Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB0260

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-02-2001
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00135/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB0260
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2001-02-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 167
NJ 2001, 308

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 00135/00

Zitting 14 november 2000

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoeker bij arrest van 17 november 1999 vrijgesproken van de hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feiten en hem ter zake van 1 nog meer subsidiair "medeplegen van door het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen opzettelijk uitlokken van zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft" en 2 "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf. Deze zaak hangt samen met de zaak met griffienummer 00136/00 waarin ik heden eveneens concludeer.

2. Namens verzoeker heeft mr A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld. Het cassatieberoep richt zich kennelijk niet tegen de gegeven vrijspraken.

3. Het middel richt zich met een viertal klachten tegen de bewezenverklaring van feit 1 nog meer subsidiair.

4. Ten laste van verzoeker is onder 1 nog meer subsidiair bewezenverklaard dat:

"[betrokkene A] op 10 december 1997 te [plaats B] in een woning gelegen aan de [a-straat] opzettelijk een persoon, genaamd [het slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (steekwond in de buik en/of een breuk van het bovenste hoorn van het strottenhoofd), immers heeft die [betrokkene A] toen aldaar opzettelijk

- meermalen met een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam van [dat slachtoffer] gestoken en

- met kracht tegen de hals van [dat slachtoffer] geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt,

tengevolge waarvan voornoemd [slachtoffer] is overleden;

welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander in of omstreeks de periode 1 tot en met 10 december 1997 te [plaats B] en elders in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen door:

- aan die [betrokkene A] mede te delen dat hij, verdachte, en [mededader] en anderen door [dat slachtoffer] (meermalen) zijn bedreigd en

- de hulp in te roepen van die [betrokkene A] en anderen teneinde [dat slachtoffer] te laten stoppen met (het uiten van) bedreigingen tegen hem, verdachte, en [mededader] en anderen."

5. De gebezigde bewijsmiddelen houden, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

- de als bewijsmiddel 1 tot het bewijs gebezigde verklaring van verzoeker:

"Over die bedreigingen heb ik met mijn zuster ([mededader], NJ) gesproken en die heeft hulp gevraagd van [betrokkene A] (de zoon van [mededader], NJ). Wij hebben in onderling overleg besloten hulp te vragen aan [betrokkene A]. Op zaterdag 6 of 7 december 1997 heb ik een en ander met mijn zuster besproken. [Betrokkene A] is naar [plaats B] gekomen toen zijn moeder hem op hulp had gevraagd."

- het als bewijsmiddel 2 tot het bewijs gebezigde relaas van verbalisanten, inhoudende een weergave van hetgeen [mededader] tegenover hen had verklaard:

"[Het slachtoffer] begon haar en haar dochter te bedreigen. () Hij was een keer kwaad bij haar binnen komen stuiven. Hij had haar een pistool getoond en gezegd dat hij wel wist hoe hij een moeder het beste kon treffen, namelijk door haar dochter te pakken te nemen. Ze verklaarde dat ze over het probleem [slachtoffer] met haar zoon [betrokkene A] hevig had gediscussi[e]erd. Uiteindelijk zag ze het niet meer zitten en had ze de hulp van [betrokkene A] ingeroepen. Ze verklaarde dat ze aan [betrokkene A] had gezegd dat [het slachtoffer] ook [betrokkene A] had gedreigd te zullen vermoorden. Hierop vertelde [betrokkene A] haar dat als [het slachtoffer] hem zou gaan bedreigen, hij hem koud zou maken.

- de als bewijsmiddel 6 tot het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 1]:

"Op vrijdag 5 december 1997 belde de moeder van [betrokkene A]. Ik hoorde [betrokkene A] onder andere zeggen:

"Nu is het genoeg geweest. Hij verdwijnt de koffer in en jij bent dom dat je met hem in zee bent gegaan."

[Betrokkene A] vertelde mij dat zijn moeder met iemand in zee was gegaan in verband met een weedplantage, welke op de zolder van [a-straat 1] te [plaats B] was gevestigd en dat die man zijn moeder vreselijk onder druk aan het zetten was en dat deze man had gedreigd het zusje van [betrokkene A] te vermoorden."

de als bewijsmiddel 7 tot het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 2]:

"Op een avond tussen 5 en 8 december 1997 was ik in Enschede. Ik werd gebeld op mijn mobiele telefoon. De beller vroeg naar [betrokkene A]. Ik hoorde dat [betrokkene A] met een kwade en geëmotioneerde stem tegen de opbeller riep: "Hebt die dat gezegd. Ik maak heb koud[,] ik begraaf hem. Ik ben niet bang voor hem. Ik maak heb dood. Ik lach hem uit. Wat mot ie dan." Althans woorden van een dergelijke strekking. Deze woorden herhaalde [betrokkene A] tijdens dit telefoongesprek meerdere malen. [Getuige 1] heeft dit gesprek gehoord.

Na het telefoongesprek zei [betrokkene A] tegen mij dat de opbeller tegen hem gezegd had dat er dreigementen waren geuit in de richting van [betrokkene A], zijn familie en zijn vrienden.

