Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB2205

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
02968/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB2205
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 301
Wetboek van Strafvordering 417
Wetboek van Strafvordering 417
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 408
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02968/00

Mr Wortel

Zitting: 3 april 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft verzoeker wegens poging tot afpersing in vereniging, diefstal met geweld en bedreiging met geweld in vereniging, diefstal met bedreiging met geweld in vereniging, poging tot diefstal met geweld en bedreiging met geweld in vereniging en afpersing in vereniging, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren.

Voorts heeft het Hof de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen tot de in het arrest genoemde bedragen, en tot dezelfde bedragen telkens de in art. 36f Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opgelegd, met de gebruikelijke clausule dat het voldoen aan één der opgelegde betalingsverplichtingen de andere zal doen vervallen.

2. Namens verzoeker hebben mrs J.M. Sjöcrona en D.V.A. Brouwer, advocaten te ‘s-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Daarin wordt er over geklaagd dat tot bewijs van twee der bewezenverklaarde feiten (de feiten 4 en 9) gebruik is gemaakt van stukken die ter terechtzitting niet zijn voorgelezen en waarvan evenmin de korte inhoud is medegedeeld.

4. In de toelichting op het middel wordt er op gewezen dat de raadsman ter terechtzitting mededeelde dat zijn cliënt een ontkennende verdachte was en er daarom prijs op stelde dat hem per feit de daarop betrekking hebbende stukken zouden worden voorgehouden, en dat het Hof aan dat verzoek kennelijk heeft willen voldoen, nu uit het proces-verbaal der op 9 maart 2000 gehouden terechtzitting blijkt dat de voorzitter ten aanzien van elk van de aan verzoeker tenlastegelegde feiten telkens de korte inhoud heeft medegedeeld van de daarop betrekking hebbende stukken.

5. Uit de toelichting op het middel blijkt voorts dat de stellers daarvan zich bewust zijn van het bepaalde in art. 417 (eerste lid) Sv. Zij menen evenwel dat, nu de raadsman het zo-even bedoelde verzoek heeft gedaan en het Hof daaraan klaarblijkelijk gehoor heeft gegeven, bij verzoeker het vertrouwen is gewekt dat te zijnen laste geen acht geslagen zou worden op hem niet voorgehouden stukken, en dat dit vertrouwen is beschaamd doordat desalniettemin twee verklaringen tot bewijs zijn gebezigd waarvan niet blijkt dat die ter terechtzitting ter sprake zijn gebracht, en waaromtrent verzoeker zich niet (nadrukkelijk) heeft kunnen uitlaten.

Daardoor zou zijn gehandeld in strijd met de strekking van art. 301, vijfde lid, Sv.

6. De twee bewijsmiddelen waarop het middel doelt zijn te vinden in het proces-verbaal van de Regiopolitie Limburg-Noord, dossiernummer 99-001101, achtereenvolgens de bladzijden 215-218 (bewijsmiddel 22 ten aanzien van feit 4), en 309-311 (bewijsmiddel 49 ten aanzien van feit 9).

Blijkens het proces-verbaal der terechtzitting heeft de voorzitter met betrekking tot de op deze feiten betrekking hebbende stukken medegedeeld

“dat in voornoemd proces-verbaal” (door de voorzitter eerder aangeduid als: het proces-verbaal van de politie regio Limburg-Noord, regionale recherche, dossiernummer 99-001101, “Steak-team”, d.d. 22 april 1999) “op de bladzijden 181-254 de stukken zijn opgenomen die betrekking hebben op het onder 4 aan de verdachte tenlastegelegde feit. Het betreft hier de diefstal met geweld, gepleegd op 29 november 1998 in de gemeente Grubbenvorst, waarbij door verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van [slachtoffer 1], in elk geval van een ander of anderen, een hoeveelheid geld is weggenomen (zaak 2).”

en

“dat in voornoemd proces-verbaal op de bladzijden 297-336 de stukken zijn opgenomen die betrekking hebben op het onder 9 aan de verdachte tenlastegelegde feit. Het betreft hier de afpersing, gepleegd op 9 december 1998 in de gemeente Vaals, waarbij verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van drie gouden kettingen en een ring, in elk geval sieraden (zaak 4).”

Vervolgens heeft de voorzitter de korte inhoud medegedeeld van in deze gedeelten van het dossier te vinden aangiften en verklaringen, maar niet van de in het middel bedoelde twee verklaringen.

