Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB1520

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2001
Datum publicatie
16-03-2004
Zaaknummer
02728/00 W
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB1520
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, Straatsburg, 21-03-1983 3
Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, Straatsburg, 21-03-1983 9
Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, Straatsburg, 21-03-1983 10
Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, Straatsburg, 21-03-1983 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 319
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02728/00 W

mr N. Keijzer

zitting: 27 februari 2001

conclusie inzake

[Betrokkene]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij uitspraak van 23 mei 20000 heeft de Arrondissementsrechtbank te Haarlem de tenuitvoerlegging in Nederland van het vonnis van het United States District Court, Middle District of Florida, Jacksonville Division, van 27 januari 1998, nummer 96-73-Cr-J-10, waarbij [betrokkene] is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 87 maanden, toelaatbaar verklaard. De Rechtbank heeft daartoe aan [betrokkene] een gevangenisstraf opgelegd van 60 maanden.(1)

2. Tegen deze uitspraak heeft [betrokkene] cassatieberoep ingesteld. Namens hem heeft mr A.E.M. Röttgering, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. De zaak hangt samen met de zaak genummerd 03169/00 W, waarin ik heden eveneens conclusie neem.

4. Het eerste middel betoogt dat de Rechtbank het feit waarvoor [betrokkene] is veroordeeld onjuist heeft gekwalificeerd naar Nederlands recht, waardoor de door de Rechtbank opgelegde gevangenisstraf het toepasselijke strafmaximum overschrijdt.

5. Het zich bij de door de verzoekende staat overgelegde stukken bevindende ten laste van [betrokkene] gewezen vonnis nummer 96-73-Cr-J-10 van het United States District Court, Middle District of Florida, Jacksonville Division, van 27 januari 1998, houdt onder meer in:

"THE DEFENDANT pleaded guilty to Count(s) One of the Indictment. (...) Count(s) Two of the indictment is/are dismissed on the motion of the United States. (...) The court adopts the factual findings (...) in the presentence report."

6. Op mijn verzoek, door tussenkomst van het Ministerie van Justitie, heeft de verzoekende staat alsnog een gewaarmerkt afschrift van de indictment overgelegd.(2) Daarin is aan onder anderen [betrokkene] onder Count One het volgende telastegelegd:

"From in or about 1995, through on or about May 30, 1996, at Jacksonville, in the Middle District of Florida, and elsewhere, (...) [betrokkene] (...) the defendants herein, did knowingly, willfully and intentionally combine, conspire, confederate and agree together with each other and with persons whose names are known and unknown to the grand jury, to import into the United States, from a place outside thereof, a derivative of marihuana, that is, hashish, a Schedule I controlled substance, in violation of Title 21, United States Code, Sections 952 and 960.

It was part of said conspiracy that the defendants would perform acts and make statements to hide and conceal, and cause to be hidden and concealed, the purpose of the conspiracy and the acts committed in furtherance thereof.

All in violation of Title 21, United States Code, Section 963."

7. Onder Count Two van de indictment (volgens het vonnis dismissed on the motion of the United States) was conspiracy tot uitvoer van hashish vanuit de Verenigde Staten naar Canada telastegelegd.

8. Het zich bij de tevoren reeds overgelegde stukken bevindende presentence investigation report van 15 januari 1998 houdt onder meer in:

"1. [E...], [betrokkene], [A...],[S...],[B...],[W...],[K...],[M...],[P...] were indicted on two counts by a Middle District of Florida Grand Jury on May 30, 1996. Count One charged that from 1995 through May 30, 1996, in Jacksonville, Florida and elsewhere, the defendants conspired to import hashish, in violation of 21 U.S.C. § 963. Count Two charged that from 1995 through May 30, 1996, in Jacksonville, Florida and elsewhere, the defendants conspired to export hashish from the United States to Canada, in violation of 21 U.S.C. § 963. (...)

2. (...) On July 8, 1997, [betrokkene] entered a plea of guilty to Count One (...). These five defendants who have entered guilty pleas are scheduled for sentencing on January 27, 1998. (...)

4. In 1995, [S...] met with an undercover agent of the Drug Enforcement Administration (DEA). The agent was posing as a transporter of illegal drugs. During the consensually recorded conversation [S...] and the undercover agent discussed the possibility of the DEA agent providing transportation for a large amount of hashish into the United States, which was to be later exported to Canada. The agent and [S...] met approximately three times in 1995.