[Betrokkene A] deelde mij vervolgens mede dat hij binnen een paar dagen naar [plaats B] wilde gaan.

Voordat ik wegging uit de woning hoorde ik dat [betrokkene A] tegen [getuige 1] zie: "Nou ga je zien uit welk hout ik gesneden ben."

6. Een kenmerk van uitlokken is dat de uitlokker een ander beweegt tot het begaan van een strafbaar feit en dat die ander uitvoering geeft aan het initiatief van de uitlokker (vgl. Krabbe in:

Daderschap en deelneming, 4e, p. 129). Wanneer bij de ander het plan reeds bestond voordat de uitlokker in actie kwam, is van strafbare uitlokking geen sprake (vgl. Van Woensel in: T&C Sr 3e, aant. 5d bij art. 47 en de aldaar genoemde jurisprudentie). Dit laat overigens onverlet dat ook van uitlokking kan worden gesproken als het voornemen om een bepaald strafbaar feit te begaan reeds voor de uitlokkingshandelingen bij een ander aanwezig was, maar eerst door de handelingen van de uitlokker vaste vormen heeft aangenomen (vgl. HR 29 september 1992, DD 93.077).

7. In cassatie is evenals in feitelijke aanleg door de verdediging de vraag aan de orde gesteld of [betrokkene A] door het telefoontje van zijn moeder in het weekend van 6 en 7 december 1997 waarin zijn moeder hem mede namens verzoeker om hulp heeft gevraagd, is bewogen tot de mishandeling van [het slachtoffer] of dat het voornemen om dat feit te begaan op 5 december 1997 reeds bij hem aanwezig was.

8. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat [betrokkene A] op 5 december 1997 een telefoontje van zijn moeder kreeg waarin zij hem heeft medegedeeld dat [het slachtoffer] had gedreigd het zusje van [betrokkene A] te vermoorden, hetgeen aan hem onder andere de woorden "hij verdwijnt de koffer in" heeft ontlokt (bewijsmiddelen 2 en 6). Vervolgens hebben verzoeker en de moeder van [betrokkene A] in het weekend van 6 en 7 december 1997 in onderling overleg besloten de hulp van [betrokkene A] in te roepen (bewijsmiddel 1). [Betrokkene A] is toen kennelijk wederom telefonisch door zijn moeder benaderd en tijdens dat telefoongesprek heeft zij hem medegedeeld dat ook hij werd bedreigd door [het slachtoffer], waarop [betrokkene A] heeft laten weten dat "hij hem koud zou maken" (bewijsmiddel 2). Dit is kennelijk hetzelfde gesprek waarop in bewijsmiddel 7 wordt gedoeld en dat tussen 5 en 8 december 1997 (dus op 6 of 7 december 1997) heeft plaatsgevonden,(1) aangezien de getuige van dat gesprek verklaart dat [betrokkene A] tijdens dat telefoongesprek onder meer heeft gezegd "ik maak hem koud", terwijl [betrokkene A] hem na afloop van het gesprek heeft verteld dat de opbeller had gezegd dat er onder meer bedreigingen waren geuit aan het adres van [betrokkene A].

9. Gelet op de - ook in vergelijking met het gesprek van 5 december 1997 - zeer felle en ondubbelzinnige bewoordingen waarin [betrokkene A] zich heeft uitgelaten tijdens het op 6 of 7 december 1997 met zijn moeder gevoerde telefoongesprek waarin deze mede namens verzoeker om zijn hulp heeft verzocht en in aanmerking genomen hetgeen [betrokkene A] na afloop van dat gesprek tegen [getuige 1] heeft gezegd, heeft het hof kennelijk aangenomen - gelijk het dat kon doen - dat het bij [betrokkene A] op basis van eerdere gesprekken met zijn moeder, waaronder het gesprek van 5 december 1997, reeds ontstane voornemen om [het slachtoffer] een lesje te leren eerst naar aanleiding van het op 6 of 7 december 1997 gevoerde telefoongesprek vaste vormen heeft aangenomen en in een definitief wilsbesluit is omgezet (vgl. HR 29 september 1992, DD 93.077).

10. Uit het voorgaande volgt dat de in het middel onder a, b en c geformuleerde klachten, die als uitgangspunt nemen dat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat van uitlokking geen sprake was omdat het wilsbesluit om [het slachtoffer] te mishandelen bij [betrokkene A] al aanwezig was ten tijde van hulpverzoek, falen. Ik wil er aan toevoegen dat - gelijk Uw Raad ook reeds aanstipte (zie boven)-, het bij uitlokken heel vaak niet zal gaan om een zwart-wit situatie in die zin dat de uitgelokte tabula rasa of lelieblank is. De kans dat iemand met succes wordt uitgelokt is immers groter indien de geneigdheid tot een of het delict reeds bestaat. Het uitlokkingsmiddel behoeft slechts het beslissende zetje te geven. HSR 15e, p. 454, benadrukt nog eens dat het niet om het uitlokken van een persoon gaat, maar om het uitlokken van het delict. Het hebben van generiek opzet staat aan de mogelijkheid dat het delict wordt uitgelokt niet in de weg (o.c., p. 459).

"Van een aanwezige wil om het feit te plegen kan o.i. slechts worden gesproken, als deze betrekking heeft op een concreet feit, dat de `uitgelokte' zal gaan plegen" (t.a.p.). Steun voor deze opvatting biedt ook De Hullu in zijn Materieel strafrecht, 2000, p. 461: "Eerst wilde de uitgelokte niet, in ieder geval nog niet definitief; na het optreden van de uitlokker met bepaalde middelen wilde hij wel en handelde hij daar vervolgens ook naar. () De psychische omslag moet door de uitlokker en de door hem gebezigde uitlokkingsmiddelen zijn veroorzaakt."

11. Voorzover in klacht d van het middel het standpunt wordt ingenomen dat de mededeling aan [betrokkene A] over de bedreigingen van [het slachtoffer] en het inroepen van de hulp van [betrokkene A] en anderen om daaraan een einde te maken ten onrechte als het verschaffen van inlichtingen is aangemerkt, geldt het volgende.

12. Onder het verschaffen van inlichtingen wordt verstaan het mededelen van feiten en omstandigheden waardoor het plegen van het delict mogelijk of gemakkelijk wordt gemaakt (vgl. Kok en Römer in: Daderschap en deelneming, 4e, p. 119 en de daar genoemde jurisprudentie). Mijns inziens valt onder die definitie niet slechts het mededelen van feiten en omstandigheden waardoor het feitelijk gemakkelijker wordt gemaakt om een bepaald strafbaar feit te begaan, maar ook waardoor het moreel gemakkelijker wordt gemaakt.

13. Dat door het telefoongesprek van 6 of 7 december 1997 de morele barrière die de meeste mensen ervan weerhoudt feiten als de onderhavige te begaan bij [betrokkene A] is doorbroken, blijkt uit zijn felle en emotionele reacties tijdens en na dat telefoongesprek. Hoewel zijn moeder hem al eerder op de hoogte had gebracht van de bedreigingen door [het slachtoffer], was het feit dat er wederom bedreigingen waren geuit - voor het eerst jegens [betrokkene A] en zijn vrienden en voor de zoveelste keer richting zijn familie - in combinatie met de omstandigheid dat zijn moeder hem om hulp vroeg omdat zij het niet meer zag zitten, voor [betrokkene A] kennelijk de druppel die de emmer deed overlopen.

14. Onder die omstandigheden geeft het oordeel van het hof dat het op de hoogte stellen van [betrokkene A] van de bedreigingen en het daaraan gekoppelde hulpverzoek als het verschaffen van inlichtingen in de zin van art. 47, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr moet worden aangemerkt, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

15. Voorzover klacht d van het middel inhoudt dat niet valt in te zien hoe het op de hoogte stellen van [betrokkene A] van de bedreigingen en het inroepen van zijn hulp om daar een einde aan te maken kan worden aangemerkt als het verschaffen van gelegenheid in de zin van art. 47, eerste lid, onder 2°, Sr is het terecht voorgesteld.

Het komt mij voor dat dit onderdeel per vergissing is blijven staan toen het hof de bewezenverklaring van de rechtbank beoordeelde. In het vonnis is het verschaffen van gelegenheid immers gekoppeld aan het ter beschikking stellen van de sleutel van de woning, en van de woning zelf aan de uitgelokte ter uitvoering van het uitgelokte delict. Het hof heeft deze twee feitelijke onderdelen geschrapt maar het daarmee corresponderende verschaffen van gelegenheid laten staan in de bewezenverklaring en vervolgens ook in de kwalificatie. Mocht Uw Raad dit niet als een voor correctie vatbare verschrijving opvatten, dan behoeven mijns inziens hieraan evenwel geen verdergaande consequenties te worden verbonden dan de hierna onder 17 genoemde.

16. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt primair tot verwerping van het beroep, subsidiair tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voorzover onder 1 nog meer subsidiair is bewezenverklaard dat sprake is van opzettelijke uitlokking door het verschaffen van gelegenheid, en voor wat betreft de kwalificatie van het onder 1 nog meer subsidiair bewezenverklaarde, tot het kwalificeren hiervan als "het medeplegen van door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van zware mishandeling, terwijl het feit de dood tengevolge heeft" en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Omdat in bewijsmiddel 7 ook is opgenomen dat [getuige 1] het in dat bewijsmiddel bedoelde telefoongesprek heeft gehoord, is het verleidelijk om er vanuit te gaan dat de bewijsmiddelen 6 en 7 betrekking hebben op hetzelfde telefoongesprek. Uit de data waarop die gesprekken zijn gevoerd en uit hetgeen [betrokkene A] zowel tijdens als na die gesprekken heeft gezegd blijkt evenwel dat dit niet het geval is en dat het om twee verschillende gesprekken gaat.