Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB1818

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-05-2001
Datum publicatie
19-02-2002
Zaaknummer
00074/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB1818
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 131
Wetboek van Strafrecht 137d
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 356
NJ 2001, 694 met annotatie van D.H. de Jong
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00074/00

Mr Wortel

Zitting 13 februari 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage wegens (samengevat)

opruiïng (art. 131 Sr) en

in het openbaar aanzetten tot haat tegen en discriminatie van personen wegens hun ras of godsdienst, en tot gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras of godsdienst (art. 137d Sr) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken.

2. Namens verzoeker heeft mr B.J. Schadd, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie ingediend.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof een door verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring niet voor het bewijs had mogen gebruiken.

Die verklaring, zoals zij aan het bewijs heeft bijgedragen, luidt:

“Ik herkende enkele personen van de pers, maar ik heb er niet bij stilgestaan.”

4. Naar het inzicht van de steller van het middel is in deze verklaring een ontkenning gelegen van “het opzet dat inherent is aan de bewezenverklaarde opruiïng en het bewezenverklaarde aanzetten tot haat.”

5. Er kan geen twijfel over bestaan dat de in art. 131 Sr en in art. 137d Sr omschreven gedragingen slechts strafbaar kunnen zijn indien er opzettelijk is gehandeld. Dat ligt besloten in de werkwoorden ‘opruien’ en ‘aanzetten’. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever het in art. 137d Sr bedoelde ‘aanzetten tot haat’ niet heeft willen uitsluiten van het leerstuk van het voorwaardelijk opzet, vgl. HR NJ 1999, 741. Van opzettelijk aanzetten tot haat, discriminatie of geweld is derhalve reeds sprake indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat anderen door zijn uitlatingen tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden bewogen zullen worden.

Hetzelfde zal moeten gelden met betrekking tot art. 131 Sr: ook daarbij ontstaat de strafbaarheid reeds indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn uitlatingen anderen tot strafbaar gedrag of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag zullen bewegen.

6. Hoe zijn tot bewijs gebruikte verklaring aldus zou kunnen worden begrepen dat verzoeker daarin heeft weersproken zich tenminste bewust te zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat zijn uitlatingen anderen zouden opwekken tot het begaan van strafbare feiten, tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, of dat die uitlatingen anderen zouden bewegen tot haat, discirminerend gedrag of geweldpleging jegens mensen wegens hun ras of godsdienst, valt niet in te zien.

7. In dit geval is deze juridische benadering van het opzettelijke in verzoekers handelen overigens wellicht wel wat heel voorzichtig. Het middel bestrijdt - terecht - niet dàt verzoeker de in de bewezenverklaring omschreven uitlatingen heeft gedaan. Ziende naar die uitlatingen, en naar hetgeen uit de bewijsmiddelen blijkt omtrent de wijze waarop verzoeker die heeft gedaan, lijkt er geen andere vaststelling mogelijk dan dat verzoeker deze woorden heeft gesproken met het vooropgestelde doel gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag en haatdragend, discriminerend en gewelddadig gedrag tegen mensen wegens hun ras of godsdienst te propageren.

8. Het is niet geheel ondenkbaar dat de steller van het middel heeft bedoeld te betogen dat de tot bewijs gebruikte verklaring meebrengt dat verzoeker zich er niet van bewust is geweest dat hij zijn uitlatingen in het openbaar zou doen. Als dat inderdaad de strekking van de klacht zou moeten zijn zou zij evenmin doel kunnen treffen.

9. In het algemeen wordt aangenomen dat het opzet alleen gericht behoeft te zijn op de delictsbestanddelen die volgen na het woord ‘opzettelijk’, en dat de wetgever, door de plaatsing van dat woord met zorg te kiezen, tot uitdrukking brengt over welke omstandigheden het opzet van de verdachte zich niet bewijsbaar behoeft uit te strekken, vgl. Hazewinkel-Suringa/Remmelink, Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht (15de druk), paragraaf 2.3.7.1, en J. de Hullu, Materieel strafrecht (2000), paragraaf IV.2.3.1.

