Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB1518

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2001
Datum publicatie
19-02-2002
Zaaknummer
01333/00 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB1518
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 320
NJ 2001, 456
JOW 2001, 11
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01333/00/P

Mr Wortel

Zitting: 6 maart 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij uitspraak van 20 september 1999 vastgesteld dat verzoeker een wederrechtelijk voordeel heeft genoten van fl. 36.490,26 en hem ter ontneming van dat voordeel de verplichting opgelegd aan de Staat een geldbedrag van fl. 35.000,= te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 150 dagen hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr. D.J.L. Wijnveldt, advocaat te Westervoort, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. In het eerste middel wordt erover geklaagd dat het Hof niet de aan een benadeelde derde in rechte toegekende vorderingen, voorzover die proceskosten betreffen, in mindering heeft gebracht.

4. Daaromtrent is in de bestreden uitspraak overwogen:

“De raadsman heeft enige correcties en vermindering verzocht op het minimaal vast te stellen wederrechtelijk voordeel.

Het hof kan instemmen met de door de raadsman aangevoerde correcties ten bedrage van (…).

Het hof is van oordeel dat de gevraagde vermindering van ƒ. 5.437,94, zijnde proceskosten met betrekking tot het civiele vonnis van 9 maart 1995 gewezen tussen de Nationale Nederlanden Schadeverzekeringsmaatschappij en veroordeelde, waarbij [verdachte] werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 83.759,41 aan Nationale Nederlanden voornoemd, niet in mindering kan worden gebracht bij de bepaling van de omvang van het voordeel omdat dit geen voor het plegen van het feit door de veroordeelde gemaakte kosten betreft.”

5. Naar mijn oordeel is het middel terecht voorgesteld. In HR NJ 1998, 90 is uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat voerde tot uitbreiding van de mogelijkheden wederrechtelijk genoten voordeel te ontnemen (Kamerstukken 21 504, Wet van 10 december 1992, Stb 1993, 11) afgeleid dat de wetgever heeft willen voorkomen dat de belangen van benadeelde derden (nog verder) worden geschaad door het opleggen van een ontnemingsmaatregel.

Met het oog hierop heeft de Hoge Raad aangenomen dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook rekening moet worden gehouden met een ten gunste van de benadeelde derde uitgesproken onherroepelijke veroordeling van degene aan wie de ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd tot het betalen van wettelijke rente (indien het bedrag ervan vaststaat) en proceskosten.

6. In HR JOW 1999, 80 is nog eens onderstreept wat ook in HR NJ 1998, 90 reeds is te vinden: de rechter die over het opleggen van de ontnemingsmaatregel moet beslissen is niet verplicht rekening te houden met vorderingen van een benadeelde derde indien niet is gebleken dat het gewijsde waarbij die vorderingen zijn toegewezen onherroepelijk is geworden. Indien het toewijzen van die vorderingen eerst na het opleggen van de ontnemingsmaatregel onherroepelijk wordt kan die maatregel door toepassing van art. 577b, tweede lid, Sv aan die vorderingen worden aangepast.

7. Dat neemt niet weg dat de rechter die over de ontnemingsmaatregel moet beslissen, ook indien vorderingen van benadeelde derden nog niet onherroepelijk zijn toegewezen, hoewel daartoe niet gehouden, wel bevoegd is die vorderingen in mindering te brengen op het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

8. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd kan uit dit dossier niet worden afgeleid dat ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat het civiele vonnis waarbij de vorderingen van Nationale Nederlanden Schadeverzekeringsmaatschappij ten laste van verzoeker zijn toegewezen onherroepelijk was geworden.

9. In de bestreden uitspraak is als reden voor het weigeren van de verzochte vermindering, wat de in het civiele vonnis toegewezen proceskosten betreft, alleen de principiële reden gegeven dat die proceskosten geen voor het begaan van de feiten gemaakte kosten vormen. Dat is, gelet op HR NJ 1998, 90, als een onjuiste rechtsopvatting aan te merken.

Uit de aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen volgt voorts dat het Hof in eventuele onzekerheid of het civiele vonnis kracht van gewijsde had gekregen geen belemmering heeft gezien de daarbij toegewezen vordering, voor zover het rechtstreeks door het feit toegebrachte schade betreft, in mindering te brengen op het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

10. Daarin ligt besloten dat het Hof aannemelijk heeft geacht dat de vorderingen van Nationale Nederlanden Schadeverzekeringsmaatschappij met zekerheid het bedrag belopen dat in het civiele vonnis is vastgesteld. Nu in de bestreden uitspraak niet is vermeld dat het Hof daaromtrent anders heeft geoordeeld voor zover de toegewezen vorderingen proceskosten betreffen, hadden naar mijn inzicht ook die proceskosten in mindering gebracht moeten worden.

11. De omvang van die ten onrechte niet in mindering gebrachte proceskosten ligt vast. Er is geen nader onderzoek van feitelijke aard noodzakelijk om de omvang van het door verzoeker wederrechtelijk verkregen voordeel, respectievelijk de hoogte van de aan hem op te leggen betalingsverplichting te bepalen, met inachtneming van die proceskosten.

Daarom meen ik dat de Hoge Raad, na vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de zaak op de voet van art. 440, tweede lid, eerste volzin, Sv zelf kan afdoen.

12. Het tweede middel klaagt over schending van art. 6 EVRM doordat tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de daarop betrekking hebbende stukken ter griffie van de Hoge Raad een onredelijk lange termijn is verstreken.

13. Blijkens de toelichting op het middel heeft de steller daarvan uit de overeenkomstig art. 435 lid 1 Sv verzonden aanzegging afgeleid dat de stukken bij de Hoge Raad zijn binnengekomen op de dag waarop die aanzegging is gedateerd. Dat is een misvatting. De stukken zijn op 6 maart 2000, derhalve vijf maanden en één week na het instellen van cassatie bij de Hoge Raad ontvangen.

Deze klacht faalt bij gebreke aan feitelijke grondslag.

14. Het eerste middel is terecht voorgesteld, terwijl het tweede faalt en zich leent voor toepassing van art. 101a RO.

Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de vaststelling van het bedrag waarop het door verzoeker wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat, het bedrag waarvoor aan hem een verplichting tot betaling aan de Staat is opgelegd, en de duur van de aan die verplichting verbonden vervangende hechtenis;

dat de Hoge Raad zal bepalen dat:

- het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat ¦ 31.052, 32 beloopt;

de aan verzoeker, ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel, opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat ¦ 29.500,= bedraagt;

het aantal dagen hechtenis dat kan worden tenuitvoergelegd bij gebreke aan betaling en verhaal 140 is,

met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,