.), Handboek Opneming en Verblijf, aant. 1.3 op art. 8 Wet Bopz (Dijkers).

16 Hetzelfde probleem doet zich voor bij andere onomkeerbare maatregelen, zoals bijv. een omgangsregeling: HR 28 april 1989, NJ 1989, 610.

17 HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 125 m.nt. JdB. De gevolgen voor de berekening van de geldigheidsduur van de machtiging kunnen ditmaal buiten beschouwing blijven: de rechtbank heeft in haar beschikking van 12 december 2000 de einddatum gesteld op 23 november 2001 (en niet op 11 december 2001).