5. Discussions regarding the transportation of hashish continued into 1996, when [S...] contacted the agent once more in February, 1996. [S...] advised that he knew of a group of Dutch drug dealers who had access to approximately 100 tons of hashish on a vessel off the coast of Africa. The Dutch group wanted a portion of the hashish transported to [A...], a Canadian hashish distributor in Montreal, Canada. [S...] discussed with the agent the possibility of transporting another portion of the hashish to New York. [S...] reached an agreement with the agent for the transportation of the hashish. The undercover agent was to receive a fee in both cash and hashish for smuggling the hashish into northern Florida and assisting in the further transportation of the hashish into Canada. (...)

18. On April 27, 1996, the undercover vessel met the motor vessel off the coast of Africa, at which time 15 tons of hashish were transferred onto the undercover vessel. Shortly thereafter, the undercover vessel headed to Jacksonville, Florida with the load of hashish. (...)

19. On May 12, 1996, the undercover vessel carrying the 15 tons of hashish (13,608 kilograms) arrived in Jacksonville, Florida and the hashish was unloaded by law enforcement officers for storage in a secure location. Also on that date, [E...], a member of the Dutch drug group and [S...] met with the undercover agent in Jacksonville to discuss the release of the hashish and delivery of the hashish to Canada. [E...] did not have sufficient funds to pay the undercover agent the one million dollar fee.

20. On May 22, 1996, in Jacksonville, Florida, the undercover agent met with [betrokkene], an associate of [E...], [A...] and [S...]. [Betrokkene] and [...] and the undercover agent discussed various ways the agent could obtain one million dollars for transportation of the hashish to Canada. Among the discussion was the possibility of receiving money from [E...]'s Luxembourg bank account, accepting 22 % of the hashish shipment, or getting the money from [A...]. [Betrokkene] left Jacksonville without securing the release of the hashish. The parties agreed to continue to negotiate the release of the hashish and the transportation of the hashish to Canada.

21. On May 29, 1996, the undercover agent met with [A...] and [S...] in Jacksonville regarding the release of the hashish. [A...] offered one million dollars in transportation fees or 2,500 kilograms of hashish. Later on that same day the undercover agent also met with [betrokkene], [E...] and [S...] in Jacksonville to discuss payment for the transportation of the hashish. After a lengthy discussion, [E...] and [betrokkene] agreed to pay the undercover agent 22 % of the proceeds of the sale of the hashish in exchange for the delivery of the entire load of hashish to Canada."

9. De Rechtbank heeft "het materiële feitencomplex" dat aan de rechterlijke beslissing van 27 januari 1998 "ten grondslag ligt" gekwalificeerd als: "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven welk handelen als misdrijf in artikel 140 Wetboek van Strafrecht is strafbaar gesteld".

10. Het middel houdt blijkens de toelichting de klachten in dat de Rechtbank aldus heeft miskend (i) dat van een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr slechts sprake kan zijn in geval van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, en (ii) dat voor strafbaarheid op grond van die bepaling vereist is dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van méér dan één misdrijf.

11. De eerste klacht acht ik ongegrond. Inderdaad dient "organisatie" in art. 140 Sr aldus te worden opgevat dat daarvan slechts sprake kan zijn in geval van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.(3) Het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat in het Amerikaanse vonnis besloten ligt dat [betrokkene] aan zo'n samenwerkingsverband heeft deelgenomen komt mij echter niet onbegrijpelijk voor. Het per schip invoeren van 13,608 kilogram hashish is praktisch gezien immers niet zonder zo'n samenwerkingsverband mogelijk.

12. De tweede klacht komt mij gegrond voor. Door het deelnemen aan een organisatie die slechts een enkel misdrijf beoogt (in casu de invoer in de Verenigde Staten van een lading hashish) is de delictsomschrijving van art. 140 Sr niet vervuld.(4) Mogelijk heeft de Rechtbank over het hoofd gezien dat [betrokkene] slechts ten aanzien van Count One (in het presentence investigation report weergegeven als: the defendants conspired to import hashish) is veroordeeld, en niet tevens ten aanzien van Count Two (the defendants conspired to export hashish from the United States to Canada).

13. Ik acht het middel derhalve terecht voorgesteld.

14. Het tweede middel klaagt over de inhoud van de door de Officier van Justitie overgelegde conclusie als bedoeld in art. 28, achtste lid, WOTS. Het gaat eraan voorbij dat ingevolge art. 32, eerste lid, WOTS cassatieberoep slechts openstaat tegen de uitspraak van de rechtbank. Het middel is derhalve ondeugdelijk.

