Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB2178

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-06-2001
Datum publicatie
30-07-2001
Zaaknummer
C99/203HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB2178
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 373
JWB 2001/173
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr.: C99/203

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 6 april 2001

Conclusie inzake:

[Eiseres]

tegen:

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ NV

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Eiseres tot cassatie (hierna te noemen: [eiseres]) is bij verweerster in cassatie (hierna te noemen: KLM) in dienst geweest van 1 augustus 1965 tot 16 september 1994, laatstelijk als purser. De arbeidsovereenkomst is op laatstgenoemde datum ontbonden door de kantonrechter te Haarlem op verzoek van KLM.

1.2 [Eiseres] heeft in 1990 aan KLM medegedeeld dat zij vermoedde dat de politie haar verdacht van drugssmokkel en dat zij werd geschaduwd door rechercheurs van de politie.

1.3 In 1991 heeft een collega van [eiseres] aan KLM verslag gedaan van mededelingen van [eiseres] tijdens een crewborrel, die inhielden dat zij al geruime tijd verdacht werd van drugssmokkel, dat zij met opzet op een bepaalde vlucht was ingedeeld omdat het om een drugsroute ging, dat zij op een zwarte lijst stond van ongeveer 50 personeelsleden, die door KLM in de gaten werden gehouden in verband met illegale praktijken en dat zij in verband daarmee al maandenlang werd geschaduwd door rechercheurs van de politie.

1.4 Naar aanleiding van deze voorvallen heeft een aantal gesprekken tussen KLM en [eiseres] plaatsgevonden. KLM heeft [eiseres] (zowel in 1990 als in 1992) erop gewezen dat KLM op generlei wijze bij een justitieel of politioneel onderzoek naar haar persoon betrokken was en dat [eiseres] zich van verdere uitspraken over dit onderwerp, die de goede naam van KLM zouden schaden, diende te onthouden.

1.5 Op 7 april 1992 heeft [eiseres] haar jaarlijkse medische keuring ondergaan bij de bedrijfsarts. Op 11 april 1992 heeft het hoofd Dienst Bedrijfsbeveiliging van KLM, [betrokkene A], gesproken met de (inmiddels overleden) advocaat van [eiseres], mr. Korrel.

1.6 [Eiseres] heeft KLM bij inleidende dagvaarding van 3 juni 1994 gedagvaard voor de Kantonrechter te Amsterdam. Volgens [eiseres] heeft de bedrijfsarts aan KLM doorgegeven dat [eiseres] als advocaat mr. Korrel had en heeft het hoofd Dienst Bedrijfsbeveiliging van KLM zich vervolgens buiten medeweten van [eiseres] tot mr. Korrel gewend, waarbij hij grievende uitlatingen jegens [eiseres] heeft gedaan en heeft gedreigd met ontslag. [Eiseres] heeft gevorderd te verklaren voor recht dat KLM, door na te laten haar excuses aan te bieden respectievelijk disciplinaire maatregelen te nemen tegen de betrokken werknemers, jegens haar handelt in strijd met art. 1638z BW, althans met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.

1.7 Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] haar eis gewijzigd en gevorderd te verklaren (voor recht) dat KLM [eiseres] in haar persoonlijke levenssfeer heeft aangetast, dan wel haar recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft geschonden en daarnaast in strijd heeft gehandeld met art. 7A:1638z BW, art. 6:162 BW, art. 8 lid 2 EVRM en art. 11 lid 3 Wet persoonsregistratie.

1.8 Bij vonnis van 1 september 1995 heeft de kantonrechter de vordering afgewezen.

1.9 [Eiseres] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij de arrondissementsrechtbank te Amsterdam. Zij heeft vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gevorderd en toewijzing van haar (gewijzigde) vordering.

[Eiseres] heeft daartoe drie verwijten aan KLM ten grondslag gelegd:

(a) KLM heeft informatie, afkomstig uit het vertrouwelijke gesprek tussen [eiseres] en de bedrijfsarts op 7 april 1992, aangewend voor haar doeleinden;

(b) KLM heeft [eiseres] door bedreiging met ontslag gepoogd te weerhouden bij de betreffende instantie haar beklag te doen over de wijze waarop zij is behandeld;

(c) KLM heeft zich buiten medeweten van [eiseres] tot haar advocaat gewend, waarbij KLM zich in voor [eiseres] buitengewoon negatieve bewoordingen over haar heeft uitgelaten.

