Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB1560

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-05-2001
Datum publicatie
19-02-2002
Zaaknummer
C99/249HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB1560
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel 263
Wetboek van Koophandel 267
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 315
NJ 2001, 364
RvdW 2001, 104
S&S 2002, 14
VR 2002, 133
AV&S 2001, p. 183 met annotatie van J.H. Wansink
JWB 2001/153
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C 99/249 HR

Mr. Bakels

Zitting 9 maart 2001

Conclusie inzake

RANK XEROX RENTALEASE B.V.

t e g e n

DE GOUDSE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.

(niet verschenen)

Edelhoogachtbaar college,

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak met name om de vraag of een verzekeringnemer die kopieer-apparatuur heeft geleased, met dien verstande dat het risico voor die apparatuur in beginsel voor rekening van de lessor is gebleven, deze apparatuur onder de door haar gesloten schadeverzekering ten behoeve van de lessor heeft meeverzekerd. Daarnaast wordt de vraag aan de orde gesteld of de verzekeraar van de lessee onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de lessor door onder de omstandigheden van het gegeven geval, dekking van die apparatuur te weigeren.

1.2 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(a) Met ingang van 14 juli 1992 heeft Copy Team door bemiddeling van een door haar ingeschakelde assurantietussenpersoon (Labermont) bij de Goudse een verzekering afgesloten tegen o.m. diefstal. Tot de verzekerde voorwerpen behoort volgens het polisblad van die verzekering o.m. de inventaris van haar bedrijf. Deze wordt in art. 1.3 van de bij de polis behorende algemene voorwaarden van de Goudse omschreven als

"Al hetgeen verzekerde dient tot uitoefening van bedrijf, beroep of andere activiteiten".

De verzekerde som bedroeg per 31 december 1992 f 1.500.000,-.

(b) Copy Team maakte bij de uitoefening van haar bedrijf (een drukkerij) gebruik van aan Rentalease toebehorende kopieer- en computerapparatuur. Tussen Copy Team en Rentalease bestond dienaangaande aanvankelijk een verhouding van financial lease. Deze rechtsverhouding is vóór 18 juli 1994 gewijzigd in operational lease. In art. 6 van de bij deze lease-overeenkomst behorende voorwaarden is het volgende bepaald:

"Rentalease draagt het risico van het geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging van het apparaat, tenzij dit te wijten is aan nalatigheid, onachtzaamheid of opzet".

(c) In de nacht van 18 op 19 juli 1994 en in de nacht van 16 op 17 augustus 1994 is in het bedrijfspand van Copy Team ingebroken. Beide keren werd de door Rentalease aan Copy Team verhuurde kopieer- en computerapparatuur gestolen. In beide gevallen heeft Rentalease kort na de diefstal voor vervangende apparatuur gezorgd. De Goudse heeft geweigerd de door de diefstallen veroorzaakte schade aan Copy Team of aan Rentalease te vergoeden.

(d) Na de diefstallen zijn tussen Copy Team en de Goudse polisaanhangsels opgemaakt, gedateerd op 6 oktober 1994 en 15 november 1994, waarin - onder restitutie van teveel betaalde premie - de verzekerde som per 26 juli 1994 respectievelijk 14 juli 1994 is gewijzigd in f 500.000,- en waarin de computerapparatuur met ingang van die data is uitgesloten van dekking.

(e) Copy Team heeft haar gestelde vordering op de Goudse ter zake van de door de diefstallen geleden schade, gecedeerd aan Rentalease. Bij brief van 4 september 1996 is mededeling van die cessie gedaan aan de Goudse.

1.3 Tegen deze achtergrond heeft Rentalease de onderhavige procedure aanhangig gemaakt voor de rechtbank Den Haag. Zij heeft kort gezegd gevorderd:

- een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen Copy Team en de Goudse, waarbij de verzekerde waarde van de apparatuur in het bedrijfspand van eerstgenoemde is teruggebracht tot f 500.000,-, nietig of vernietigd is, met dien verstande dat de verzekerde waarde van die apparatuur f 1.500.000, - bedraagt en dat de gestolen apparatuur onder de door Copy Team gesloten schadeverzekering valt;

- veroordeling van de Goudse tot betaling aan haar van een bedrag van f 414.800,- (de gestelde nieuwwaarde van de gestolen apparatuur), met rente en kosten.

