Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB1515

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2001
Datum publicatie
22-07-2002
Zaaknummer
02906/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB1515
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 301
Wetboek van Strafvordering 422
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 323
NJ 2001, 457
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr. Jörg

Nr. 2906/00

Zitting 13 februari 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoekster op 15 maart 2000 schuldig verklaard aan doodslag en ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarbij heeft het hof bevolen dat verzoekster ter beschikking zal worden gesteld met het bevel dat zij van overheidswege zal worden verpleegd.

2. Namens verzoekster heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een schriftuur ingediend houdende vier middelen van cassatie.

3. Het eerste middel komt op tegen het verzuim dat het onderzoek op de terechtzitting van het hof niet in zijn geheel openbaar is geweest, onder verwijzing naar HR 4 april 2000, NJ 2000, 633 m.nt. 'tH. Ten onrechte zou het hof wel kennis hebben genomen van een videoband hoewel die niet ter terechtzitting is vertoond.

4. In het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 1 maart 2000 staat, voor zover hier relevant, het volgende:

"De voorzitter deelt mede dat het Hof heeft kennisgenomen van de videoband behorende bij de onderhavige zaak, welke in het dossier is gevoegd.

De raadsman deelt desgevraagd door de voorzitter mede dat de verdediging geen behoefte heeft genoemde video-opnamen ter terechtzitting te bekijken."

5. Ook ter terechtzitting in eerste aanleg is de videoband ter sprake gekomen. Uit hetgeen het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 16 september 1999 daarover vermeldt, blijkt bovendien wat op de videoban is vastgelegd (p. 8):

"(verdachte) De voorzitter houdt mij voor dat er video-opnamen gemaakt zijn waarop te zien is, hoe [slachtoffer] later die dag in zijn auto werd aangetroffen.

Dat weet ik, want ik heb die video gezien. Ik heb toen ook verklaard dat het mijn trui was die om het hoofd van [slachtoffer] zat.

De raadsman van verdachte verklaart zakelijk weergegeven: Ik ken die video-opnamen ook.

De voorzitter deelt mede dat met instemming van de officier van justitie en de raadsman van verdachte wordt afgezien van het vertonen van de video-opnamen in de zittingszaal."

6. Voor de beoordeling van het middel is van belang hetgeen is bepaald in art. 301, vijfde lid, Sv:

"Ten bezware van de verdachte wordt geen acht geslagen op stukken, die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet overeenkomstig het vierde lid is meegedeeld."

7. Tezamen met de andere leden van art. 301 Sv vormt deze bepaling een nadere uitwerking van de externe openbaarheid van het strafproces. Uit art. 301 Sv volgt dat de wetgever het niet nodig achtte dat ter terechtzitting de inhoud van alle stukken wordt medegedeeld. A contrario kan uit art. 301 Sv worden afgeleid dat de externe openbaarheid zich er niet tegen verzet dat slechts een deel van de stukken ter terechtzitting ter sprake komt.

8. Voorts is van belang HR 11 mei 1982, NJ 1982, 585 m.nt. ThWvV rov. 5.3. waarin de Hoge Raad overwoog

"dat - voor zover de voorschriften vervat in art. 297 Sv (thans: 301, NJ) mede zijn gegeven in het belang van de uitwendige openbaarheid van de procesvoering - de wetgever het oordeel of met het oog op dat belang voorlezing van stukken geboden is heeft overgelaten aan de voorzitters, de rechters en de OvJ des dat, wanneer de verdachte geen voorlezing verzoekt, zij ingevolge gemeld wetsartikel slechts moet geschieden indien de voorzitter, een der rechters of de OvJ dit verlangt"

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof blijkt dat de raadsman mededeelde geen behoefte te hebben de videoband ter terechtzitting te bekijken.

9. Voor zover door het niet (verkort) voorlezen van stukken een inbreuk zou worden gemaakt op het beginsel dat terechtzittingen in het openbaar plaatsvinden, volgt deze inbreuk uit het bepaalde in art. 301 Sv. Dat het hof bij de voorbereiding van de strafzaak kennis heeft genomen van de inhoud van de bij de processtukken gevoegde videoband heeft niet te maken met het punt dat in het in het middel aangevoerde arrest HR 4 april 2000, NJ 2000, 633 m.nt. 'tH aan de orde was, nl. de openbaarheid van terechtzittingen in de zin van toegankelijkheid voor het publiek.

10. Zie over de verhouding tussen hetgeen is bepaald in art. 301 Sv en de externe openbaarheid ook Corstens, Handboek 1999, blz. 573-575.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt over schending van art. 422, tweede lid, Sv doordat het hof een in eerste aanleg betwiste getuigenverklaring tot bewijs heeft gebezigd.

13. Ter terechtzitting van de rechtbank van 9 juli 1999 heeft de getuige-deskundige Van Ingen een verklaring afgelegd waarvan het hof een deel als bewijsmiddel (3) bezigt. Van het betreffende proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank wordt een deel weergegeven in de toelichting op het middel. Het bevat onder meer de verklaring van verdachte aansluitend op de verklaring van de getuige-deskundige Van Ingen:

"De verdachte betwist de verklaring van de getuige-deskundige niet."

14. Reeds op grond van deze expliciete, in cassatie niet bestreden verklaring van de verdachte, moet het middel falen (zie ook conclusie A-G Remmelink voor HR 24 juni 1980, NJ 1980, 615). Het middel faalt om nog een reden.

15. De verklaring van Van Ingen, afgelegd ter zitting van de rechtbank op 9 juli 1999, heeft het hof kennelijk verstaan als het uiteenzetten van de mogelijkheid dat iemand met het postuur van verzoekster een man met het postuur als het slachtoffer kon wurgen. De raadsman heeft in zijn pleidooi op 16 september 1999 de wettigheid en de overtuigende kracht van het voorhanden bewijsmateriaal betwist. Een dergelijke uitleg van de door de getuige-deskundige afgelegde verklaring en het betoog van de raadsman, welke uitleg de verklaringen niet met elkaar strijdig doet zijn, is van feitelijke aard, is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden getoetst (HR 20 december 1977, NJ 1978, 638; HR 28 juni 1977, DD 77.231; Minkenhof/Reijntjes 1999, blz. 408).

16. Het middel faalt.

17. Het derde middel richt zich tegen het gebruik tot bewijs van de verklaring van de getuige-deskundige Van Ingen, en valt in twee onderdelen uiteen. De eerste klacht betreft de verwerping van het verweer dat Van Ingen niet uit hoofde van eigen wetenschap verklaarde. De tweede klacht betwist de deskundigheid van Van Ingen als zodanig.

18. Als derde bewijsmiddel heeft het hof een deel van de verklaring gebezigd zoals die ter terechtzitting in eerste aanleg is afgelegd door Van Ingen, arts-anatoom. De tekst daarvan is weergegeven in de toelichting op het middel.

19. Wat betreft de eerste klacht: een arts-anatoom is deskundige als het gaat om de vaststelling van mogelijke doodsoorzaken van slachtoffers (doodbloeden, verstikking etc.). Dit valt te onderscheiden van de wijze waarop de doodsoorzaak in een concreet geval kan zijn teweeggebracht (een schotwond; strangulatie). Soms zal een arts-anatoom meer gegevens nodig hebben dan alleen zijn bevindingen uit de autopsie om tot een waarschijnlijke verklaring van de gang van zaken die tot de dood heeft geleid te kunnen komen. In de onderhavige zaak is dat aanwijsbaar in het onderdeel `epicrise' van het tot bewijs gebezigde rapport van de arts-patholoog (arrest p. 15). In die epicrise komen geen mededelingen of inschattingen voor die een arts-patholoog niet uit hoofde van zijn deskundigheid kan maken. Met name moet een arts-patholoog geacht worden vanuit zijn deskundigheid te kunnen verklaren hoeveel (in het onderhavige geval beter gezegd: hoe weinig) kracht er voor nodig is iemand te wurgen, en om deze uit zijn deskundigheid verkregen kennis toe te passen op de beschreven situatie. De deskundige kon dus uit hoofde van eigen wetenschap verklaren zoals hij deed in de verklaring die het hof tot bewijs heeft gebezigd. Deze klacht faalt.

20. Voorts heeft de toenmalige raadsman van verzoekster ter terechtzitting van het hof betwist dat Van Ingen deskundig was. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof dit verweer gemotiveerd had moeten weerleggen. Met de opmerking van de raadsman - zoals te lezen in het proces-verbaal van de rechtbankzitting op 16 september 1999 - dat de deskundige "niet gehinderd door een volstrekt gebrek aan kennis van zaken" de voorgelegde vragen wel meende te moeten beantwoorden, kan men het geheel eens zijn.

21. Overigens stuit de klacht af op de rechtspraak die in de toelichting wordt aangehaald ter ondersteuning van de klacht. Daaruit blijkt namelijk dat de rechter slechts responsieplichtig is indien de door de deskundige gehanteerde onderzoeksmethode gemotiveerd wordt betwist. In de onderhavige zaak is niet de door Van Ingen gehanteerde onderzoeksmethode betwist maar diens als deskundige gegeven oordeel. (HR 30 maart 1999, NJ 1999, 451 rov. en 't Hart in zijn noot sub 1 onder dit arrest). Voor zover het oordeel van de deskundige wordt betwist geldt de hoofdregel dat het hof vrij is in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal (HR 27 juni 2000, NJ 2000, 580 rov. 4.4.; HR 21 september 1999, NJ 2000, 380 rov. 3.1.2. m.nt. Kn). Een uitzondering op deze regel doet zich in de onderhavige zaak niet voor.

