Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB1947

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-06-2001
Datum publicatie
19-02-2002
Zaaknummer
01786/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB1947
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 138b
Wetboek van Strafvordering 328
Wetboek van Strafvordering 330
Wetboek van Strafvordering 365a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 368
NJ 2001, 500
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01786/99

Mr Wortel

Zitting: 13 maart 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een schietwapen in de vorm van een pistool” en “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verzoeker heeft mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat art. 330 Sv is geschonden doordat in het arrest niet is beslist op het verzoek van de verdediging getuigen te horen.

Bedoeld zal zijn dat niet is beslist op een overeenkomstig art. 328 Sv gedaan verzoek gebruik te maken van de in art. 315 Sv gegeven bevoegdheid, hetgeen ingevolge art. 330 Sv nietigheid ten gevolge heeft.

4. Blijkens de aan het proces-verbaal der terechtzitting gehechte pleitaantekeningen is in hoger beroep namens verzoeker onder meer betoogd:

“Ik stel voorop dat zich in deze zaak in volle omvang voordoet de situatie die de Hoge Raad schetste in zijn arrest van 1 februari 1994, NJ 1994, 427.

Indien een getuige ten overstaan van de Rechter-Commissaris belastende verklaringen die bij de politie zijn afgelegd, terugneemt mogen die verklaringen bij de politie afgelegd niet voor het bewijs worden gebezigd tenzij bedoelde getuigen alsnog ter zitting van de feitenrechter worden gehoord. De Rechtbank overweegt dat de situatie als in het arrest geschetst zich in de onderhavige zaak niet voordoet nu er sprake zou zijn van substantieel steunbewijs maar als enige steunbewijsmiddelen vallen slechts die te duiden die ik zojuist met u heb besproken en die kunnen daartoe niet dienen.

Ik ben van oordeel dat gelet op het feit dat bijna alle getuigen de belastende verklaring voor cliënt bij de Rechter-Commissaris niet langer hebben gehandhaafd met zich brengt dat wil uw Hof voor het bewijs van de bij de politie afgelegde verklaringen van die getuigen gebruik maken, die getuigen ter zitting moeten worden gehoord. Indien u dat met mij van oordeel bent dan meen ik dat bij het aannemen van de juistheid van dit betoog de noodzaak tot het horen van die getuigen is gegeven en de verdediging doet dan ook uitdrukkelijk het verzoek tot het horen van die getuigen.”

en (na beschouwingen omtrent diverse verklaringen):

“Ik ben derhalve van oordeel dat uit dit samenstel van bewijsmiddelen niet de door de Rechtbank getrokken conclusie voor de hand ligt dat cliënt zich in die periode tezamen in vereniging met [betrokkene A] heeft schuldig gemaakt aan het dealen in harddrugs. Ik meen dus dat cliënt moet worden vrijgesproken.

Subsidiair ben ik van oordeel dat zich de situatie voordoet die ik u eerder beschreef. Indien u dat met mij van oordeel bent, meen ik dat de noodzaak is gebleken het onderzoek in deze zaak bij tussenarrest te heropenen en alsnog te bevelen dat bedoelde getuigen hier ter zitting worden gehoord.”

5. Het arrest is gewezen op 16 april 1999. In de aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen, welke aanvulling is vastgesteld op 9 augustus 1999, is overwogen:

“Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep, onder verwijzing naar HR 1 februari 1994, NJ 94/427, als verweer gevoerd dat er geen sprake is van substantieel steunbewijs zodat van het bewijs slechts verklaringen van getuigen, die ten overstaan van de rechter-commissaris op hun bij de politie afgelegde belastende verklaringen zijn teruggekomen, kunnen worden gebruikt indien die getuigen alsnog ter terechtzitting in hoger beroep zijn gehoord, ten aanzien van welk horen door de verdediging dan ook een verzoek is gedaan.

Het hof verwerpt dit verweer, nu naast de verklaringen van de in het verweer bedoelde getuigen de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Dientengevolge wijst het hof het vorenomschreven verzoek tot het horen van voornoemde getuigen ter zitting in hoger beroep af.”

6. In de toelichting op het middel is het standpunt betrokken dat de beslissing op een door de verdediging ter terechtzitting gedaan verzoek opgenomen dient te worden in de uitspraak, en niet in de aanvulling van die uitspraak met de bewijsmiddelen. Nu in het arrest - zoals dat op 16 april 1999 is uitgesproken - niet op het verzoek van de verdediging is beslist, zou het arrest vernietigd moeten worden.

7. Uitgangspunt zal naar mijn inzicht moeten zijn dat, voor zover niet reeds ter terechtzitting is beslist op een verzoek of vordering als bedoeld in art. 328 Sv, de beslissing op dat verzoek of die vordering opgenomen zal moeten worden in de uitspraak zoals die binnen de in art. 345 Sv gestelde termijn wordt gedaan.

De aanvulling op de einduitspraak als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv is in beginsel niet een geschikt instrument om de (niet reeds ter terechtzitting genomen) beslissing op zo een verzoek of vordering weer te geven. De in art. 365a Sv geopende mogelijkheid een uitspraak aan te vullen ziet uitsluitend op de bewijsmiddelen en de daarmee samenhangende overwegingen die ertoe strekken duidelijk te maken op welke gronden de rechter aan de bewijsmiddelen betekenis heeft toegekend. Laatstbedoelde overwegingen kunnen worden aangemerkt als (vastleggingen van) de redengevende feiten en omstandigheden waarop het derde lid van art. 359 Sv doelt, vgl. HR NJ 1999, 387. In beginsel kan ook de verwerping van gevoerde bewijsverweren, waarmee is beoogd de bruikbaarheid of de betrouwbaarheid van hetgeen tot bewijs kan dienen aan te vechten, in de aanvulling met de bewijsmiddelen worden opgenomen.

8. Overigens - derhalve afgezien van de onderbouwing van de bewezenverklaring met de bewijsmiddelen en de met de waardering daarvan rechtstreeks samenhangende overwegingen - zal een einduitspraak, zoals die ter openbare terechtzitting wordt uitgesproken en op dat moment vastgesteld behoort te zijn, aan alle vereisten moeten voldoen. Zij dient dus alle beslissingen te bevatten die genomen moeten zijn alvorens een einduitspraak bereikt mag worden.

9. Dat geldt voor de beslissing op verweren, voor zover op straffe van nietigheid te nemen (vgl. HR NJ 2000, 71 en HR NJ 2000, 523). Mijns inziens moet dit ook gelden voor beslissingen op ter terechtzitting gedane verzoeken, voor zover het gaat om verzoeken die naar hun aard niet meebrachten dat daarop nog voor het sluiten van de behandeling ter terechtzitting een beslissing werd genomen.

10. Hier treedt evenwel ook het zwakke punt van de nu opgeworpen klacht aan het licht. Doorgaans zal de rechter genoopt zijn op verzoeken van de verdediging nog voor het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting te beslissen. Indien dat niet het geval is wijst dat er op dat het verzoek in voorwaardelijke vorm is gedaan, uitsluitend voor geval de rechter de verdediging niet in een bepaald standpunt wenst te volgen.

Dat zich ook hier voor. Het hierboven weergegeven betoog behelsde niet dat de verdediging van oordeel was dat personen hoe dan ook als getuige ter zitting moesten verschijnen. De verdediging heeft aangevoerd dat eerder afgelegde, voor verzoeker belastende, verklaringen niet tot bewijs zouden mogen meewerken, tenzij degenen die deze verklaringen hebben afgelegd ter zitting zouden worden gehoord. Alleen voor het geval het Hof met de raadsman van oordeel zou zijn dat zich de situatie voordeed waarop is gedoeld in HR NJ 1994, 427 was in het verweer, in subsidiaire vorm, het verzoek opgenomen getuigen te horen. Daarbij had de raadsman het oog op het geval dat in dit arrest is omschreven in rechtsoverweging 6.3.3. onder III.2: de situatie waarin het enige bewijsmiddel waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het hem verwetene rechtstreeks kan volgen wordt gevormd door een tijdens het opsporingsonderzoek in een proces-verbaal vastgelegde, voor de verdachte belastende verklaring, terwijl degene die deze verklaring heeft afgelegd daarop nadien, ten overstaan van een rechter, is teruggekomen.

11. De in dit middel gewraakte werkwijze verdient naar mijn inzicht geen navolging. De (afwijzende) beslissing op alle ter terechtzitting gedane, herkenbare, verzoeken in de zin van art. 328 Sv zal zo snel mogelijk aan de verdediging bekend gemaakt moeten worden. Dit brengt mee dat, indien op een verzoek niet reeds tijdens het onderzoek ter terechtzitting een beslissing behoefde te worden genomen, de afwijzing daarvan behoort te worden opgenomen in de (verkorte) uitspraak.

De verdediging heeft daarbij eenzelfde belang als bij het vernemen, ter gelegenheid van de uitspraak, van de gronden waarop een verweer is verworpen: mede op grond daarvan zal zij moeten beoordelen of het zin heeft een rechtsmiddel in te stellen, en daarbij is de verdediging aan een termijn gebonden.

12. In het onderhavige geval, waarin het verzoek in subsidiaire, voorwaardelijke, vorm was gedaan, en de beslissing daarop geheel afhankelijk was van de gegrondheid van het in primaire vorm gevoerde bewijsverweer (terwijl het Hof zeker de vrijheid had de verwerping van dat bewijsverweer in de aanvulling op het arrest op te nemen), meen ik evenwel niet dat het weergeven van de beslissing op het verzoek in de aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen, in plaats van in het verkort arrest, tot nietigheid van de bestreden uitspraak moet voeren.

De verdediging heeft bij het vernemen van de uitspraak daaruit kunnen afleiden, niet alleen dat het in subsidiaire vorm gedane verzoek was afgewezen, maar ook dat die afwijzing haar grond moest vinden in de overweging dat het Hof, anders dan door de raadsman bepleit, niet de in HR NJ 1994, 427, r.o. 6.3.3. onder III-2 omschreven situatie aanwezig achtte.

Ten overvloede - want daartegen richt de klacht zich niet - wijs ik er op dat ’s Hofs oordeel dat het (geheel of ten dele) bij de rechter-commissaris terugkomen op verklaringen door de personen (althans sommige van hen) die bij de politie voor verzoeker belastend hadden verklaard niet kon meebrengen dat die verklaringen voor het bewijs onbruikbaar zouden zijn voor zover die personen niet als getuigen ter zitting zouden worden opgeroepen, gelet op hetgeen overigens ten bezware van verzoeker kon strekken, zoals daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt, en mede met het oog op HR NJ 1999, 73, geenszins onbegrijpelijk genoemd kan worden.

13. Het middel treft derhalve geen doel.

14. In het tweede middel wordt erover geklaagd dat bij de behandeling van dit cassatieberoep de redelijke termijn is overschreden.

15. Het cassatieberoep is ingesteld op 22 april 1999. De daarop betrekking hebbende stukken zijn bij de Hoge Raad ontvangen op 26 oktober 1999, derhalve binnen de termijn van acht maanden als bedoeld in HR NJ 2000, 721, r.o. 3.3.

De zaak diende voor het eerst ter zitting van de Hoge Raad van 23 januari 2001. In verband daarmee kan deze conclusie eerst heden, 13 maart 2001, worden genomen, terwijl een uitspraak niet vóór de zitting van 17 april 2001 te verwachten is.

16. Ervan uitgaande dat ook wat de behandeling in cassatie betreft als richtsnoer genomen kan worden dat een tijdsverloop van méér dan 24 maanden tussen het instellen van het rechtsmiddel en de uitspraak (behoudens omstandigheden die een langer tijdsverloop kunnen rechtvaardigen) een inbreuk oplevert op het in art. 6 lid 1 EVRM gewaarborgde recht op berechting binnen een redelijke termijn, zal vastgesteld moeten worden - nu daarover wordt geklaagd - dat de redelijke termijn in deze procesfase is overschreden. Die overschrijding, ten hoogste enkele weken, is naar mijn inzicht evenwel zo gering dat daaraan geen consequenties verbonden zullen behoeven te worden.

17. Ofschoon de klacht in het tweede middel mij gegrond voorkomt acht ik de daarin voorgestelde strafvermindering niet aangewezen. In zoverre faalt ook dit middel.

18. De middelen falen. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,