1.4 Rentalease heeft aan deze vorderingen samengevat weergegeven ten grondslag gelegd

(a) dat Copy Team onder de met de Goudse gesloten verzekeringsovereenkomst recht had op vergoeding van het volledige bedrag van de schade, welk recht zij aan haar, Rentalease, heeft gecedeerd;

(b) dat Copy Team de onderhavige bedrijfsschadeverzekering mede ten behoeve van Rentalease heeft gesloten voorzover het de geleasde apparatuur betreft;

(c) dat de Goudse onrechtmatig heeft gehandeld jegens Rentalease door zich de belangen van laatstgenoemde niet aan te trekken waar zij dit behoorde te doen, meer in het bijzonder bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst en op het moment waarop de apparatuur buiten de tot dan toe verleende dekking van de verzekeringsovereenkomst werd geplaatst.

1.5 Na gemotiveerd verweer van de Goudse en verder processueel debat, heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen bij vonnis van 12 november 1997. Veronderstellen-derwijs aannemende dat de gevorderde verklaringen voor recht voor toewijzing vatbaar zijn (rov. 4), overwoog zij daartoe kort gezegd als volgt:

Ad (a): Copy Team was geen eigenares van de geleasde apparatuur. Zij was tegenover Rentalease alleen dan aansprakelijk voor de door de diefstal veroorzaakte schade, als deze aan haar nalatigheid, onachtzaamheid of opzet te wijten was. Niet is komen vast te staan dat de voorwaarden voor een geslaagd beroep op deze uitzonderingsbepalingen zijn vervuld (rov. 6).

Ad (b): Ingevolge art. 267 K wordt Copy Team als verzekeringnemer geacht de verzekering uitsluitend voor zichzelf te hebben gesloten, nu in de polis elke verwijzing naar een derde ontbreekt. Rentalease heeft onvoldoende gesteld om dit wettelijk vermoeden te ontzenuwen (rov. 7).

Ad (c): In de gegeven omstandigheden valt niet in te zien dat de Goudse onrechtmatig tegenover Rentalease zou hebben gehandeld en evenmin dat zij door haar handelwijze schade aan laatstgenoemde zou hebben berokkend. Rentalease miskent bovendien dat zij, als een in leasing gespecialiseerd bedrijf, geacht moet worden op de hoogte te zijn van de verzekerings-technische aspecten van leasing, zodat zij de verantwoordelijkheid voor verzekering van haar belangen, niet op derden kan afschuiven (rov. 8).

1.6 Rentalease heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag. Zij voerde daartoe acht grieven aan.

Bij arrest van 18 mei 1999 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Het overwoog daartoe ten aanzien van de grief die was gericht tegen de onder 1.5 ad (b) gerichte beslissing:

"Blijkens artikel 1.1 van de Voorwaarden van verzekering is de verzekerde degene die als zodanig in de polisomschrijving is vermeld, in casu zijnde Copy Team. Copy Team wordt derhalve ingevolge artikel 267 WvK geacht de verzekering uitsluitend voor zichzelf te hebben afgesloten. Tegenover dit bewijsvermoeden heeft Rentalease onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de omstandigheden van het geval erop wijzen dat Copy Team mede het belang van Rentalease heeft willen verzekeren. Het hof acht in elk geval de enkele omstandigheid dat de inspecteur van de Goudse de apparatuur op het inspectierapport zou hebben vermeld hiervoor onvoldoende. Tot slot geven de normen van redelijkheid en billijkheid in het onderhavige geval geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen." (rov. 4)

1.7 Ten aanzien van de grief die was gericht tegen de onder 1.5 ad (c) samengevat weergegeven beslissing overwoog het hof:

"Naar het hof begrijpt bedoelt Rentalease (...) te betogen dat de handelwijze van de Goudse jegens Rentalease in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Naar het oordeel van het hof kan - mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen en beslist - hetgeen Rentalease (...) ter onderbouwing van haar stelling aandraagt niet leiden tot het oordeel dat de Goudse jegens Rentalease de bovenweergegeven normen heeft geschonden (...)." (rov. 5)

1.8 Rentalease is tegen dit arrest tijdig in cassatie gekomen.(1) Zij voerde daartoe twee middelen aan. Tegen de Goudse is verstek verleend. Rentalease heeft de door haar voorgedragen cassatiemiddelen vervolgens schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van de middelen

2.1 De vraag of een verzekeringsovereenkomst (mede) is gesloten ten behoeve van een derde, heeft zijn wettelijke regeling gevonden in de artikelen 264-267 K. De kern van deze regeling is de volgende. De verzekering ten behoeve van een derde(2) - in art. 264 K minder juist aangeduid als verzekering voor rekening van een derde - heeft te gelden als een derdenbeding in de zin van art. 6:253 BW.(3) Het is in dat verband niet noodzakelijk dat de naam van de derde-belanghebbende in de polis wordt vermeld. Voldoende is dat de verzekeringnemer tegenover de verzekeraar kenbaar maakt dat hij de verzekering afsluit ten behoeve van een derde.(4) De verzekeraar is dan immers voldoende ervoor gewaarschuwd dat het belang bij de verzekering bij een ander dan de verzekeringnemer berust.(5)

Het is een vraag van uitleg van verzekeringsovereenkomst welke belangen de polis dekt en dus ook of van een derdenbeding in vorenbedoelde zin sprake is.(6) Deze uitleg dient plaats te vinden aan de hand van de Haviltex-formule.(7) Krachtens art. 267 K, dat strekt ter bescherming van de verzekeraar, geldt bij die uitleg het wettelijk - maar weerlegbaar -vermoeden dat, indien in de polis geen melding ervan is gemaakt dat de verzekering ten behoeve van een derde is gesloten, de verzekeringnemer wordt geacht de verzekering voor zichzelf te zijn aangegaan, d.w.z. dat - behoudens tegenbewijs - moet worden aangenomen dat hij uitsluitend zijn eigen belang bij het gevaarsobject heeft verzekerd.

2.2 Anders dan de tekst van art. 267 K suggereert, is het niet noodzakelijk dat in de polis melding wordt gemaakt van het feit dat de verzekering (mede) ten behoeve van een derde is gesloten. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat sprake is van een verzekering die de belangen van een derde dekt, als dit is overeengekomen. Omdat deze definitie in een cirkel ronddraait is zij zinledig, evenals - daarmee - art. 267 K zelf.(8)

Volgens art. 265 K zal in het geval van een verzekering ten behoeve van een derde bovendien uitdrukkelijk in de polis moeten worden vermeld of zulks uit hoofde van lastgeving, dan wel buiten weten van de belanghebbende heeft plaatsgehad. Deze bepaling is echter een dode letter, die in de ontwerptitel 7.17 BW niet terugkeert. Ook in zoverre geldt dat de kernvraag is wiens belangen zijn verzekerd, hetgeen door uitleg van verzekerings-overeenkomst - met inachtneming van het bewijsvermoeden van art. 267 K - dient te worden vastgesteld.

2.3 Ik zie aanleiding om, alvorens in het licht van het bovenstaande middel I te bespreken, eerst het geval te analyseren.

Uit de op verzoek van Rentalease gehouden voorlopige getuigenverhoren(9) blijkt dat Copy Team ten tijde van de (eerste) diefstal in de mening verkeerde dat de van Rentalease geleasde apparatuur nog steeds voor haar risico kwam, terwijl Rentalease - die zowel de oorspronkelijke als de gewijzigde overeenkomst had opgesteld - beter wist, maar dacht dat zij haar belangen deugdelijk had verzekerd. Dit blijkt dit uit het volgende, in onderling verband bezien.

2.4 De directeur van Copy Team heeft na de eerste diefstal van vertegenwoordigers van Rentalease vernomen dat naar hun mening de schade was gedekt onder een door Rentalease zelf gesloten verzekering, hetgeen voor deze directeur aanleiding was in overleg met zijn assurantietussenpersoon aan de Goudse te verzoeken de apparatuur "uit de verzekering van Copy Team te halen" om minder premie te betalen. De bedrijfsjurist van Rentalease, Van de Vrede, bevestigde dat de lessee (Copy Team) niet verplicht was de apparatuur te verzekeren. Hij had de verzekeringspolis van Copy Team dan ook niet in zijn bezit en heeft deze na de eerste diefstal uitsluitend opgevraagd in verband met art. 6 van de algemene voorwaarden van Rentalease, waarin wordt bepaald dat Rentalease niet het risico voor verlies van de apparatuur draagt indien dit is te wijten aan nalatigheid, onachtzaamheid of opzet.(10) Ten slotte heeft de manager leasesupport van Rentalease, De Haas, desgevraagd aan de directeur van Copy Team geantwoord dat Rentalease voor de schade verzekerd was, hetgeen is bevestigd door de verklaringen van de getuige [getuige 1], vertegenwoordiger van Rentalease en vaste contactpersoon voor dat bedrijf met Copy Team.

2.5 Onder deze omstandigheden kan op het eerste gezicht wellicht enig begrip worden opgebracht voor de kennelijke gedachte van partijen bij de leaseovereenkomst, althans van Rentalease, dat de Goudse de door de diefstal veroorzaakte schade behoort te vergoeden nu daarvoor een premie is betaald welke mede was afgestemd op het (diefstal)risico dat Copy Team meende te dragen voor de geleasde apparatuur. Maar bij nader inzien is deze gedachte kennelijk onjuist. Copy Team had immers bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst met de Goudse het diefstalrisico voor de apparatuur verzekerd, dat toen nog in volle omvang op haar drukte. Wil Rentalease gelijk krijgen, dan zou daarom met ingang van de wijziging van de leaseverhouding (of aanstonds, in voorwaardelijke zin) een nadere overeenkomst tussen partijen bij de verzekeringsovereenkomst moeten zijn gesloten met als inhoud dat de Goudse voor het vervolg niet alleen het - aanzienlijk kleiner geworden - risico van Copy Team zou gaan dekken, maar ook het complementaire - veel grotere - risico dat Rentalease voor die apparatuur ging lopen. Dit zou alleen dan niet nodig zijn, als er een rechtsregel zou bestaan die meebrengt dat een dergelijke splitsing van de bestaande verzekering van rechtswege intreedt wanneer partijen bij de leaseovereenkomst het risico in hun onderlinge verhouding nader regelen.

Gesteld noch gebleken is echter dat een dergelijke nadere (of voorwaardelijke) overeenkomst tussen Copy Team en de Goudse is gesloten. Hetzelfde geldt voor de zojuist bedoelde rechtsregel, die haaks zou staan op de regel dat de verzekeraar aanspraak erop heeft te weten dat de verzekering naar de bedoeling van de verzekeringnemer (voorwaardelijk) mede strekt ten behoeve van een derde, opdat hij het risico kan beoordelen dat hij in verband daarmee loopt.

2.6 Een mijns inziens juiste analyse van de positie van partijen bij de verzekeringsovereenkomst, Copy Team en de Goudse, is dat Copy Team haar eigen risico wilde verzekeren, maar - na wijziging van de leaseverhouding - een onjuiste voorstelling van de omvang daarvan had. Sinds dat moment hield zij dus een niet-bestaand belang verzekerd, hetgeen haar aanspraak gaf op restitutie van teveel betaalde premie, zoals na de eerste diefstal daadwerkelijk is geschied. Noch uit de verklaringen van de directeur van Copy Team, noch uit enige andere verklaring of uit de inhoud van de aan Copy Team afgegeven polis, valt een aanwijzing af te leiden dat Copy Team zou hebben bedoeld het belang van Rentalease (voorwaardelijk) te verzekeren. Een zodanig bedoeling is bovendien hoogst onaannemelijk nu Copy Team daartoe tegenover Rentalease niet contractueel was gehouden, terwijl partijen tot elkaar in een commerciële verhouding stonden en Rentalease meende dat zij haar belangen zelf had verzekerd.

2.7 Tegen deze achtergrond klaagt middel I dat het hof in zijn onder 1.6 geciteerde overweging de stelling van Rentalease, dat de door Copy Team bij de Goudse gesloten verzekering van haar bedrijfsinventaris mede een beding ten behoeve van Rentalease bevatte voorzover het de van laatstgenoemde geleasde apparatuur betrof, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Rentalease heeft daartoe immers onder meer een beroep gedaan op een aantal - in het middel gespecificeerde en aan grief 7 ontleende - specifieke omstandigheden van het geval, die het hof niet heeft beoordeeld, aldus nog steeds het middel.

2.8 Terecht heeft het hof het bewijsvermoeden van art. 267 K tot uitgangspunt genomen bij de beoordeling van de vraag of de door Copy Team bij de Goudse afgesloten verzekering, wat betreft de lease-apparatuur strekte ten behoeve van Rentalease. 's Hofs oordeel dat Rentalease tegenover dit vermoeden "onvoldoende aannemelijk (heeft) gemaakt" (bedoeld wordt kennelijk: niet heeft aangetoond) dat de verzekering ten behoeve van Rentalease strekte, kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst en is, het vorenstaande in aanmerking genomen, niet onbegrijpelijk (integendeel: alleszins begrijpelijk).

2.9 's Hofs arrest is ook niet onvoldoende gemotiveerd. Weliswaar voert het middel op zichzelf terecht aan dat Rentalease zich ter onderbouwing van haar stelling dat een beroep op art. 267 K in de gegeven omstandigheden in strijd komt met de eisen van redelijkheid en billijkheid, niet alleen heeft beroepen op het feit dat de lease-apparatuur mede is opgenomen in het inspectierapport dat in opdracht van de Goudse is opgemaakt. Maar de overigens door haar aangevoerde omstandigheden(11) kunnen in de door het hof bereikte conclusie geen wijziging brengen om redenen die zozeer voor de hand liggen, dat ze niet afzonderlijk behoefden te worden genoemd. Het gaat in dit verband om het volgende (ik vermeld telkens eerst cursief de desbetreffende omstandigheid en vervolgens de reden waarom deze niet of onvoldoende ter zake dienende is).

(a) Het betreft een verzekering van koopmansgoederen en de inventaris van een drukkerij.

Niet is toegelicht en evenmin valt in te zien waarom deze omstandigheid in het kader van het door Rentalease te leveren tegenbewijs van enig belang zou zijn.

(b) De verzekering is totstandgekomen nadat de Goudse het risico ter plaatse heeft geïnspecteerd.

Voor deze omstandigheid geldt hetzelfde als zoëven vermeld.

(c) De inspecteur van de Goudse heeft toentertijd niet gevraagd of de apparatuur was geleased en evenmin heeft hij Copy Team ingelicht over het eventuele belang daarvan.

Deze omstandigheid is al daarom niet ter zake dienend, omdat het risico voor de ter verzekering aangeboden apparatuur bij het sluiten van de verzekering wel degelijk op Copy Team drukte.

(d) De polis werd door de verzekeraar opgemaakt zonder verder overleg met de verzekeringnemer.

Voor deze omstandigheid geldt hetzelfde als onder (c) vermeld.

(e) De Goudse heeft, door de polis zonder overleg op te maken en door de bewoor-dingen waarin de polis was gesteld, de indruk gewekt dat het voor de geldigheid van de verzekering niet van belang is bij wie de eigendom van de lease-apparatuur berustte.

Deze omstandigheid is aangevoerd ter onderbouwing van het in het kader van grief 7 mede door Rentalease gedane beroep op art. 3:36 BW. Dit verweer is in de slotalinea van rov. 4 van het bestreden arrest verworpen. In cassatie is tegen deze beslissing geen klacht gericht.

(f) Leaseconstructies zijn gebruikelijk in de kopieersector, zeker bij dure apparatuur, zoals hier het geval is.

Dit gezichtspunt is van belang ontbloot op de ad (c) aangegeven grond.

(g) Van de Goudse mocht worden verwacht dat zij naar de eigendomsverhoudingen van de te verzekeren apparatuur zou informeren.

Ook dit gezichtspunt is van belang ontbloot op de ad (c) aangegeven grond.

(h) Lease-constructies zijn in de branche zo gebruikelijk dat ervan uitgegaan moet worden dat de aan Rentalease toebehorende apparatuur onder de dekking valt, nu de Goudse hiervoor geen voorbehoud heeft gemaakt.

Deze klacht komt erop neer dat voor een verzekering van de apparatuur in de onderhavige branche een bijzondere bewijsrechtelijke regel zou gelden die een uitzondering maakt op de in art. 267 K neergelegd hoofdregel. Een zodanige regel bestaat echter niet; de verwerping daarvan ligt besloten in 's hofs overweging dat moet worden uitgegaan van het bewijsvermoeden van art. 267 K.

(i) De Goudse is niet getroffen in haar belang als haar beroep op art. 267 K wordt onthouden, nu zij premie heeft ontvangen over de verzekerde waarde daarvan.

Om de onder 2.3-2.6 aangegeven redenen is deze klacht ongegrond; het hof kon volstaan met te overwegen dat deze omstandigheid in het licht van de eisen van redelijkheid en billijkheid geen aanleiding geeft om tot een ander oordeel te komen dan het al had bereikt.

2.10 Op het vorenstaande stuit middel I in zijn geheel af.

2.11 Middel II is gericht tegen de onder 1.7 van deze conclusie aangehaalde verwerping van het beroep van Rentalease op een door de Goudse jegens haar gepleegde onrechtmatige daad. Rentalease acht de geciteerde overwegingen van het hof onvoldoende gemotiveerd omdat deze geen inzicht geven in de gedachtegang die ertoe heeft geleid deze grondslag van de vordering te verwerpen.

2.12 Ter onderbouwing van de desbetreffende grief 8 heeft Rentalease aangevoerd dat de Goudse op twee momenten onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld, waarvan het eerste is gelegen bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst. Omdat de in verzekering genomen kopieerapparatuur toen aan Rentalease toebehoorde, had het op de weg van de Goudse gelegen om Copy Team erop opmerkzaam te maken dat deze apparatuur niet onder de verzekering viel, hetgeen de Goudse ten onrechte heeft nagelaten.

2.13 Deze klacht kan al daarom geen doel treffen omdat, zoals één en andermaal is opgemerkt, het risico voor de apparatuur bij het aangaan van zowel de lease-overeenkomst als de verzekeringsovereenkomst op Copy Team drukte. Voorzover het middel uit de op zichzelf vaststaande omstandigheid, dat Rentalease daarvan toen nog eigenares was, afleidt dat zij daarvoor toen ook het risico droeg, mist het dus feitelijke grondslag. Voorzover het afgezien daarvan wil verdedigen dat de Goudse toen toch een waarschuwing tot Rentalease behoorde te richten, faalt het omdat een zodanige waarschuwingsplicht onder die omstandigheden niet op enige rechtsregel berust en het middel geen bijzondere omstandigheden aandraagt op grond waarvan anders moet worden geoordeeld.

2.14 Het tweede onrechtmatigheidsmoment zou zijn gelegen op 26 juli 1994 toen de onderhavige apparatuur, die volgens het middel op dat moment nog onder de dekking van de door Copy Team gesloten verzekering viel, van dekking werd uitgesloten zonder dat Rentalease daarvan op de hoogte werd gesteld.

2.15 Het middel bouwt in zoverre voort op middel I, zodat het in het lot daarvan moet delen. Uitgangspunt daarvan is immers dat de onderhavige apparatuur kort na de eerste diefstal nog onder de dekking van de door Copy Team gesloten verzekering viel. Zoals uit de bespreking van middel I blijkt, is dit uitgangspunt evenwel ondeugdelijk.

