Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB1567

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2001
Datum publicatie
11-12-2001
Zaaknummer
02600/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB1567
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 330
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02600/00

Mr Wortel

Zitting: 13 maart 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Naar aanleiding van een zonder beperkingen ingesteld hoger beroep tegen een op tegenspraak gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft het Gerechtshof aldaar bij arrest van 4 mei 2000 bepaald dat het rechtsmiddel, voor zover dat vonnis een veroordeling wegens een overtreding behelst, aangemerkt moet worden als cassatieberoep, en de stukken aan de Hoge Raad doen toekomen.

2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie ingediend.

3. Ambtshalve merk ik het volgende op. Wegens “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994” is verzoeker in bovengenoemd vonnis veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken, en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden met aftrek overeenkomstig art. 179 lid 6 WVW 1994.

4. Tegen dit op 1 oktober 1999 gewezen vonnis is namens verzoeker op 13 oktober 1999 het (verkeerde) rechtsmiddel aangewend.

Krachtens art. 378, tweede lid, aanhef en onder c Sv diende het vonnis te worden aangetekend in het proces-verbaal der terechtzitting.

Aan dat voorschrift heeft men klaarblijkelijk ook willen voldoen. In het dossier bevindt zich een ‘proces-verbaal terechtzitting’ waarin aantekening is gemaakt van hetgeen ter terechtzitting van 1 oktober 1999 is voorgevallen, is vermeld dat de Politierechter na sluiting van het onderzoek terstond mondeling vonnis heeft gewezen, is weergegeven wat er bewezen is verklaard, en is aangetekend dat de Politierechter verzoeker erop heeft gewezen dat hij binnen 14 dagen hoger beroep kon instellen (welke mededeling, wat de overtreding betreft, onjuist was).

In dit proces-verbaal is voorts vermeld dat de Politierechter ter terechtzitting de korte inhoud heeft meegedeeld van:

“* Een proces-verbaal van politie nr. 99014249-1, met bijlagen, dd. 3 maart 1999:

- verklaring verbalisanten : inlegvel 8 t/m 22;

- verklaring verdachte : inlegvel 42, 43.

* Een proces-verbaal van politie nr. 98112686-6, met bijlagen, dd. 7 januari 1999:

- verklaring verbalisanten : pag. 10 t/m 12;

- verklaring verdachte : pag. 20.

(en voorts van een uittreksel uit het documentatieregister en van stukken met betrekking tot een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf).

Verder is een ter terechtzitting door verzoeker afgelegde verklaring weergegeven, vermeld wat de vordering van de officier van justitie was, terwijl aan het slot van het proces-verbaal is opgemerkt dat de aantekening mondeling vonnis aan dit proces-verbaal is gehecht en wordt geacht er deel van uit te maken.

Die ‘aantekening mondeling vonnis’ (als bedoeld in art. 378a Sv), klaarblijkelijk reeds voor het instellen van het rechtsmiddel opgemaakt, is inderdaad aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehecht. Daarin is, zoals gebruikelijk, te vinden welke kwalificatie aan de feiten is gegeven, welke de toegepaste artikelen zijn, en welke straffen er zijn opgelegd.

5. Wellicht illustreert dit aldus opgestelde proces-verbaal, met aantekeningen betreffende de uitspraak, onder welke druk bij de feitelijke instanties gewerkt moet worden; mogelijk is die werkdruk in dit geval zo groot geweest dat men op de meest summiere wijze aan het in art. 378 lid 2 Sv gegeven voorschrift heeft willen voldoen. De vraag rijst evenwel of hierdoor niet de inhoud te ver verwijderd is geraakt van de vereiste vorm.

6. Redactie en inhoud van het vonnis dat op de in art. 378 lid 2 Sv voorziene wijze wordt aangetekend zijn geregeld in de ‘Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep’, ministeriële regeling van 2 oktober 1996, Stcrt 1996, 197.

7. Doorgaans treft men in het politierechtervonnis dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend, na de mededling dat het onderzoek is gesloten en terstond uitspraak is gedaan, het kopje ’aantekening van het vonnis’ aan, en vervolgens de diverse beslissingen die tezamen de uitspraak opleveren, waarbij veelal de tekst van de Regeling wordt gevolgd.