1.10 KLM heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Er is vervolgens tweemaal gepleit. [Eiseres] heeft bij pleidooi van 23 oktober 1997 gesteld dat zij door het handelen van KLM materiele en immateriële schade heeft geleden, onder andere bestaande uit gederfde inkomsten en levensvreugde.

Bij pleidooi van 15 januari 1999 heeft zij aangevoerd dat zij als gevolg van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen thans is aangewezen op een bijstandsuitkering. Volgens [eiseres] is dit het directe gevolg van de hiervoor genoemde aan KLM verweten gedragingen. Zij heeft haar schade begroot op totaal ongeveer ƒ 689.000,- (na aftrek van reeds ontvangen bedragen) wegens verlies aan inkomsten, proceskosten en immateriële schade, en een procedure ter begroting van de schade in het vooruitzicht gesteld.

1.11 De rechtbank heeft bij vonnis van 10 maart 1999 het vonnis van de kantonrechter vernietigd en [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

1.12 [Eiseres] heeft tegen dit vonnis tijdig(2) beroep in cassatie ingesteld. KLM heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht en vervolgens zijn nog conclusie van re- en dupliek genomen.

2. Bespreking van het principaal cassatiemiddel

2.1 Het gaat in deze zaak om het belang van [eiseres] bij de door haar gevorderde verklaring voor recht(3).

2.2 Bij pleidooi van 15 januari 1999 heeft [eiseres] aangevoerd dat zij thans leeft van een bijstandsuitkering en dat die situatie de directe oorzaak is van het handelen van KLM naar aanleiding van de kwestie van de medische keuring van [eiseres] op 7 april 1992 en het persoonlijk onderhoud van het Hoofd bedrijfsbeveiliging met de toenmalige raadsman van [eiseres] op 11 april 1992. [Eiseres] stelt dat dit handelen behoort te worden meegenomen in de opvolgende procedure ter bepaling van de schadevergoeding.

2.3. De rechtbank heeft dienaangaande in rechtsoverweging 9 geoordeeld dat uit de stellingname van [eiseres] bij de pleidooien in hoger beroep blijkt dat haar belang is gelegen in het verkrijgen van schadevergoeding wegens inkomensverlies na de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst, gemaakte proceskosten en immateriële schade.

Vervolgens heeft de rechtbank ambtshalve geoordeeld dat het belang van [eiseres] bij de gevorderde verklaring niet is gebleken.

2.4 Het principaal cassatiemiddel betoogt in het eerste onderdeel dat de rechtbank, door [eiseres] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, een onjuiste toepassing heeft gegeven aan art. 3:303 BW. Het derde onderdeel borduurt daarop voort in het betoog dat de rechtbank door aan [eiseres] het belang bij haar vordering te ontzeggen, ten onrechte niet is toegekomen aan een materieel oordeel.

Ik behandel beide onderdelen tezamen.

2.5 In de literatuur wordt in het algemeen aangenomen dat art. 3:303 BW is gebaseerd op het adagium "point d'intérêt, point d'action"(4). Ook in de parlementaire geschiedenis wordt naar dit adagium verwezen(5).

Sommige schrijvers menen daarentegen dat onder andere uit de plaatsing van het artikel in Boek 3 BW en de toelichting op het ontwerp van Boek 3 BW is af te leiden dat het artikel een toepassing is van "de minimis non curat praetor"(6).

2.6 In beide gevallen rijst de vraag of de rechter, zoals de rechtbank hier heeft gedaan, het bestaan van een voldoende belang ambtshalve mag toetsen

Uw Raad heeft in het arrest van 30 maart 1951, NJ 1952, 29 beslist "dat een vordering, welke uitsluitend strekt om bij gewijsde het bestaan van een rechtsverhouding te doen vaststellen, slechts toelaatbaar is, indien de eiser belang er bij heeft, dat zodanige de wederpartij bindende verklaring reeds dadelijk door den rechter wordt gegeven" en "dat de rechter op het aanwezig zijn van zodanig belang, (...) zelfs ambtshalve moet letten".

2.7 In de parlementaire geschiedenis tot art. 3:303 BW wordt onder verwijzing naar dit arrest opgemerkt dat de rechter ambtshalve op de aanwezigheid van een belang heeft te letten "reeds omdat het hier niet alleen gaat om de afweging van de belangen van de betrokken partijen tegen elkaar maar ook om de eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang van de rechtspleging in het algemeen"(7).

2.8 De kwestie van ambtshalve toetsing is wederom aan de orde geweest in het arrest van Uw Raad van 24 november 1978, NJ 1980, 88.

Het lijkt er op dat Uw Raad in dit arrest een tegenovergestelde beslissing heeft gegeven. Volgens Heemskerk mag echter uit dit arrest niet worden afgeleid dat het belangvereiste niet meer ambtshalve mag worden gesteld, maar slechts na een verweer, dat belang zou ontbreken. Zijns inziens kan en moet de rechter ambtshalve optreden waar het ontbreken van een belang van een procespartij de openbare orde raakt. Waar dit niet het geval is, is het ontbreken van een belang bij een rechtsmiddel en een daarop gebaseerd verweer een feitelijk verweer dat de rechter niet mag aanvullen(8).

2.9 Ook Vriesendorp is van mening dat de rechter slechts ambtshalve kan toetsen waar het ontbreken van een belang van een procespartij de openbare orde raakt. Het afwezig zijn van het belang raakt de openbare orde omdat niemand de rechter onnodig moet lastig vallen, zo meent Vriesendorp(9).

2.10 In zijn conclusie vóór het hiervoor genoemde arrest van 24 november 1978, NJ 1980, 88 constateert A-G Franx dat de wetgever met art. 3:303 BW de ambtshalve toetsing heeft willen beperken tot processuele belangen(10). Met betrekking tot het materieel belang blijven partijen domini litis.

2.11 Aldus wordt verwezen naar het, m.i. niet erg heldere, in de literatuur aangebrachte onderscheid tussen processueel en materieel belang. Zo ziet volgens Van Baars art. 3:303 BW uitsluitend op het materieel belang nu het artikel volgens hem een toepassing is van "de minimis non curat praetor", terwijl Van Nispen meent dat het artikel uitsluitend het oog heeft op processuele belangen(11).

Onder materieel belang wordt dan verstaan het belang bij het recht dat door de vordering wordt gediend. De rechter vraagt zich niet af of het voor de eiser enig verschil maakt of zijn vordering al dan niet wordt toegewezen maar of de eiser wel voldoende belang heeft bij de rechtsbetrekking die aan de vordering ten grondslag ligt(12).

Van Baars(13) geeft de volgende omschrijving van het processueel belang:

"Wanneer een eiser een vordering instelt doet hij dit om een of ander belang te dienen, omdat hij in de overtuiging leeft dat dat kan geschieden door het toegewezen krijgen van zijn eis. Waar de rechter nu op let is of, indien de vordering (geheel of gedeeltelijk) wordt toegewezen, dit voor de juridische (en dus feitelijke) positie van de eiser verschil maakt. (...)

Het antwoord op de laatste vraag ligt in belangrijke mate in handen van de eiser zelf: wat vraagt hij en met welke middelen. Het is een processuele vraag. Als deze positief is beantwoord dan kan men zich gaan buigen over de materiële kwestie die in 't geding is gebracht."

2.12 Vriesendorp vindt de opvatting van Van Baars theoretisch moeilijk te verantwoorden en bovendien niet praktisch, omdat een rechtsvordering niet van het recht tot welks bescherming zij dient, kan worden gescheiden. Voorts wijst hij erop dat het grensgebied tussen processueel en materieel belang vloeiend en uiterst vaag is. Een voorbeeld daarvan is het belang bij een declaratoir vonnis(14).

2.13 Ook Heemskerk acht in zijn noot onder HR 24 november 1978, NJ 1980, 88 het verschil tussen het processuele en het materiele belang moeilijk te maken:

"In een proces gaat het altijd om het belang bij de gevraagde uitspraak. Of dat een processueel belang of een materieel belang is, is moeilijk te zeggen, omdat dit geen reële keus is. Een rechterlijke uitspraak heeft zowel processuele als materiele betekenis."

2.14 De rechtbank heeft zich naar mijn oordeel de vraag gesteld of de door [eiseres] ingestelde vordering een procedure rechtvaardigt. Daarmee heeft de rechtbank de openbare orde op het oog gehad, of anders gezegd, het processuele belang getoetst. Op grond van de hiervoor genoemde jurisprudentie mocht zij dit ambtshalve doen.

2.15 Met betrekking tot het belang bij een gevorderde verklaring voor recht heeft Uw Raad in het hiervoor genoemde arrest van 30 maart 1951, NJ 1952, 29(15) overwogen:

"(...) dat ter beoordeling van de vraag of zodanig belang aanwezig is ervan moet worden uitgegaan, dat de eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang der rechtspleging medebrengen, dat de eiser niet willekeurig zijn rechtsvordering mag splitsen in afzonderlijke vorderingen betreffende erkenning van recht en veroordeling tot praestatie, en dat deze splitsing alleen toelaatbaar is wanneer bijzondere omstandigheden dit tot behoud van eisers 's rechten rechtvaardigen".

Deze overweging is herhaald in het arrest van Uw Raad van 27 februari 1998, NJ 1998, 764: de vraag of rechtens voldoende belang bestaat bij een vordering die louter strekt tot het verkrijgen van een verklaring voor recht, moet worden beantwoord door na te gaan wat, gegeven de bijzonderheden van de rechtsverhouding waarin partijen tot elkaar staan, de eisen van een goede procesorde meebrengen.

2.16 In het algemeen wordt het belang van eiser bij een vordering verondersteld. Wie een verklaring voor recht vordert dient zijn belang te bewijzen, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis(16).

Daartoe zal eiser in elk geval moeten stellen welk belang hij precies heeft(17).

2.17 [Eiseres] heeft gesteld dat zij inkomensschade heeft geleden, terwijl zij voorts als schadeposten heeft genoemd proceskosten en immateriële schadevergoeding, welke schade zij in een opvolgende procedure wil vorderen. Daarmee heeft [eiseres] duidelijk gemaakt dat haar belang bij een verklaring voor recht is gelegen in een vordering tot schadevergoeding die zij voornemens is in te stellen indien in de onderhavige procedure voor recht wordt verklaard dat KLM zich jegens haar niet als een goed werkgever heeft gedragen dan wel jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld of KLM in strijd met art. 8 EVRM of art. 11 lid 3 van de Wet Persoonsregistratie heeft gehandeld.

2.18 M.i. heeft [eiseres] aldus voldoende gesteld in de zin van art. 3:303 BW. Ik betrek daarbij de opvatting dat niet al te snel mag worden geconcludeerd tot het ontbreken van belang. Zo merkt Ras(18) in zijn noot onder HR 17 september 1993, NJ 1994, 118 het volgende op:

"Ik proef in dit arrest dat de Hoge Raad vindt dat de "zonder voldoende belang"- bepaling van art. 3:303 met terughoudendheid moet worden gehanteerd. Dit lijkt mij juist. Het afsnijden van een vordering is, gelet op de geschetste gevolgen, een ingrijpend middel. Het is ook onjuist het belang op een goudschaaltje te wegen."

Ook Vranken is deze mening toegedaan(19).

2.19 De rechtbank heeft in rechtsoverweging 13 geoordeeld dat het belang van [eiseres] bij de gevorderde verklaring voor recht niet uit haar stellingen blijkt, terwijl evenmin bijzondere omstandigheden zijn gebleken die het instellen van de vordering rechtvaardigen.

Om tot dit oordeel te komen heeft de rechtbank echter naar mijn oordeel ten onrechte het causaal verband beoordeeld tussen de verweten gedragingen en de in een opvolgende procedure te vorderen materiele en immateriële schadevergoeding. Indien dit causaal verband ontbreekt, dient (in de vervolgprocedure) de vordering te worden afgewezen. Een beoordeling van de haalbaarheid van de nog in te stellen vordering tot vergoeding van schade is in dit stadium echter niet aan de orde. Eerst dient te worden beoordeeld of de stellingen van [eiseres] de gevorderde verklaring voor recht kunnen dragen.

De onderdelen 1 en 3 slagen mitsdien.

2.20 Het tweede onderdeel dat erover klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat [eiseres] door de kantonrechter niet-ontvankelijk in haar vordering had moeten worden verklaard onbegrijpelijk is en niet naar behoren is gemotiveerd, mist feitelijke grondslag.

3. Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel

3.1 Het middel richt zich tegen rechtsoverweging 12 van het vonnis waarin de rechtbank het volgende heeft overwogen:

"Het (...) onvoldoende aannemelijk is dat zij ten tijde van het instellen van de onderhavige vordering aan KLM toe te rekenen (materiële of) immateriële schade leed als gevolg van de drie door haar aan KLM verweten gedragingen (...)"

Volgens het middel geeft de rechtbank daarmee blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu zij had moeten onderzoeken of het belang bestond op het moment van haar uitspraak (ex nunc).

3.2 Dit middel treft doel, zoals blijkt uit het arrest van Uw Raad van 20 januari 1995, NJ 1995, 273 en uit de parlementaire geschiedenis tot art. 3:303 BW(20).

4. Conclusie in het principaal en voorwaardelijk incidenteel beroep

De conclusie strekt tot vernietiging en tot verwijzing ter verdere behandeling.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 10 maart 1999.

2 [Eiseres] heeft op 9 juni 1999 de cassatiedagvaarding doen uitbrengen.

3 Volgens art. 3:302 BW spreekt de rechter op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon omtrent die rechtsverhouding een verklaring van recht uit. De huidige gangbare terminologie is echter "verklaring voor recht", verg. HR 3 januari 1992, NJ 1994, 627 en de conclusie van A-G Langemeijer vóór HR 9 oktober 1998, NJ 1998, 853.

4 Snijders/Ynzonides/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 1997, nr. 58; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 1998, p. 14; Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, 1989, nr. 50; N. Frenk, Kollektieve akties in het privaatrecht, diss. 1994, p. 27 e.v.; L.M.V. Douwes, Geen financieel belang, geen actie? NTBR 2000/6 p. 223.

5 PG NBW (MvA II), 1981, p. 916 en de daar genoemde literatuur en jurisprudentie.

6 J. van Baars, Point d'intérêt, point d'action, diss. 1971, p. 162 en 163. C.J.J.C. van Nispen, Sancties in het vermogensrecht, Deventer, 1988 (Mon. NBW A-11), p. 32.

7 PG NBW (MvA II), 1981, p. 916.

8 W.H. Heemskerk in zijn noot onder HR 24 november 1978, NJ 1980, 88.

9 J.J. Vriesendorp, Ambtshalve aanvullen van rechtsgronden in het burgerlijk geding, diss. 1970, nr. 116.

10 Zie ook Veegens/Korthals Altens/Groen, p. 107.

11 Van Nispen, a.w., p. 31 en 32.

12 Frenk, a.w., p. 33.

13 A.w., p. 160 met verwijzing naar H. Solus et R. Perrot, Droit Judiciaire Privé, Tome I, Paris, 1961.

14 J.J. Vriesendorp, Bespreking van het proefschrift van Van Baars in RMTh 1972, p. 193-200.

15 Zie ook HR 15 december 1939, NJ 1940, 206 en HR 30 juni 1961, NJ 1961, 534.

16 PG NBW, Boek 3, 1981, p. 195.

17 HR 6 oktober 1998, NJ 1998, 569 (rov. 3.5.2) en HR 9 oktober 1998, NJ 1998, 853 (rov. 3.4.3).

18 Instemmend geciteerd door A-G Bakels in zijn conclusie vóór HR 27 november 1998, NJ 1998, 764.

19 In zijn conclusie vóór HR 20 januari 1995, NJ 1995, 273. Hij verwijst daartoe naar de volgende uitspraken: HR 19 maart 1993, NJ 1993, 304; HR 16 april 1993, NJ 1993, 444; HR 14 mei 1993, NJ 1993, 445; HR 3 september 1993, NJ 1993, 714 en HR 18 februari 1994, NJ 1994, 406.

20 PG NBW, p. 915, 3e alinea.