15. Naar aanleiding van de tweede klacht van het eerste middel merk ik ambtshalve nog het volgende op.

16. Tot de voorwaarden voor overdracht van een veroordeelde ter tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde straf behoort ingevolge art. 3, eerste lid aanhef en onder e, van de te dezen toepasselijke Convention on the transfer of sentenced persons(5) de strafbaarheid naar het recht van de tenuitvoerleggende Staat van een overeenkomstig feit als dat waarvoor de straf is opgelegd.

In de onderhavige zaak is de straf opgelegd ter zake van Count One, zoals nader feitelijk omschreven in het presentence report. Voorwaarde voor toelaatbaarverklaring van de tenuitvoerlegging in Nederland van de aan [betrokkene] bij het bedoelde vonnis opgelegde straf is derhalve dat een overeenkomstig feit als de aldaar bedoelde gedraging strafbaar is naar Nederlands recht.

17. [Betrokkene] is in het presentence report aangemerkt als an associate of [E...] en heeft dus kennelijk behoord tot the group of Dutch drug dealers who had access to approximately 100 tons of hashish on a vessel off the coast of Africa, waarvan in dat rapport sprake is.(6) Voorts houdt dat presentence report onder meer in:

"[Betrokkene] left Jacksonville without securing the release of the hashish. The parties agreed to continue to negotiate the release of the hashish"

18. Op grond hiervan meen ik dat het overeenkomstige feit als waarvoor [betrokkene] is veroordeeld naar Nederlands recht oplevert het medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen (in de zin van art. 1, vierde lid, Opiumwet) van hashish. Uit deze passage valt immers af te leiden dat [betrokkene], ook al bevond hij zich niet aan boord van het schip waarmee de hashish naar Jacksonville werd gebracht en betrof zijn activiteit slechts de release van de hashish, bij de tenuitvoerlegging van het gezamenlijk plan tot invoer van die hashish met de anderen nauw heeft samengewerkt.(7)

19. Het voorgaande brengt mee dat de Rechtbank heeft verzuimd als toepasselijke wetsbepalingen te vermelden art. 47 Sr en de artikelen 3 en 11 Opiumwet. Uw Raad kan hierin op de voet van art. 32, negende lid, WOTS alsnog voorzien.

20. Het eerste middel gegrond achtende en om de ambtshalve aangevoerde reden concludeer ik dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch slechts voorzover de Rechtbank heeft geoordeeld dat de feiten waarvoor [betrokkene] is veroordeeld naar Nederlands recht opleveren deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en voorzover daarbij is verzuimd als toepasselijke wetsbepalingen te vermelden art. 47 Sr en de artikelen 3 en 11 Opiumwet, dat Uw Raad de genoemde wetsbepalingen alsnog zal vermelden, en dat hij het beroep voor het overige zal verwerpen.

Voor de Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Waarnemend Advocaat-Generaal

1 Blijkens de stukken is [betrokkene] bij aankomst in Nederland op 22 maart 2000 in vrijheid gesteld.

2 Een kopie daarvan is toegezonden aan mr A.E.M. Röttgering; haar reactie voeg ik in het dossier.

3 HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442 m.nt. C (r.o. 13.1). Zie voorts M.J.H.J. de Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht, diss. K.U.B. 1995, blz. 31-36.

4 HR 14 mei 1985, NJ 1986, 11 m.nt. GEM. Zie ook A-G Leijten in NJ 1986, 10, blz. 43, r.k.: "omdat anders art. 140 Sr ons algemeen samenspanningsartikel is, en dat dat niet bestaat wordt algemeen aanvaard. Het heeft óók zin, want een vereniging tot het plegen van misdrijven heeft andere aspecten dan die tot het plegen van een bepaald misdrijf, o.a. dit: dat zij een blijvend gevaar vormt voor de samenleving." Zie voorts M.J.H.J. de Vries-Leemans, o.c., blz. 44-49, en M. Rutgers, Strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen, diss. Leiden, Gouda Quint Arnhem, 1992, blz. 153-155.

5 Straatsburg, 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74).

6 Zie § 5 van het Presentence investigation report.

7 Vgl. HR 24 januari 1995, NJ 1995, 352.