Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB1473

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2001
Datum publicatie
19-02-2002
Zaaknummer
02895/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB1473
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 14
Wetboek van Strafvordering 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 326
NJ 2001, 481
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr. Jörg

Nr. 2895/00

Zitting 13 februari 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft, met vrijspraak van het tenlastegelegde meermalen medeplegen van moord en eenmaal medeplegen van poging tot moord, verzoeker bij arrest van 29 maart 2000 wegens - kort gezegd - het medeplegen van doodslag, meermalen (nl. tweemaal) gepleegd, het medeplegen van poging tot doodslag alsmede verboden wapen- en munitiebezit, veroordeeld tot zestien jaar gevangenisstraf. Bovendien heeft het hof de teruggave gelast van inbeslaggenomen kleding en enkele voorwerpen aan het verkeer onttrokken. Voorts heeft het hof de vordering van een benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van ƒ 1.423,00 in combinatie met de alternatieve verplichting de helft van dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

2. Behalve verzoeker is ook zijn broer [betrokkene A] veroordeeld wegens diens aandeel in de schietpartij. In zijn zaak, aanhangig onder nummer 2894/00, neem ik heden eveneens conclusie. Voorts heeft ook het openbaar ministerie beroep in cassatie ingesteld. Dit beroep is niet-ontvankelijk aangezien het openbaar ministerie geen schriftuur houdende middelen van cassatie heeft voorgesteld (art. 437, eerste lid, Sv oud).

3. Het betreft hier de zogenaamde Bacchus-zaak, genoemd naar het gelijknamige muziekcafé in Gorinchem waar op 10 januari 1999 bij een schietpartij twee jonge vrouwen gedood werden en een derde ernstig gewond werd. Deze conclusie betreft slechts het strafrechtelijke aspect van deze zaak die tot grote maatschappelijke beroering heeft geleid.

4. Kort gezegd komt uit de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen naar voren dat verzoeker de dodelijke schoten heeft gelost met het pistool dat hij kort tevoren van zijn broer [betrokkene A] had afgepakt. Dit pistool was [betrokkene A] gaan halen na een ruzie met Albanezen in en buiten Bacchus, waarbij [betrokkene A] iets gezegd heeft in de trant van: `Ik maak jullie allemaal af.’ Nadat verzoeker dit pistool had afgepakt is [betrokkene A] naar Bacchus teruggegaan om verhaal te halen, gevolgd door verzoeker. Aangekomen bij Bacchus werden zij niet toegelaten. [Betrokkene A] heeft daar op de deuren gebonsd, veel herrie gemaakt en geschreeuwd dat de Albanezen naar buiten moesten komen. Verzoeker heeft, toen hij door een ruitje in een deur een portier naar binnen zag lopen zeven schoten gericht op de toegangsdeur gelost.

5. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

6. Het eerste middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het houden van een reconstructie.

7. Ter terechtzitting van het hof van 13 maart 2000 heeft de toenmalige raadsman van verzoeker een reconstructie verzocht in verband met mogelijk schotresten p-v, p. 15). Daaraan lag kennelijk de gedachte ten grondslag dat daaruit zou kunnen blijken dat alsdan op de (kleding van de) schutter schotresten zouden moeten worden aangetroffen. Bij het onderzoek van verzoeker en diens kleding waren deze niet aangetroffen.

8. Het hof heeft het verzoek afgewezen en daartoe overwogen zoals is weergegeven in de toelichting op het middel.

9. In het oordeel van het hof - dat een reconstructie van het schietproces en een daaropvolgend schotrestenonderzoek redelijkerwijs niet kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding - ligt besloten dat het houden van een reconstructie niet noodzakelijk was. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf gehanteerd (art. 316 en 328 in verband met art. 415 Sv; HR 7 november 1995, DD 96.094; HR 28 april 1992, DD 92.307).

10. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk, mede gezien de op dezelfde terechtzitting afgelegde verklaring van getuige-deskundige R.C. Roepnarain die onder meer als volgt luidt:

“Mij wordt gevraagd of een reconstructie van het schietproces de waarheid zou kunnen dienen. Ik merk op dat een reconstructie van het schietproces moeilijk is. Bij de reconstructie moet bijvoorbeeld exact dezelfde munitie worden gebruikt. Gebleken is dat in casu sprake was van herladen patronen, welke niet fabrieksmatig worden gemaakt. Herladen patronen worden gemaakt door kleine firma’s en hobbyisten. Voorts zijn van belang de stand van het wapen, de wijze waarop de mouw zat, de weersomstandigheden en de frequentie van het manipuleren van de kleding na het schieten.()

Bij een reconstructie van het schietproces en een daaropvolgend schotrestenonderzoek kan worden vastgesteld of de combinatie van het betreffende wapen en de bij het schietincident gebruikte munitie schotresten zouden kunnen veroorzaken. Een exacte reconstructie is echter niet mogelijk.”