22. Het middel faalt in beide onderdelen.

23. Het vierde middel klaagt over de motivering van de opgelegde maatregel van ter beschikkingstelling met dwangverpleging.

24. De door het hof gegeven motivering van de opgelegde maatregel zou onbegrijpelijk zijn omdat niet zou blijken dat (1) verzoekster in het recente verleden bij herhaling medische adviezen tot medicijngebruik niet zou hebben opgevolgd; (2) sprake is van een stellig ontkennende verdachte in plaats van een verdachte met geheugenverlies. Bovendien (3) zou het hof miskennen dat verzoekster ook na afloop van de maatregel van terbeschikkingstelling niet voltijds zal worden begeleid.

25. Over het medicijngebruik staat in het rapport van het Pieter Baan Centrum dat verzoekster geen lithium wilde slikken tijdens haar vorige opnames in de psychiatrie omdat ze bang was dat dit een eventuele zwangerschap zou schaden. Ik citeer uit het rapport dat ook van belang is voor de beoordeling van de derde klacht die het middel bevat.

"Duidelijk is wel dat betr. al lange tijd een kind wilde. Dit zou ook de reden geweest zijn dat zij geen lithium wilde slikken tijdens haar vorige opnames in de psychiatrie; betr. was bang dat dit een eventuele zwangerschap zou schaden en was van dit idee niet af te brengen. Wel was zij bereid tot een RIAGG-contact, vanuit schaamte over haar gedrag tijdens de perioden dat zij gedecompenseerd was. () Deze contacten hadden het karakter van "vinger aan de pols houden" en hebben maar enkele malen plaatsgevonden. Betr. zag steeds een andere hulpverlener en is na de zomer in 1998 (zij was toen reeds vijf maanden zwanger van haar huidige kind) niet meer op de afspraken verschenen. () Duidelijk is dat betr. de noodzaak ervan niet meer zo zag, zeker toen de, in de beleving van betr. en haar familie "gevoelige" periode (de zomermaanden) weer voorbij was. Enkele dagen na de bevalling van haar zoontje op 12 november jl. is betr. wederom ernstig manisch gedecompenseerd." (blz. 27)

26. Hieruit is op te maken dat verzoekster tijdens opnames in de psychiatrie weigerde lithium te slikken. Nog duidelijker is het aanvullend rapport van J.A.F. Peeters d.d. 9 september 1999, waarin hij wijst op "betr.'s weigering destijds van nazorg en medicatie". Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 1 maart 2000 blijkt dat de voorzitter mondeling de korte inhoud heeft medegedeeld van de stukken, waaronder beide rapporten moeten worden begrepen. Dit betekent dat klacht nummer 1 feitelijke grondslag mist.

27. Klacht nummer 3 dient ook tegen de achtergrond van deze rapporten te worden gezien. Geen verschil van mening bestaat er tussen het hof en de deskundigen dat verzoekster ten tijde van haar daad niet toerekeningsvatbaar was. Wel meningsverschil bestaat er over het gevaar dat verzoekster voor anderen en voor de algemene veiligheid van personen oplevert. De medici achten verzoekster wel te motiveren voor het duurzaam gebruik van medicijnen, die haar manische decompensaties kunnen voorkomen. Zij achten de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (die volgens art. 37 Sr de termijn van een jaar niet te boven gaat) voldoende om onder meer de effecten van de medicatie te kunnen controleren en om haar goed ingesteld te houden op de medicatie. Daarna zou de controle op de effecten van de medicatie op vrijwillige basis kunnen plaats vinden door de huisarts.

Het hof is echter van oordeel dat het opvolgen van het advies onvoldoende waarborgen biedt tegen een fatale herhaling van delict als de onderhavige, en zoekt de waarborgen meer in de sfeer van de tbs. Nu de duur van de tbs langer is dan die van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, en de in dat kader te verlenen verloven en ook de voorwaardelijke beëindiging gepaard kan gaan met verplichtingen om medicatie in te nemen, is dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, ook niet waar het ervan uit gaat dat de verpleging van verzoekster desnoods in een psychiatrisch ziekenhuis kan plaats vinden. Deze klacht faalt dus ook.

28. Dat in dit oordeel een rol heeft gespeeld dat het hof verzoekster als een ontkennende verdachte en niet - zoals de raadsman ter terechtzitting aannemelijk wilde maken - als een verdachte met geheugenverlies beschouwt is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet kan worden getoetst. Daarmee faalt ook klacht nummer 2.

29. Het middel faalt in alle onderdelen.

30. Ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden moeten leiden, heb ik niet aangetroffen.

31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG