Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB2018

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-2001
Datum publicatie
25-07-2001
Zaaknummer
C00/276HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB2018
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 39
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 367
NJ 2001, 434
RvdW 2001, 110
VR 2001, 152
JWB 2001/159
JAR 2001/129
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C00/276

Zitting d.d. 23 maart 2001

Conclusie mr Spier

inzake

Jemo Metaal B.V.

(voorheen: Jemo apparatenbouw B.V.

(hierna: Jemo)

tegen

[Verweerster]

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten

1.1 In cassatie kan van de volgende, in het vonnis van de Rechtbank Alkmaar van 4 maart 1999, in rov. 1.1 vastgestelde, feiten worden uitgegaan.(1)

1.2 [Verweerster] is de weduwe van [betrokkene A] die op 30 december 1989 is overleden aan de gevolgen van een hem op 18 december 1989 overkomen ongeval.

1.3 Op het moment dat het ongeval plaatsvond, voerde [betrokkene A] werkzaamheden uit voor Jemo, bij wie hij als werknemer in dienst was.

1.4.1 [Verweerster] heeft in een eerder stadium Jemo gedagvaard voor de Kantonrechter te Hoorn. Zij heeft in die procedure aanvankelijk een vordering ingesteld tot vergoeding van de schade geleden door de - toen nog minderjarige - kinderen van haar en de overledene. Tot een einduitspraak is het niet gekomen omdat deze kwestie is "geregeld".

1.4.2 In een later stadium in die procedure heeft [verweerster] ook de door haar zelf geleden schade gevorderd. Zij is daarin door de Kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard (rov. 1.2 - 1.6 van het vonnis van de Rechtbank). De Kantonrechter grondde dit oordeel hierop dat

"kleurverschieting tijdens een lopend geding strijdig is met het formele burgerlijk procesrecht" (zie rov. 2.2 van het vonnis van de Kantonrechter Hoorn van 30 maart 1998 in samenhang met rov. 2.4 van zijn vonnis van 28 juli 1997).(2)

2. Procesverloop

2.1 [Verweerster] heeft in deze procedure, bij dagvaarding van 11 mei 1998, gevorderd dat Jemo zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van f 244.233. Zij heeft daartoe gesteld dat zij ten gevolge van het overlijden van haar man levensonderhoud derft. Blijkens een bij cve overgelegde berekening - waarnaar in de dagvaarding wordt verwezen - gaat het om schade vanaf 1 januari 1990.

2.2 Jemo heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van [verweerster] is verjaard. Voorts heeft zij betoogd dat zij niet aansprakelijk is voor de schade omdat het ongeval het gevolg was van bewuste roekeloosheid van [betrokkene A]. Tenslotte heeft Jemo de hoogte van het door [verweerster] gevorderde bedrag betwist.

2.3 De Rechtbank heeft bij vonnis van 4 maart 1999 het beroep van Jemo op verjaring verworpen (rov. 3.2). Voorts oordeelde de Rechtbank dat "bewuste roekeloosheid" aan de zijde van [betrokkene A] niet kan worden aangenomen (rov. 3.3). De Rechtbank achtte het raadzaam met partijen te overleggen over de uitgangspunten van een schadeberekening, zulks met het oog op een beoogde voorlichting door een deskundige. Daartoe gelastte zij een comparitie (rov. 3.5).

2.4 Jemo heeft van het vonnis van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. [Verweerster] heeft vervolgens - voorzover thans van belang - incidenteel geconcludeerd dat Jemo daarin niet-ontvankelijk is. Jemo heeft uiteengezet waarom het hoger beroep wél mogelijk was. Bij de bespreking van het eerste onderdeel zal ik ingaan op de daartoe door haar bijgebrachte gronden.

2.5 Het Hof Amsterdam heeft in zijn arrest van 10 augustus 2000 een oordeel gegeven "op het incident". Ten aanzien van de ontvankelijkheid van Jemo in hoger beroep overweegt het Hof dat de vordering van [verweerster] "betrekkelijk is tot een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 39 onder 2o Wet RO, nu zij immers berust op de arbeidsovereenkomst tussen [betrokkene A] en Jemo" (rov. 2.2).

2.6 Vervolgens heeft het Hof in rov. 2.2 en 2.4 overwogen:

"Dat [verweerster], geen partij bij die arbeidsovereenkomst, toch op grond van die overeenkomst de werkgever van haar overleden man kan aanspreken, ter zake van de werkgeversaansprakelijkheid zoals voorzien in artikel 7:658 BW, tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud, volgt uit het bepaalde bij artikel 6:108 BW. Vóór 1 april 1997 volgde dat (mede) uit het bepaalde bij artikel 7A:1638x lid 3 BW (oud). Het feit dat deze laatste bepaling niet is teruggekeerd in de nieuwe regeling van de arbeidsovereenkomst, brengt niet mee dat de aansprakelijkheid van de werkgever ter zake van een bedrijfsongeval niet langer op de arbeidsovereenkomst zou berusten. (...)

Het bepaalde bij artikel 6:108 BW strekt ertoe dat onder meer de (niet van tafel en bed gescheiden) echtgenoot van een overledene de in het artikel omschreven schadevergoeding kan vorderen van degeen die (voor de gebeurtenis waardoor het overlijden teweeg is gebracht) jegens de overledene op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding aansprakelijk was. (...) De echtgenoot van de overledene die - sedert 1 april 1997 - ageert op grond van de artikelen 6:208 jo 7:658 BW, stelt - nog steeds - een vordering op grond van een arbeidsovereenkomst in, ten aanzien waarvan de kantonechter dus bevoegd is."

2.7 Op grond van het bovenstaande heeft het Hof geoordeeld dat de vordering van [verweerster] tot de kennisneming van de Kantonrechter behoorde. [Verweerster] heeft de vordering echter bij de Rechtbank aanhangig gemaakt en Jemo heeft geen beroep gedaan op de onbevoegdheid van de Rechtbank. Zodoende heeft de Rechtbank de zaak aan zich gehouden en in hoogste feitelijke instantie recht gedaan (rov. 2.3). Een en ander leidt er, volgens het Hof, toe dat Jemo in haar hoger beroep niet-ontvankelijk is.

2.8 Vervolgens heeft het Hof de zaak terugverwezen naar de Rechtbank Alkmaar(3). Het Hof heeft, ter voorkoming van verdere vertraging, bepaald dat cassatieberoep slechts tegelijk met de einduitspraak kan worden ingesteld (rov. 2.5).

2.9 Jemo heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Zij heeft nog een "Akte van rectificatie" ingediend. [Verweerster] heeft zich deels gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad en voor het overige verweer gevoerd. Partijen hebben afgezien van het geven van een s.t.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen. Onderdeel 2, waarin Jemo erover klaagt dat het Hof ten onrechte - naar het onderdeel veronderstelt geïnspireerd door art. 401a tweede lid Rv. - heeft verklaard dat cassatieberoep slechts tegelijk met de einduitspraak kan worden ingesteld, raakt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van Jemo. Dit onderdeel zal daarom als eerste worden besproken. [Verweerster] heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

3.2 Het onderdeel voert aan dat 's Hofs beslissing ten deze niet op de wet is gegrond en derhalve "niet verbindend" is. Volgens Jemo gaat het hier om een einduitspraak.

3.3.1 Met juistheid neemt Jemo tot uitgangspunt dat het arrest van het Hof waarbij zij in hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard als een einduitspraak in het incident is te kwalificeren.(4)

3.3.2 Dat geldt in dit geval zeer letterlijk: omdat het Hof van oordeel was dat Jemo niet-ontvankelijk was, kwam een inhoudelijke beoordeling van de zaak niet meer aan de orde. Anders gezegd: 's Hofs arrest behelst de enige beslissing die het Hof ten deze zal geven.

3.4 Art. 401a lid 2 Rv. schept de mogelijkheid om te bepalen dat beroep in cassatie niet dan tegelijk met de einduitspraak kan worden ingesteld. De opvatting van Jemo dat het Hof zijn oordeel heeft gebaseerd op art. 401a lid 2 Rv. lijkt mij eveneens juist. Een andere juridische basis kan ik trouwens niet bedenken. De vraag rijst derhalve of art. 401a lid 2 Rv. een toereikende basis is voor 's Hofs beslissing op dit punt.

3.5 Art. 401a lid 2 Rv is alleen van toepassing op tussenuitspraken.(5) Dit volgt reeds uit de tekst van art. 401a tweede lid Rv., zo nodig gelezen in samenhang met het eerste lid. In lid 2 wordt verondersteld dat er na de incidentele of interlocutoire uitspraak nog een einduitspraak volgt. Het ziet niet op de situatie dat de uitspraak in het incident een einduitspraak is. In zo'n geval - dat zich, zoals vermeld onder 3.3.2, hier voordoet - kan ingevolge artikel 398 Rv. direct cassatie worden ingesteld.

3.6 Deze opvatting vindt steun in de rechtspraak van Uw Raad. Daarin is geoordeeld dat art. 401a lid 2 Rv. geen toepassing kan vinden bij einduitspraken.(6) Wil de rechter een tussentijdse hogere voorziening verijdelen, dan kan hij zich onthouden van het doen van een einduitspraak.(7) Het is duidelijk dat die laatste mogelijkheid zich in een situatie als geschetst onder 3.3.2 niet kan voordoen, hetgeen eens te meer onderstreept dat aan art. 401a lid 2 Rv. ten deze geen toepassing kan worden gegeven.

3.7 Een andersluidende opvatting zou er (bovendien) toe leiden dat we in het procesrechtelijke moeras terecht zouden komen wanneer een der partijen ontevreden zou zijn met het eindvonnis van de Rechtbank. Welk rechtsmiddel zou zij daartegen - gesteld het zou openstaan en gesteld dat in casu toepassing zou kunnen worden gegeven aan art. 401a lid 2 Rv. - moeten aanwenden? Hoger beroep, hoewel inmiddels vaststaat dat het Hof meent dat zulks niet kan? Cassatieberoep, hoewel een wettelijke basis daarvoor ontbreekt?

3.8 Uit het bovenstaande volgt dat het Hof ten onrechte heeft verklaard dat Jemo slechts tegelijk met de einduitspraak cassatieberoep in kan stellen. Zulks brengt mee dat onderdeel 2 gegrond is en dat Jemo in haar cassatieberoep kan worden ontvangen. Jemo heeft voor het overige geen belang bij deze klacht.

3.9 Het eerste onderdeel behelst de klacht dat het Hof Jemo ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep. Jemo stelt in dit verband dat de beoordeling van de in artikel 6:108 eerste lid BW geregelde vordering tot schadevergoeding in beginsel (voorzover deze ligt boven de financiële grens van artikel 38 Wet RO) tot de bevoegdheid van de Rechtbank behoort.

3.10 De vraag of ten deze de oude regel van aanvankelijk art. 1638x lid 3 BW, later art. 7A:1638x lid 3 BW dan wel het huidige art. 7:658 BW in samenhang met art. 6:108 BW toepassing vindt, behoeft geen beantwoording. Immers bestaat, voorzover met het oog op de beoordeling van de ingestelde vordering van belang, geen relevant onderscheid tussen deze bepalingen.

3.11 De vraag of op het stuk van de rechterlijke bevoegdheid - kort gezegd - het oude art. (7A:) 1638x lid 3 BW dan wel het huidige art. 6:108 in samenhang met art. 7:658 BW moet worden toegepast, kan eveneens blijven rusten. Immers bestaat tussen beide bepalingen geen verschil. Dat uitwerkend, kom ik bij de bespreking van de klacht ten gronde. Hierbij verdient opmerking dat beide partijen met juistheid aannemen dat het onder de vigeur van art. (7A:) 1638x BW mogelijk was dat de in lid 3 bedoelde nabestaanden een vordering instelden bij de Kantonrechter.

3.12.1 Het stelsel dat Jemo ingang wil doen vinden, zou m.i. tot wonderlijke resultaten leiden.

3.12.2 In de eerste plaats zou de vordering van het slachtoffer zelf en die van zijn nabestaanden door een andere rechter moeten worden beoordeeld. Dat ligt op zich al niet bijster voor de hand. Het zou er bijvoorbeeld toe leiden dat twee procedures naast elkaar kunnen lopen; een van de nabestaanden in hun hoedanigheid van erfgenaam (aldus bij de Kantonrechter de procedure voortzettend van de overledene) en een waarin zij hun eigen schade (in de zin van art. 6:108 BW) vorderen.

3.12.3 Daar komt nog bij dat de kans niet denkbeeldig is dat de uitkomsten in de verschillende procedures, aldus te werk gaande, zullen verschillen. Daarbij valt te bedenken dat procedures over arbeidsongevallen en beroepsziektes behoren tot het werkterrein van de Kantonrechter en in appèl van de Rechtbank. Door de veelheid van zaken zullen zij over de beoordeling van de feiten - die met allerlei variaties telkens terugkeren - allicht gefundeerde opvattingen hebben ontwikkeld. Hoven (de appèlcolleges van de Rechtbanken) worden slechts zelden met dit soort zaken geconfronteerd.(8)

3.13 Kortom: er moeten goede argumenten zijn om een stelsel waaraan zulke evidente nadelen kleven als geldend recht te aanvaarden. Zijn deze er? Ik loop de argumenten van Jemo - met name te vinden in de memorie van antwoord in het incident - na:

1) Jemo hamert er in de eerste plaats op dat het in casu gaat om een vordering in de zin van art. 6:108 BW; in dat verband wijst zij er op dat het daar gaat om een zelfstandige verplichting tot schadevergoeding;

2) in het verlengde daarvan betoogt zij dat de wetgever welbewust zou hebben gekozen voor afschaffing van het derde lid van het oude art. (7A): 1638x BW; zij beroept zich daarbij, naar ik begrijp, op een passage in de MvT;

3) het onderdeel voegt hieraan nog een appèl op het "cruciale beginsel van de rechtszekerheid" toe. In dat verband wordt aangedrongen dat het "onzeker en onzuiver" zou zijn om "soms wel en soms niet de onderliggende rechtsverhouding" in aanmerking te nemen.

3.14.1 In de bepalingen van afdeling 10 van titel 1 van boek 6 BW zijn de beginselen ten aanzien van de inhoud en omvang van alle wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding opgenomen. Deze afdeling ziet evenwel niet op de grondslag voor die verbintenissen tot schadevergoeding.(9)

3.14.2 Een andere vraag is waarop de aansprakelijkheid die afd. 6.1.10 BW in beeld doet komen is gebaseerd. Die vraag wordt niet beheerst door afd. 6.1.10 BW.(10) Geheel in overeenstemming daarmee is in de Toelichting Meijers bij art. 6:108 BW vermeld dat de grondslag van de vordering op grond van (wat thans is) art. 6:108 is gelegen in de krenking van het rechtsgoed van de overledene.(11) Een vereiste voor toepasselijkheid is dat de dood is veroorzaakt door een gebeurtenis waarvoor de aangesproken persoon aansprakelijk is. Daarbij is onverschillig of dat een aansprakelijkheid is op grond van bijvoorbeeld art. 6:162 BW of art. 7:658 BW. Evenmin doet daarbij ter zake welke rechter bevoegd is. Met deze laatste vragen houdt art. 6:108 BW zich niet bezig.

3.15 De eerste poot (3.13 sub 1) die Jemo onder haar redenering wil schuiven, houd ik mitsdien voor ondeugdelijk. Dat [verweerster] een eigen vorderingsrecht heeft(12) doet daaraan, als gezegd, niet af omdat dit langs de vraag waarop het aankomt heen gaat. Die vraag is - in essentie - of [verweerster] een vordering heeft die zij kan baseren op de arbeidsovereenkomst van haar overleden man of dat zij een vordering moet gronden op art. 6:162 BW (of het daarmee overeenkomende art. 1401 (oud) BW). Ik kom daarmee op de tweede poot van het betoog van Jemo (3.13 sub 2).

3.16 Naar ik begrijp(13), beroept Jemo zich ter ondersteuning van haar betoog op de volgende passage in de MvT:

"In het voorontwerp kwam, anders dan in het huidige artikel 1638x, geen bepaling voor over de aansprakelijkheid van de werkgever tegenover de nabestaanden van een overleden werknemer. Het niet opnemen van zo'n bepaling was niet nader toegelicht. Ook in het thans voorgestelde artikel is geen afzonderlijke regeling van dit onderwerp opgenomen. Dat is niet gedaan omdat de algemene regeling van artikel 108 van Boek 6, die niet meer slechts de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, zoals het oude artikel 1406, betreft, maar ook de aansprakelijkheid uit overeenkomst, voldoende is"(14) (cursivering JS).

3.17 Waarom deze passage koren op de molen van Jemo zou zijn, is mij niet goed duidelijk. Al helemaal ontgaat mij waarom hieruit zou voortvloeien dat de wetgever "welbewust" van de oude regeling is afgeweken.

3.18 Met name uit de gecursiveerde passage blijkt m.i. dat de wetgever expliciet het oog heeft gehad op een vordering uit overeenkomst. Daarmee kan niets anders zijn bedoeld dan: een uit de arbeidsovereenkomst met de overledene.

3.19 Uit de wetsgeschiedenis kan ik - evenals klaarblijkelijk mr Meijer - ook overigens geen steun putten voor het standpunt van Jemo.

3.20 Met name ook tegen de achtergrond van hetgeen hierboven onder 3.12 werd betoogd, is er m.i. geen aanleiding om aan te nemen dat de wetgever heeft gewild dat de Kantonrechter zich moet buigen over vorderingen ter zake van arbeidsongevallen en beroepsziektes van de werknemer zelf en de Rechtbank over vorderingen als bedoeld in art. 6:108 lid 1 BW.

3.21 De onder 3.13 sub 3 weergegeven argumentatie leidt niet tot een andere slotsom. Het oude stelsel - dat de wetgever klaarblijkelijk en op overtuigende grond heeft willen bestendigen - leidde allerminst tot rechtsonzekerheid. Die onzekerheid wordt trouwens sowieso weggenomen wanneer Uw Raad deze kwestie beslecht, ongeacht of dat gebeurt door zich te bekeren tot de opvatting van het Hof of tot die van Jemo.

3.22 Evenmin ben ik gevoelig voor de door Jemo getrokken vergelijking met een borgtocht met betrekking tot bepaalde overeenkomsten.(15) Wat er ook zij van dat betoog voor de daarin vermelde gevallen, de vergelijking gaat niet op omdat er in casu slechts één oorzaak is waaruit de schade is voortgevloeid (de arbeidsovereenkomst) en die ene oorzaak tevens de juridische basis vormt van de vordering.

3.23 Het eerste onderdeel houd ik mitsdien voor ongegrond.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Ook het Hof is klaarblijkelijk daarvan uitgegaan. De overige door de Rechtbank vastgestelde feiten zijn in cassatie niet relevant.

2 De vonnissen zijn als prod. 17 en 20 gehecht aan de cve van [verweerster].

3 Zie het "herstel"-arrest van het Hof Amsterdam van 21 september 2000. Aanvankelijk is de zaak per abuis verwezen naar de Rechtbank Amsterdam.

4 Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht (1998) blz. 99.

5 Hugenholtz/Heemskerk, a.w. blz. 228.

6 HR 7 december 1990, NJ 1992, 85 HJS rov. 3.1, 3.4 en 3.5 en HR 13 januari 1995, NJ 1995, 482. Zie voor nadere motivering en uitwerking de conclusie van A-G Asser voor eerstbedoeld arrest onder 2.13 e.v.

7 HR 7 december 1990, NJ 1992, 85 HJS rov. 3.5.3 en HR 13 januari 1995, NJ 1995, 482, rov. 3.5.3.

8 Ik zeg hiermee allerminst dat de ene of de andere uitkomst of benadering beter of slechter is; een uitspraak die in abstracto ook weinig zinvol zou zijn. Ik probeer slechts te motiveren waarom de uitkomst zou kunnen afwijken.

9 Parlementaire geschiedenis Boek 6 blz. 331/2; zie voorts Schadevergoeding (Lindenbergh), Inleiding, aantekening 13 en Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding (Hartlief) 2000 nr 197/8, zomede Asser-Hartkamp I 2000 nr 404.

10 Asser-Hartkamp I nr 404.

11 Parlementaire geschiedenis Boek 6 blz. 393.

12 Hetgeen op zich juist is: HR 28 april 2000, NJ 2000, 431 ARB rov. 3.6.

13 Dit valt af te leiden uit haar memorie van antwoord in het incident onder 8 in samenhang met de incidentele "conclusie" van [verweerster] blz. 2 in fine.

14 TK, zitting 1993-1994, 23438 nr 3 blz. 40.

15 Memorie van antwoord in het incident onder 11. Het onderdeel beoogt kennelijk daarop terug te grijpen waar wordt gerept van een parallel met "alle denkbare "onderliggende" (...) aansprakelijkheden."