11. Dat een aantal gegevens wel bekend zijn, zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, doet hieraan niet af.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het medeplegen van doodslag en het medeplegen van poging tot doodslag, en valt in drie klachten uiteen.

14. Het middel faalt bij gebrek aan belang. Het leerstuk van het medeplegen slaat namelijk de brug tussen het niet volledig uitvoeren van de bestanddelen van een wettelijke delictsomschrijving en het toch strafrechtelijk aansprakelijk zijn voor de volledige verwezenlijking van het delict. Dit probleem speelt in de zaak van verzoekers broer, maar niet in die van verzoeker, aangezien bewezenverklaard is dat het verdachte was (en niet zijn broer) die de schoten heeft gelost en die zodoende ten volle de door de wet verboden gedragingen heeft verricht. Wat dit betreft had verzoeker ook wegens plegen veroordeeld kunnen worden. Aan medeplegen is geen hogere straf verbonden dan aan het plegen, dus hierin is ook geen belang van verzoeker gelegen.

Dat het middel, dat reeds faalt ten aanzien van [betrokkene A], overigens a fortiori zou falen in de onderhavige zaak, valt te lezen in mijn conclusie in de zaak van [betrokkene A], waarnaar ik kortheidshalve verwijs.

15. Het derde middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de verklaring waarin verzoeker de bewezenverklaarde feiten bekent, onrechtmatig is verkregen.

16. Ter terechtzitting van het hof heeft de toenmalige raadsman van verzoeker aangevoerd dat de bekentenis is verkregen in strijd met het in art. 3 EVRM uitgedrukte folterverbod en het verbod van een onmenselijke of vernederende behandeling.

17. Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe onder meer overwogen zoals is weergegeven in de toelichting op het middel.

18. De toelichting op het middel benadrukt dat verzoeker ten tijde van zijn bekentenis was verstoken van de bijstand van een raadsman.

19. Het middel en de toelichting miskennen dat het hof ook nog heeft gewezen op twee verklaringen van verzoeker die hij in aanwezigheid van zijn raadsman tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd: op 14 januari 1999 heeft verzoeker wederom een bekennende verklaring afgelegd; op 18 februari 1999, derhalve dus een maand later, heeft verzoeker zijn bekentenissen herhaald. Wat er ook zij van de kwaliteit van het verhoor door de politie, dat verzoeker niet heeft kunnen terugkomen op de bij de politie afgelegde bekentenis is hierdoor onaannemelijk, zodat niet van een noodzakelijke doorwerking van het resultaat van een (eventueel onrechtmatig) verhoor kan worden gesproken. Verzoeker is dus niet in zijn belang geschaad (zie Naeyé, ‘Schending van vormvoorschriften tijdens het opsporingsonderzoek’, in In zijn verdediging geschaad, 1989, blz. 51-61 op blz. 58).

20. Dat het hof het verweer heeft verworpen is reeds terecht op bovenstaande grond.

21. Het middel faalt.

22. Het vierde middel klaagt over de bewijswaarde van de verklaring van [de getuige] zoals die in bewijsmiddel 4 is neergelegd.

23. De ter terechtzitting van het hof door [de getuige] afgelegde verklaring en de eigen waarneming van het hof, zijn weergegeven in de toelichting op het middel.

24. Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat het hof tevens de verklaring van [de getuige] tot bewijs bezigt, welke hij op 15 maart 1999 en 6 april 1999 tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd. Daaruit blijkt onder meer dat hij kort na de schietpartij zag dat één van de drie mannen een bril droeg en dat díe man een vuurwapen in de binnenzak van zijn jas deed.

25. Uit de verklaring die verzoeker op 6 april 1999 tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd, volgt dat [de getuige] daar de foto van verzoeker met baard en bril heeft aangewezen als “zeker” de man die een vuurwapen in een jaszak wegstopte.

26. Uit het samenstel van de verklaringen van [de getuige] blijkt dat hij zich ter terechtzitting heeft vergist toen hij de tolk en niet verzoeker aanwees als de man die hij kort na de schietpartij zag en die een vuurwapen in zijn jaszak stopte. Door de eigen waarneming van het hof wordt ook aannemelijk waarom [de getuige] zich vergiste: verzoeker had ten tijde van de schietpartij wèl een baard en snor, maar ter terechtzitting niet.

27. Ondanks de vergissing van [de getuige] heeft het hof diens verklaring voor het bewijs kunnen gebruiken, aangezien het hof door zijn waarnemingen aangeeft hoe deze vergissing kan zijn ontstaan. Het is dus een zeer beredeneerd, en daarom even overtuigend, bewijsmiddel.

28. Het middel faalt.

29. De middelen falen en ondanks de bijzonder grote ernst van de zaak kan ik u toch niet anders adviseren dan de middelen af te doen met de `kale’, aan art. 101a ontleende motivering.

30. Ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden moeten leiden, heb ik niet aangetroffen.

31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG