Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB0241

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-01-2001
Datum publicatie
26-02-2001
Zaaknummer
1300
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB0241
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 1300

Mr. Ilsink

Derde Kamer B

Onteigening

Zitting, 18 oktober 2000

Conclusie inzake:

Groenpol B.V.

tegen

de gemeente Amsterdam

Edelhoogachtbaar College,

1. Procesverloop

1.1. Eiseres tot cassatie (hierna: Groenpol) is erfpachter van het in eigendom aan de gemeente Amsterdam toebehorende perceel, kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie K, nummer 6146, waarvan een gedeelte, ter grootte van 4 are en 35 centiare, bij KB van 4 maart 1998, nr. 98.001130, Stcrt. 1998, 61, op grond van Titel IV (art. 77, lid 1, onder 1º) van de Onteigeningswet (Ow) ter onteigening is aangewezen ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan Ontsluiting Bedrijventerrein Buiksloterham/Papaverweg.

1.2. Bij exploit van 1 maart 2000 heeft de gemeente Amsterdam (hierna: de Gemeente) zichzelf en Groenpol doen dagvaarden voor de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) en onder meer gevorderd te harer name vervroegd de onteigening uit te spreken van het onder 1.1. bedoelde perceel.

1.3. Groenpol heeft de vordering tot (vervroegde) onteigening bestreden met het verweer dat de Gemeente niet heeft voldaan aan haar verplichting ingevolge art. 17 Ow om te proberen het te onteigenen perceel bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.

1.4. Bij vonnis van 3 mei 2000, rolnr. C1.0696, heeft de rechtbank onder meer de gevorderde onteigening uitgesproken en het voorschot op de schadeloosstelling voor Groenpol vastgesteld op ƒ 990.000. Dit is 90 percent van het door de gemeente op 23 maart 2000, derhalve na het uitbrengen van de dagvaarding, gedane aanbod. In de dagvaarding is een bedrag van ƒ 648.657 aangeboden. Voorts heeft de rechtbank drie deskundigen benoemd ter begroting van onder meer de door Groenpol als gevolg van de onteigening te lijden schade.

1.5. Tegen dit vonnis heeft Groenpol beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van één middel. (1)

1.6. Ter zitting van 14 juni 2000 heeft de Gemeente geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.7. Partijen hebben hun standpunten ter zitting van 14 juli 2000 schriftelijk doen toelichten.

2. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft vooropgesteld dat moet komen vast te staan dat de Gemeente serieus heeft gepoogd de eigendom in der minne te verwerven. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen:

(...) dat partijen in april 1999 - derhalve na de datum van het KB houdende goedkeuring van het onteigeningsbesluit - tweemaal overleg hebben gevoerd, waarna op 30 juni 1999 andermaal een bespreking heeft plaatsgevonden. Vervolgens heeft de gemeente bij brief van 5 augustus 1999 een gespecificeerde bieding van ƒ 835.945,- gedaan, waarna zij nog een mondelinge toelichting heeft gegeven aan de vastgoedadviseur van Groenpol en nog enkele telefonische besprekingen hebben plaatsgevonden. Groenpol heeft bij brief van 15 november 1999 op de bieding gereageerd, waarbij zij een tegenvoorstel (ƒ 1.310.180,-) heeft gedaan. Dit tegenvoorstel is door de gemeente kennelijk niet aanvaard, waarna zij - bij dagvaarding- een bedrag van ƒ 648.657,- heeft geboden.

Uit deze gang van zaken heeft de rechtbank afgeleid dat tussen de partijen serieus is onderhandeld.

3. Het middel

Het middel klaagt dat de rechtbank miskent dat uit de weergave van de gang van zaken (zoals hiervoor weergegeven) kan worden afgeleid dat tussen partijen serieus is onderhandeld in de zin van art. 17 Ow.

4. Beoordeling van het middel

4.1. HR 8 april 1998, NJ 1999, 24, overwoog in rov. 3.5:

Artikel 17 [Ow.] schrijft de onteigenende partij gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Daarbij dient die partij niet te werk te gaan alsof dit voorschrift een te verwaarlozen formaliteit is, in welk geval immers te kort zou worden gedaan aan de strekking van het artikel dat is gericht op het zo mogelijk vermijden van een rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 (...) dat de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten worden ondernomen in de periode tussen het definitief worden van het besluit tot onteigening (...) en het uitbrengen van de dagvaarding (...).

4.2. Bezien in dit licht en gelet op de door de rechtbank weergegeven gang van zaken, welke in cassatie overigens niet wordt betwist, meen ik dat het oordeel van de rechtbank dat - kort gezegd - het bepaalde in art. 17 Ow te dezen is nageleefd, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting; evenmin schiet de motivering ervan tekort. Het beroep kan naar het mij voorkomt op de voet van art. 101a Wet RO worden verworpen.

5. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voor de goede orde wijs ik erop dat de cassatiedagvaarding een (niet fataal) gebrek vertoont. Er is niet gedagvaard tegen de ingevolge art. 53, eerste lid, Ow bepaalde termijn van de eerste terechtzitting welke na afloop van twee weken na de betekening plaatsvindt, maar één week eerder. Dit (vorm)verzuim heeft echter geen gevolgen, nu gedaagde is verschenen en niet heeft gesteld in zijn verdediging te zijn geschaad.