Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB1598

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-05-2001
Datum publicatie
15-03-2004
Zaaknummer
02974/00 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB1598
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 326
Wetboek van Strafvordering 552a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 333
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02974/00

Mr Machielse

Parket, 6 maart 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=klager]

Edelhoogachtbaar College,

1. De rechtbank te Roermond heeft op 11 januari 2000 het klaagschrift van verzoeker tot teruggave aan hemvan een inbeslaggenomen tractor, merk John Deere, type 6410, ongegrond verklaard.

2. Mr. W.V. Gerretschen, advocaat te Roermond, heeft cassatie ingesteld. Mr. F.J.B. de Jong, advocaat te Assen, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3. Verzoeker stelde in zijn klaagschrift verkrijger te goeder trouw te zijn van de tractor. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat de gedupeerde [..] de tractor niet door diefstal is verloren, weshalve art. 3:86 BW toepassing zou missen. De rechtbank heeft besloten de tractor terug te geven aan [de gedupeerde] omdat deze een beter recht zou hebben dan verzoeker. De rechtbank heeft daartoe in haar beschikking het volgende overwogen:

Artikel 3:86, lid 1 BW beschermt de verkrijger om baat die te goeder trouw is tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder.

Het derde lid van artikel 3:86 BW maakt hierop in zoverre een uitzondering, dat de oorspronkelijke eigenaar van een roerende zaak, die het bezit van die zaak door diefstal heeft verloren, binnen drie jaar zijn eigendom kan opeisen.

De vraag waar het in deze zaak om gaat is of het begrip diefstal in artikel 3:86, lid 3 BW zich beperkt tot diefstal zoals bedoeld in artikel 310 wetboek van strafrecht.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3:86 BW blijkt dat het revindicatierecht van de oorspronkelijke eigenaar berust op de gedachte van misdaadbestrijding (Invoering boeken 3, 5 en 6, blz 1220). Reeds eerder, toen in het ontwerp nog een terugkooprecht van de oorspronkelijke eigenaar was opgenomen, werd de rechtvaardiging vooral gezocht in de belangen van degene die buiten zijn schuld, bijvoorbeeld door diefstal of verduistering, zijn goed verliest (tap pag 1209). Bij de parlementaire behandeling werd door de heer Van der Burg opgemerkt: de bescherming van de verkrijger te goeder trouw kent haar grenzen waar deze zou uitlokken tot misdaad. De minister stemt opvolgend -verheugd- met deze zienswijze in (tap pag 1227).

Tegen de achtergrond van de bedoeling van de wetgever ten aanzien van het derde lid van artikel 3:86, de misdaadbestrijding, valt niet goed in te zien dat dit alleen beperkt zou dienen te zijn tot diefstal in strafrechtelijke zin en zich niet zou uitstrekken tot verwante bedrogsdelicten als oplichting en flessentrekkerij. In de onderhavige zaak is sprake van oplichting, waarbij bij de dader van den beginne af aan het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft bestaan.

Het vorengaande brengt met zich mede dat gezien de bedoeling van de wetgever en het systeem der wet artikel 3:86 derde lid BW de oorspronkelijke eigenaar een beter recht heeft dan klager, weshalve het klaagschrift ongegrond zal worden verklaard.

4. Het middel klaagt dat de rechtbank aldus art. 386 BW verkeerd heeft uitgelegd omdat onder bezitsverlies door diefstal niet iedere andere vorm van bezitsverlies door een strafbaar feit, bijvoorbeeld oplichting, is te rangschikken. Het middel doet daartoe een beroep op HR NJ 2000,36. De Hoge Raad overwoog in die beschikking:

3.2. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de onder klager inbeslaggenomen auto in eigendom toebehoorde aan Automobielmaatschappij X en dat deze aangifte heeft gedaan van verduistering daarvan. Onder deze omstandigheden is - gelet op de bescherming die art. 3:86, derde lid, BW slechts ingeval van diefstal biedt aan de eigenaar van een roerende zaak - zonder nadere toelichting, die in de bestreden beschikking evenwel ontbreekt, niet begrijpelijk haar oordeel dat teruggave van de auto aan klager "wegens het betere recht" van voormelde BV "niet op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk verantwoord is".

5. Mijn ambtgenoot mr Fokkens had in zijn conclusie verwezen naar litteratuur, rechtspraak en wetsgeschiedenis, ten betoge dat de term 'diefstal' in art. 3:86 BW strikt moet worden uitgelegd. Ik voeg in alle bescheidenheid aan de argumenten van mr Fokkens nog toe dat de Minister van justitie in een brief van 21 mei 1985 beklemtoonde dat het voorstel beperkt moest worden tot gestolen zaken, waarbij het aspect van criminaliteitsbestrijding zwaarder weegt dan in de gevallen waarin een onbevoegd vervreemde zaak in handen van een verkrijger te goeder trouw is gekomen.(1) Dat laatste is begrijpelijk omdat de gedupeerde bij diefstal vaak geen aanknopingspunt heeft voor opsporing van het hem ontstolene, terwijl bij verduistering en oplichting een gerichter zoeken mogelijk is.

De slotsom van de rechtbank dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de oorspronkelijke eigenaar een beter recht toe te kennen dan de verkrijger te goeder trouw is dus te ruim; die slotsom gaat enkel op voor de bestolen eigenaar.

Daarom is de beslissing van de rechtbank onjuist.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Parlementaire geschiedenis, Invoering boeken 3, 5 en 6, Studenteneditie, p. 115.