7. Kennisneming van die twee verklaringen leert dat daarin niet verzoeker wordt aangewezen als bij deze feiten betrokkene. In beide gevallen gaat het om verklaringen van personen die toevallig aanwezig waren in de shoarmazaak, respectievelijk grill-room, toen de overvallen daar werden gepleegd.

In deze verklaringen is een beschrijving te vinden van de wijze waarop die overvallen in hun werk gingen. In zoverre komt aan deze verklaringen als bewijsmiddel overigens niet meer dan aanvullende betekenis toe, aangezien zij ten aanzien van het gedrag van de overvallers een bevestiging vormen van de overige bewijsmiddelen, waarin het verloop van de overvallen op dezelfde wijze wordt beschreven.

Tot die overige bewijsmiddelen behoren telkens verklaringen van mededaders, en die vormen de basis om vast te stellen dat verzoeker bij deze feiten betrokken is geweest. De tot bewijs gebruikte verklaringen van de personen die in de shoarmazaak, respectievelijk de grill-room, aanwezig waren toen de overvallen werden gepleegd en die daarvan het slachtoffer zijn geworden, bevatten niets ten aanzien van de identiteit van de daders.

8. Vastgesteld kan daarom worden dat de voorzitter ook met betrekking tot deze twee feiten de stukken heeft voorgehouden waaruit verzoekers betrokkenheid daarbij rechtstreeks kan blijken. Daarnaast moet worden vastgesteld dat verzoeker bij het in het bijzonder voorhouden van de twee in het middel bedoelde verklaringen in zoverre geen belang gehad kan hebben dat hij de inhoud daarvan niet zou hebben kunnen weerspreken, aangezien hij heeft ontkend bij de door de getuigen beschreven handelingen aanwezig te zijn geweest (en bij de uitvoering van feit 4 inderdaad niet aanwezig is geweest), en het niet gaat om getuigen die verzoeker als betrokkene bij deze feiten hebben aangewezen.

9. Het komt mij dan ook aannemelijk voor dat de voorzitter het verzoek van de raadsman aldus heeft begrepen dat aan verzoeker in het bijzonder de stukken voorgehouden dienden te worden waaruit verzoekers betrokkenheid bij de feiten rechtstreeks zou kunnen worden afgeleid, en die verzoeker, omdat hij die betrokkenheid ontkende, zou wensen te betwisten.

In dat opzicht is aan het verzoek voldaan. Naar mijn inzicht kan daarom niet werkelijk sprake kan zijn van beschaming van het vertrouwen dat verzoeker de gelegenheid zou krijgen om zijn zienswijze te geven omtrent alle stukken waarin het bewijs gevonden zou kunnen worden dat hij als dader bij de feiten betrokken is geweest.

10. Het commentaar dat verzoeker, blijkens het proces-verbaal van de op 9 maart 2000 gehouden terechtzitting, op de hem voorgehouden stukken heeft gegeven wijst er bovendien op dat hij reeds goed op de hoogte was van de inhoud van het dossier. Verzoeker heeft daaruit blijkende feiten weersproken, en gewezen op daarin te vinden aanwijzingen die aan de bewezenverklaring in de weg zouden moeten staan. Waar nodig heeft zijn raadsman nog gewezen op stukken die van belang zouden zijn.

Gelet op het hieruit blijkende inzicht in het dossier dat bij verzoeker en zijn raadsman heeft bestaan, kan er van uit worden gegaan dat zij niet de behoefte hebben gevoeld de in het middel bedoelde verklaringen aan de orde te stellen.

11. Verzoeker is daarom niet in enig te respecteren belang getroffen doordat die ter terechtzitting niet afzonderlijk genoemde verklaringen tot bewijs zijn gebezigd. Ook met het oog op het verzoek om per feit de stukken aan verzoeker voor te houden - door de voorzitter kennelijk aldus opgevat dat met name werd gedoeld op alle stukken waarin verzoeker rechtstreeks als dader van de feiten is genoemd of aangewezen - kan naar mijn oordeel niet worden gezegd dat zich een schending heeft voorgedaan van het bepaalde in art. 301, vijfde lid, Sv.

Daarbij voegt zich nog dat, indien wèl geoordeeld zou moeten worden dat dit voorschrift (naar de strekking ervan beschouwd) is geschonden, cassatie op die grond achterwege zou kunnen blijven, aangezien de desbetreffende verklaringen in het geheel van de bewijsmiddelen ten aanzien van de betrokken feiten van niet meer dan aanvullende betekenis zijn, en de bewezenverklaring ook zonder die verklaringen in toereikende mate gesteund zou blijven door de overige bewijsmiddelen.

12. Het middel faalt en leent zich voor toepassing van art. 101a RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,