8. In dit geval is in het proces-verbaal der terechtzitting niet aangegeven welk deel ervan de uitspraak bevat. Ook ontbreekt een verwijzing naar de gebruikte bewijsmiddelen. Op de zo-even weergegeven wijze is in het deel van het proces-verbaal waarin de gang van zaken tijdens de terechtzitting is beschreven te vinden dat de politierechter in het kort delen van de door de politie opgemaakte processen-verbaal aan de orde heeft gesteld - waaruit afgeleid kan worden dat die delen van de processen-verbaal naar het inzicht van de politierechter van belang zijn - en is de ter terechtzitting door verzoeker afgelegde verklaring weergegeven, maar in hetgeen kennelijk door moet gaan voor de aantekening van de uitspraak is niet vermeld dat de bewezenverklaring daarop steunt.

9. Aldus is niet voldaan aan het in art. 1, aanhef en onder b van de bovengenoemde Regeling gestelde vereiste.

De uitspraak zal reeds daarom niet in stand kunnen blijven.

Wèl merk ik op dat de vorm in dit opzicht de inhoud lijkt te overheersen. Aan het zo-even bedoelde vereiste zou voldaan zijn geweest indien was vermeld (zoals het doorgaans wordt geformuleerd) dat de bewezenverklaring “berust op de hiervoor genoemde processen-verbaal en de hiervoor weergegeven verklaring van de verdachte”, zonodig aangevuld met tournures als: “opleverende de redengevende feiten en omstandigheden, waarop de beslissing van de politierechter steunt dat de feiten, voor zover bewezenverklaard, door verdachte zijn begaan” en “dat de bewijsmiddelen, ook in onderdelen, slechts zijn gebruikt tot bewijs van het feit waarop zij naar hun inhoud betrekking hebben”.

10. Dit zijn standaardteksten, waarvan men zich af kan vragen in hoeverre zij werkelijk bijdragen aan de onderbouwing en begrijpelijkheid van een uitspraak.

Het inhoudelijk vereiste is dat uit het proces-verbaal waarin de uitspraak is aangetekend moet kunnen blijken welke bewijsmiddelen (in wettige vorm) voor de bewezenverklaring van belang zijn geacht. Nu uit het proces-verbaal der terechtzitting kan worden afgeleid welke delen van de door de politie opgemaakte processen-verbaal, naast de ter terechtzitting door verzoeker afgelegde verklaring, in het oordeel van de politierechter zijn betrokken, zou vastgesteld kunnen worden dat alleen de redactie van het proces-verbaal tekortschiet, doordat die eerder weergegeven processen-verbaal en verklaring niet door verwijzing in de aantekening van de uitspraak zijn betrokken.

11. Aandacht verdient voorts de wijze waarop in het op de gang van zaken ter terechtzitting betrekking hebbende deel van het door de politierechter en de griffier vastgestelde proces-verbaal melding is gemaakt van de delen van de processen-verbaal van politie die voor het bewijs van belang zijn.

Kennisneming van laatstbedoelde processen-verbaal leert dat de onderhavige overtreding is gerelateerd in het proces-verbaal met kenmerk 99014249-1 (inlegvellen 8 tot en met 22), afgesloten op 3 maart 1999.

12. Art. 1, aanhef en onder b van de bovengenoemde Regeling van 2 oktober 1996, Stcrt 1996, 197, staat toe dat de gebruikte bewijsmiddelen worden vermeld door verwijzing naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken, mits - indien niet de hele inhoud van een stuk voor het bewijs is gebruikt - wordt aangegeven welk deel daarvan is gebruikt.

Op zichzelf beschouwd kan er daarom geen bezwaar tegen bestaan dat de door de politierechter relevant geachte delen van de processen-verbaal van de politie tot bewijs hebben bijgedragen op de wijze waarop zij in het proces-verbaal der terechtzitting zijn aangeduid, vgl. HR DD 93.498.

13. Indien de rechter bij toepasssing van art. 378 lid 2 Sv er voor kiest processtukken tot het bewijs te doen meewerken door te verwijzen naar kenmerken, in plaats van door het weergeven van de zakelijke inhoud ervan, mag evenwel niet in het onzekere blijven welke onderdelen daarvan voor het bewijs relevant zijn geacht (HR NJ 1988, 28), in het bijzonder niet indien de inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar is verwezen meebrengt dat onduidelijk is in hoeverre zij voor het bewijs bruikbaar zijn. Die onduidelijkheid kan voortkomen uit de omstandigheid dat eigen waarneming en ondervinding in de aangeduide bewijsmiddelen zijn vermengd met meningen of veronderstellingen (HR NJ 1973, 456).

14. In het door de politierechter aangehaalde proces-verbaal van 3 maart 1999 is een uitgebreid relaas te vinden van de toedracht van hetgeen verzoeker bij inleidende dagvaarding onder 1, 2 en 3 is tenlastegelegd (opzettelijk geen gevolg geven aan een door de politie gegeven stopteken, beschadiging van politie-auto’s en het hinderen van, danwel gevaar veroorzaken voor, het wegverkeer). Ook hetgeen rechtstreeks aan die feiten voorafging is in de tot bewijs gebezigde inlegvellen 8 tot en met 22 van dat proces-verbaal opgenomen, evenals waarnemingen en mededelingen betreffende (strafbare) gedragingen die niet zijn tenlastegelegd. Ook de toepassing van dwangmiddelen is in dit deel van het proces-verbaal gerelateerd.

Kort gezegd hebben politiefunctionarissen vastgesteld dat verzoeker een tractor inhaalde op het moment waarop hijzelf door een politie-auto werd ingehaald, dat vervolgens zijn rijstijl opviel, dat verzoeker vier maal een stopteken negeerde, herhaaldelijk door krachtig remmen (op gladde wegen) botsingen tussen zijn voertuig en de hem volgende politie-auto in de hand werkte, en na te zijn gestopt twee maal tegen een politie-auto is aangereden. Er is gerelateerd dat verzoeker met enig wederzijds geweld uit zijn auto is gehaald en is aangehouden.

15. Ik kan me voorstellen dat de politierechter het bezwaarlijk heeft geacht nader aan te geven welke delen van de genoemde zestien, tot het proces-verbaal behorende, inlegvellen voor het bewijs van belang zijn. Het geheel bevat een doorlopende beschrijving van de toedracht van de drie, met elkaar samenhangende, tenlastegelegde feiten. Het alternatief zou zijn geweest zeer precies ‘uit te haken’ welke passages in dit proces-verbaal voor het bewijs van belang zijn, en van die passages een zakelijke weergave in het proces-verbaal van de terechtzitting op te nemen. Het opstellen van die zakelijke weergave, op begrijpelijke en aaneensluitende wijze, zou onvermijdelijk veel tijd hebben gekost.

16. De vaststelling dat het geheel van de door de politierechter van belang geachte zestien inlegvellen uit het proces-verbaal onduidelijkheid laat bestaan over de onderdelen die tot bewijs van het tenlastegelegde kunnen dienen zou een eufemisme zijn. Het lijkt me volstrekt duidelijk dat er onderdelen in dit ambtelijk relaas zijn die op geen enkele manier tot bewijs van de tenlastegelegde feiten kunnen dienen, met name de gedeelten waarin de toepassing van dwangmiddelen is beschreven.

Ook in dit verband rijst bij mij evenwel de gedachte dat een goede rechtspleging er zeker toe noopt de voorgeschreven vormen in het oog te houden, maar dat de inhoud daaraan niet ondergeschikt gemaakt zou moeten worden. Vasthouden aan het uitgangspunt dat de bewijsmiddelen niets mogen bevatten dat voor de bewezenverklaring van geen belang is - het bovengenoemde HR NJ 1988, 28 zou in dat licht bezien kunnen worden - kan in een geval als het onderhavige, waarin diverse onderdelen van een bewijsmiddel in wettige vorm van belang zijn voor verschillende tenlastegelegde feiten, doch vervlochten met gedeelten die geen bewijsfunctie kunnen hebben, voor de rechter en zijn griffier veel werk meebrengen, zonder dat daarmee altijd een wezenlijk belang gediend behoeft te zijn.

17. Vasthouden aan dat uitgangspunt is dringend aangewezen indien een minder precieze weergave van hetgeen naar het inzicht van de rechter tot bewijs kan dienen met zich mee zou brengen dat de bewijsmiddelen tegenstrijdigheden gaan bevatten; dat er onderdelen in worden opgenomen die met de bewezenverklaring juist in strijd lijken te zijn. Voor het, op straffe van nietigheid, ecarteren van de onderdelen van een bewijsmiddel die met de bewezenverklaring niet in strijd, maar overbodig zijn, zie ik echter niet zozeer de noodzaak.

Naar ik meen past HR NJ 1988, 28 ook in deze benadering: de weergave van bewijsmiddelen mag geen onzekerheid laten bestaan of er onderdelen in voorkomen die met de bewezenverklaring niet te verenigen zijn. Daarmee niet strijdige maar overbodige onderdelen behoeven een uitspraak niet aantastbaar te maken. Deze opvatting laat zich evenzeer verenigen met HR NJ 1973, 456. Een niet zakelijk weergegeven, maar alleen door aanduiding van kenmerken opgenomen bewijsmiddel mag er geen twijfel over laten bestaan of daarin ontoelaatbare gissingen of conclusies voorkomen, maar die twijfel behoeft alleen consequenties te krijgen indien de passage waarin zulke gissingen of (aan de rechter voorbehouden) conclusies vermoed kunnen worden essentieel is voor de bereikte bewezenverklaring.

18. Nu de aangehaalde zestien inlegvellen behorende bij het proces-verbaal van politie van 3 maart 1999 waarnemingen bevatten die kunnen bijdragen aan het bewijs van de aan verzoeker bij inleidende dagvaarding onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, nauw met elkaar samenhangende, feiten, en daarin niets te vinden is dat met de bewezenverklaring strijdig kan zijn, meen ik dat de vermelding van dat proces-verbaal als bewijsmiddel toereikend is.

19. Daarnaast verdient aandacht dat in de aantekening van het vonnis als bedoeld in art. 378 lid 2 Sv (of wat als zodanig bedoeld is) is vermeld dat de ‘aantekening mondeling vonnis’, voorzien bij art. 378a Sv, aan het proces-verbaal is gehecht en geacht wordt daarvan deel uit te maken.

Klaarblijkelijk heeft de politierechter gemeend hiermee te bereiken dat de in dit stuk opgenomen kwalificatie van het bewezenverklaarde, de daarin vermelde wettelijke bepalingen waarop de strafoplegging berust, en de daarin opgenomen strafoplegging en toewijzing van de vordering op grond van art. 14g Sr, van de aantekening als bedoeld in art. 378 lid 2 Sv deel zouden gaan uitmaken.

20. Die constructie zag ik nog niet eerder. Zij kan uiteraard niet berusten op de in art. 1, aanhef en onder b van de Regeling van 2 oktober 1996, Stcrt 1996, 197 toegelaten verwijzing naar ‘andere processtukken’, die uitsluitend betrekking heeft op de bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Inhoudelijk zou ik geen beletsel tegen deze werkwijze zien. Het in art. 378a Sv bedoelde stuk geeft uitdrukking aan dezelfde beslissingen die moeten worden opgenomen in de aantekening op grond van art. 378 lid 2 Sv. Overschrijven van de reeds genomen en vastgelegde beslissingen heeft hetzelfde effect als aanhechten onder mededeling dat de eerdere (summiere) weergave van die beslissingen deel uitmaken van de aantekening overeenkomstig art. 378 lid 2 Sv. Men zou in dat opnemen van het ‘extract’ in de aantekening van het vonnis in het proces-verbaal der terechtzitting wellicht zelfs een voordeel kunnen zien, omdat daardoor verschrijvingen voorkomen kunnen worden.

21. Naar luid van het vijfde lid van art. 378a Sv komt de in het eerste lid van dat artikel bedoelde aantekening evenwel te vervallen, en dient de griffier die door te halen, indien de uitspraak in verband met het bepaalde in art. 378 lid 2 Sv moet worden opgenomen in het proces-verbaal der terechtzitting. In dat geval verliest de aantekening op grond van art. 378a Sv dus iedere rechtskracht. Al blijven de letters en cijfers op papier staan (evenals de gekopieerde handtekening van de politierechter), het is wat moeizaam om betekenis te blijven hechten aan een stuk dat als vervallen beschouwd moet worden.

22. Van meer wezenlijk belang is dat in de aantekening van de uitspraak in het proces-verbaal der terechtzitting geen motivering van de opgelegde straf is te vinden. Dat gebrek dient in ieder geval tot nietigheid te voeren, temeer omdat (ook voor de overtreding) een vrijheidsbenemende straf is opgelegd, art. 359, vijfde en zesde in verband met het tiende lid, Sv.

23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, met terugwijzing van de zaak naar de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden, teneinde inzoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,