2.16 Nu de redenen waarom de onderhavige grondslag van de vordering niet tot succes kan leiden evident zijn en zij in de kern berusten op hetgeen eerder was overwogen, kon het hof volstaan met de korte overweging waarvan het zich heeft bediend, waarin het mede verwees naar "hetgeen hiervoor is overwogen en beslist". Ook middel II kan dus niet tot succes leiden

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van Rentalease in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de Goudse te begroten op nihil.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 De cassatiedagvaarding dateert van 13 augustus 1999.

2 Hierover in algemene zin F.R. Salomons, De verzekering ten behoeve van een derde, diss. 1996.

3 Scheltema/Mijnssen, Algemeen deel van het Schadeverzekeringsrecht, 1998, nr. 2.11; Asser-Clausing-Wansink, 1998, nr. 200.

4 Scheltema /Mijnssen, nr. 2.12.

5 Scheltema/Mijnssen, nr. 2.13.

6 Scheltema/Mijnssen, nr. 2.14; Asser-Clausing-Wansink, nr. 199.

7 HR 13 maart 1981, NJ 1981, 695.

8 Scheltema/Mijnssen, nr. 2.12. Anders Wery, Hoofdzaken verzekeringsrecht, 1995, blz. 35, die de wettekst letterlijk neemt.

9 Een afschrift van de desbetreffende processen-verbaal is door de Goudse in eerste aanleg als productie 2 bij conclusie van antwoord in het geding gebracht. De terzake dienende passages uit deze verhoren zijn aangehaald in de memorie van antwoord in hoger beroep van de Goudse, nummers 10-13.

10 Het ligt, denk ik, voor de hand hier in te lezen: van de lessee, maar de tekst van de polis bevat deze toevoeging niet.

11 Het middel is kennelijk geïnspireerd door een arrest van het hof Amsterdam van 12 november 1987, NJ 1992, 100, dat een geval betrof waarin een man de inboedel van de echtelijke woning had verzekerd welke in eigendom toebehoorde aan zijn vrouw. Toen aan deze inboedel schade ontstond, beriep de verzekeraar zich onder meer op de artikelen 267 juncto 265 K. Het hof oordeelde, kort samengevat, dat de verzekeraar zich in beginsel op het in art. 267 K neergelegde wettelijk vermoeden mag beroepen maar dat dit anders zou zijn - en daar komen onze gezichtspunten - "indien dit beroep in de omstandigheden van het geval zo zeer in strijd zou komen met de tussen partijen bij de verzekeringsovereenkomst in acht te nemen eisen van redelijkheid en billijkheid, dat daaraan voorbij moet worden gegaan." Het hof oordeelde vervolgens dat bij de beoordeling of daarvan sprake is onder meer van belang zullen zijn "de aard van de verzekeringsovereenkomst en de daarbij betrokken partijen, de aard van het verzekerde object, de wijze waarop de verzekeringsovereenkomst is tot stand gekomen en de polis is opgemaakt, de mate van waarschijnlijkheid, waarin de verzekeraar ermee rekening behoort te houden dat - al dan niet bij vergissing - het eigenaarsbelang van een ander dan de verzekeringnemer ter verzekering wordt aangeboden en de mate waarin de verzekeraar in het door art. 267 K beschermde belang wordt getroffen, indien hem een beroep op deze bepaling wordt onthouden."

Aan de hand van deze gezichtspunten oordelend, wees het hof vervolgens het beroep van de verzekeraar op art. 267 K van de hand. Op grond daarvan concludeerde het hof "dat de verzekeringen moeten worden beschouwd als geldige verzekeringen ten behoeve van (... de) echtgenote".

Omdat ook uit - het na eliminatie van art. 267 K "herleefde" - art. 177 Rv volgt dat het tegenover de verzekeraar in beginsel op de weg ligt van de verzekeringnemer of de derde om aan te tonen dat het belang van die derde onder de polis is gedekt, althans in een geval zoals het onderhavige, waarin die derde in de polis niet wordt genoemd of zelfs maar aangeduid als belanghebbende, heeft het hof uit zijn afweging kennelijk tevens stilzwijgend het vermoeden afgeleid dat de onderhavige verzekering inderdaad een beding ten behoeve van een derde bevat, welk vermoeden door de verzekeraar niet is ontzenuwd.