In beginsel is er geen bezwaar tegen dezelfde interpretatieregel te volgen indien in de delictsomschrijving niet het woord ‘opzettelijk’ voorkomt, maar de wilsgerichtheid van de gedraging besloten ligt in een werkwoord, zoals het geval is in art. 131 Sr en in art. 137d Sr. Dat zou meebrengen dat de in die bepalingen vereiste openbaarheid, die in de delictsomschrijving aan het werkwoord voorafgaat, buiten het bewijs van opzet kan blijven.

10. Men kan zich evenwel afvragen of het aldus uitleggen van deze strafbaarstellingen in een enkel geval niet een minder wenselijk resultaat oplevert.

Uitgangspunt zal moeten zijn dat het wezenlijke kenmerk van ‘opruiïng’ er in gelegen is dat het publiek wordt bewerkt, vgl. Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 131, aant. 4 (suppl. 106). Dat geldt ook voor de art. 137c en 137d Sr. De intentie om dat publiek te bereiken is derhalve van belang.

11. Bovendien zou men zich situaties kunnen voorstellen waarin een geheel ‘geobjectiveerd’ begrip van de openbaarheid bij deze strafbaarstellingen daaraan een te ruim bereik geeft. Zo het geval waarin tijdens een voor iedereen toegankelijke bijeenkomst woorden worden gesproken die zonder enige twijfel aanzetten tot gewelddadigheid, haat of discriminatie maar op zodanige wijze - zonder stemverheffing, buiten bereik van de media, duidelijk alleen bestemd voor geestverwanten in de directe omgeving van de spreker - dat niet valt aan te nemen dat het de bedoeling is geweest met die woorden het publiek te bewerken. Er is veel voor te zeggen het gefluisterde onderonsje tussen medewerkers aan een bijeenkomst, hoe stuitend het gesprokene ook kan zijn en hoezeer de bijeenkomst ook tendeert naar het schofferen van personen wegens hun ras of naar het aantasten van het openbaar gezag, buiten het strafbare te houden.

Men kan ook denken aan het geval waarin de verdachte opgeeft in de stellige overtuiging te hebben verkeerd dat hij zijn woorden (die zeker geschikt zijn anderen aan te zetten als bedoeld in de art. 131 of 137d Sr) sprak tijdens een strikt besloten bijeenkomst, en inderdaad aannemelijk is dat buiten medeweten van de verdachte in de hand is gewerkt dat het gesprokene verdere verspreiding zou krijgen.

12. Naar ik meen zal aan de structuur van de in de art. 131 en 137d Sr opgenomen delictsomschrijvingen in ieder geval deze betekenis moeten worden toegekend dat op het verlangde openbare karakter van de uitlatingen niet de in het algemeen gehanteerde regels omtrent (bewijs van) opzet toegepast dienen te worden. Zou men menen dat het ontbreken van een bewijsrechtelijk verband tussen de openbaarheid en wat de verdachte zich daarvan bewust kon zijn in gevallen als de zo-even genoemde een te ruim bereik aan de strafbaarstellingen kan geven, dan valt daar langs twee wegen een remedie voor te vinden.

(Ongeschreven) strafuitsluitingsgronden kunnen een oplossing bieden, met name de afwezigheid van alle schuld. Daardoor zou het aan de verdachte gelaten worden een beroep te doen op omstandigheden die meebrengen dat hij er in redelijkheid vanuit kon gaan dat hij zijn uitlatingen in een besloten kring deed, en dat zij daarbuiten niet waarneembaar zouden zijn.

De andere mogelijkheid om strafbaarheid te voorkomen in situaties waarin die met het oog op de strekking van de onderhavige strafbepalingen niet zou moeten intreden is hierin gelegen dat er wel een zeker verband wordt gelegd tussen de openbaarheid en de uit de bewijsmiddelen blijkende wetenschap van de verdachte, maar niet méér dan dat de verdachte zich in enige mate bewust is geweest van de mogelijkheid dat het gesprokene zou worden opgevangen door personen buiten een besloten kring.

13. Het opnemen van de in dit middel bedoelde verklaring van verzoeker bij de bewijsmiddelen duidt er op dat het Hof laatstbedoelde benadering heeft gekozen: uit die verklaring blijkt dat verzoeker zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de pers op de bijeenkomst ter gelegenheid waarvan hij zijn uitlatingen deed.

Dat wordt door andere bewijsmiddelen overigens bevestigd. In bewijsmiddel 1 is te vinden dat verzoeker de bijeenkomst als voorzitter van een partij leidde, uit bewijsmiddel 7 blijkt dat er een tafel was vrijgemaakt voor verschillende vertegenwoordigers van de pers, en uit bewijsmiddel 5 dat verzoeker naar aanleiding van een opmerking van één der aanwezigen omtrent een vrouw met een Aziatisch uiterlijk heeft gezegd dat die vrouw als journaliste was uitgenodigd de bijeenkomst bij te wonen (waarna verzoeker voortging met zijn toespraak).

14. Naar mijn inzicht moet van degene die uitlatingen als bedoeld in de art. 131 en 137d Sr wenst te doen, tenminste worden verlangd dat hij zodanige voorzorgsmaatregelen treft dat zijn woorden binnen de zelfgekozen besloten kring blijven, en door derden niet kunnen worden gehoord.

Daarom zou ik er een voorkeur voor hebben bij de onderhavige misdrijven in de bewijsmiddelen geen enkel verband te leggen met wat de verdachte wist, of moet hebben beseft, omtrent de mogelijkheid dat zijn opruiende of tot haat, discriminatie of geweld jegens personen wegens hun ras aanzettende uitingen publiekelijk bekend zouden worden; te volstaan met bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de uitlatingen op enigerlei wijze in openbaarheid zijn gekomen, en pas naar aanleiding van het verweer dat de verdachte in redelijkheid kon menen dat zijn uitlatingen geen verdere verspreiding zouden krijgen dan een besloten kring te onderzoeken of hij zich op afwezigheid van alle schuld kan beroepen.

15. Dit neemt niet weg dat het in de bewijsmiddelen opnemen van de omstandigheid dat verzoeker zich bewust moet zijn geweest van de mogelijkheid dat zijn uitlatingen openbaar gemaakt zouden worden niet valt aan te merken als een onjuiste rechtsopvatting die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zou moeten leiden. ’s Hofs kennelijk oordeel dat verzoeker dit moet hebben beseft is met het oog op de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk te noemen.

Het middel treft daarom, hoe het ook wordt verstaan, geen doel.

16. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof de verklaring van zekere [getuige 1] (bewijsmiddel 3) ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd, nu deze verklaring niets inhoudt dat [getuige 1] uit eigen wetenschap heeft kunnen verklaren.

17. In deze verklaring is te vinden dat de getuige ervan op de hoogte is geraakt dat de bijeenkomst, waarbij de bewezenverklaarde uitlatingen zijn gedaan, heeft plaatsgevonden en dat er journalisten aanwezig waren. De getuige verklaarde voorts

“[Verdachte] zou hebben opgeroepen tot “de vernietiging van democratische politici” en aldus Trouw hebben gezegd: “Onze strijd zal offers vergen. Maar we moeten af van het huidige perverse systeem. Ik wil niet dat de gevestigde orde mij accepteert. Ik wil het establishment de kop afhakken”.

[Verdachte] zou, aldus Trouw, nog hebben gezegd: “Het moet afgelopen zijn met de joodse overheersing van de Nederlandse partijen. Ik wil niet langer aanzien dat blanke politici het blanke ras verkwanselen. Dan komt er maar een bloedige strijd.”

18. Als bewijsmiddel 8 is het desbetreffende krantenartikel weergegeven. Die weergave stemt letterlijk overeen met de verklaring van de getuige. Dit bevestigt dat de getuige haar wetenschap ontleende aan het artikel in Trouw. Kennisneming van een krantenartikel is een vorm van eigen waarneming.

19. Opmerking verdient nog dat de verklaring van de getuige, voor zover inhoudend “Tijdens dit openbaar congres (…) is naar mijn idee sprake geweest van opruiïng” op het eerste gezicht een conclusie of vaststelling lijkt in te houden die aan de rechter is voorbehouden. Kennelijk heeft het Hof aan dit onderdeel van de verklaring, in aanmerking genomen dat die uitmondt in een (wettelijk onverplichte) aangifte van opruiïng en aanzetten tot haat, discriminatie of geweld, slechts deze betekenis toegekend dat de getuige hiermee de reden voor het afleggen van haar verklaring heeft aangeduid.

Ook dit middel faalt.

20. Beide middelen kunnen worden afgedaan met de in artikel 101a RO bedoelde motivering. Ook ambtshalve heb ik geen reden voor vernietiging van het bestreden arrest aangetroffen, zodat ik concludeer dat het beroep wordt verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,