Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB0202

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-02-2001
Datum publicatie
19-03-2004
Zaaknummer
R00/078HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB0202
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 81, geldigheid: 2001-02-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 146
JWB 2001/69

Conclusie

<

>

Rek. nr. R00/078

Parket 22 december 2000

Conclusie mr Spier

inzake

1. Chr.A. Pepplinkhuizen

2. A. van Laar

(hierna: Pepplinkhuizen en Van Laar)

tegen

De gemeente Wageningen

(hierna: de gemeente)

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten

1.1 In cassatie kan van de feiten worden uitgegaan zoals deze

in de beschikking van de Rechtbank Arnhem onder 2.1 tot en met

2.6 zijn vastgesteld.

1.2 De gemeente heeft aan Pepplinkhuizen in de periode van 1

oktober 1985 tot 22 januari 1997 bijstand verstrekt in de

algemeen noodzakelijke kosten van bestaan naar de norm van een

één-oudergezin, een en ander ingevolge de Rijksgroepsregeling

Werkloze Werknemers (RWW) die steunt op de Algemene Bijstands

wet (ABW).

1.3 De Sociale Recherche van de gemeente heeft begin 1997 een

onderzoek ingesteld om na te gaan of Pepplinkhuizen buiten

Wageningen een gemeenschappelijke huishouding voerde met Van

Laar. Pepplinkhuizen en Van Laar zijn in het kader van dit

onderzoek gehoord, evenals de dochter van Pepplinkhuizen. Op

10 februari 1997 heeft de Sociale Recherche over het verrichte

onderzoek rapport uitgebracht.

<

>

1.4 De gemeente heeft bij beschikking van 27 februari 1997 de

uitkering aan Pepplinkhuizen beëindigd per 22 januari 1997 en

vervolgens bij beschikking van 27 maart 1997 de uitkering over

de periode van 1 juli 1991 tot 22 januari 1997 herzien. Af

schriften van deze beschikkingen zijn verzonden aan Van Laar.

De gemeente heeft bij beschikking van 4 april 1997 (verzonden

op 8 april 1997) een bedrag van fl. 74.478,41 over de periode

van 1 mei 1992 tot en met 31 december 1996 van Pepplinkhuizen

teruggevorderd op grond van artikel 57, aanhef en sub a/d ABW

(oud) en artikel 81, eerste lid ABW.

1.5 De gemeente heeft bij beschikking van 4 april 1997 (ver

zonden op 8 april 1997) een bedrag van fl. 70.221,17 over de

periode van 1 augustus 1992 tot en met 31 december 1996 van

Van Laar teruggevorderd op grond van artikel 59a, tweede lid

ABW (oud) aanhef en artikel 84, tweede lid ABW.

1.6 Pepplinkhuizen heeft tegen de beschikkingen van 27 februa

ri 1997 en 27 maart 1997 bezwaar aangetekend. Burgermeester en

wethouders van de Gemeente hebben in de vergadering van 5

augustus 1997 de beschikkingen gewijzigd met betrekking tot de

gronden voor de beëindiging, respectievelijk herziening van de

uitkering en de bezwaarschriften voor het overige ongegrond

verklaard. Dit besluit is op 12 augustus 1997 aan Pepplinkhui

zen verzonden.

1.7 Pepplinkhuizen is van dit besluit in beroep gekomen. Dit

beroep heeft zij vervolgens ingetrokken.

2. Procesverloop

2.1 De gemeente heeft in deze zaak de Kantonrechter te Wage

ningen verzocht te bepalen dat zij van Pepplinkhuizen een

bedrag van fl. 74.478,41 kan invorderen terzake van ten on

rechte verstrekte bijstand. Voorts heeft de gemeente de Kan

tonrechter verzocht te bepalen dat zij een bedrag van fl.

70.221,17 mede kan terugvorderen van Van Laar, die daarvoor

hoofdelijk aansprakelijk is.

2.2.1 De gemeente heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd

dat zij Pepplinkhuizen over de periode van 1 oktober 1985 tot

22 januari 1997 bijstand heeft verleend op grond van door haar

verstrekte onjuiste en/of onvolledige inlichtingen. De gemeen

te heeft in dit verband aangevoerd dat Pepplinkhuizen in die

periode voldoende middelen van bestaan had doordat zij in

Ochten een gemeenschappelijke huishouding voerde met Van Laar,

die inkomsten had uit een dienstbetrekking uitgaande boven de

voor een gezin geldende bijstandsnorm.

2.2.2 In het door de gemeente in geding gebrachte rapport is

onder meer te lezen dat Pepplinkhuizen heeft verklaard 7 dagen

en vier nachten per week te verblijven op bedoeld adres in

Ochten. Aangehecht is een p.v. waarin Van Laar verklaart dat

Pepplinkhuizen in (ongeveer) 1991/1992 "permanent bij mij

verbleef". Pepplinkhuizen heeft, blijkens het p.v., verklaard

in de zomer van 1991 permanent bij Van Laar te zijn gaan

wonen.

2.3 Pepplinkhuizen en Van Laar hebben geen verweerschrift

ingediend. Bij de mondelinge behandeling in prima hebben zij,

naar blijkt uit de beschikking van de Kantonrechter Wagenin

gen, als verweer aangevoerd dat zij in de bewuste periode niet

met elkaar hebben samengewoond maar dat Pepplinkhuizen slechts

af en toe bij Van Laar verbleef. Zij hebben voorts de juist

heid van het door de gemeente overgelegde rapport van de

sociaal rechercheur betwist. Pepplinkhuizen heeft in dat

verband gesteld dat zij slechts de bladzijde van haar verkla

ring heeft gezien die zij heeft ondertekend en Van Laar dat

hij niet in staat was zijn verklaring na te lezen omdat hij

zijn bril niet bij zich had.

2.4 De Kantonrechter heeft het verzoek van de gemeente in zijn

beschikking van 26 augustus 1999 toegewezen. Hij heeft daartoe

overwogen dat - ondanks de (summier) gemotiveerde betwisting

van de vordering door Pepplinkhuizen en Van Laar - uit de door

de gemeente overgelegde producties genoegzaam blijkt dat zij

in de bewuste periode een gemeenschappelijke huishouding (in

Ochten) hebben gevoerd.

2.5 Pepplinkhuizen en Van Laar hebben van de beschikking van

de Kantonrechter hoger beroep ingesteld. Het zich in het

dossier bevindende appèlschrift is niet ondertekend; navraag

bij de griffie van de Rechtbank wijst uit dat het griffie-

exemplaar wél getekend is. De grieven richten zich tegen

bovenstaande overweging van de Kantonrechter. Pepplinkhuizen

heeft aangevoerd dat zij om nader uitgewerkte redenen "regel

matig elders haar toevlucht moest nemen", zulks "meestentijds

in een achter de woning geplaatste caravan". Aan het p.v. zou

geen waarde kunnen worden gehecht omdat appellanten door de

rechercheurs onder druk zouden zijn gezet. Van Laar voert nog

aan dat Pepplinkhuizen slechts "af en toe" bij hem verbleef.

Hij is door het Hof Arnhem vrijgesproken.

2.6 De gemeente heeft zich beroepen op de formele rechtskracht

van het besluit op het door Pepplinkhuizen ingediende bezwaar

schrift. Zij wijst er voorts op dat Pepplinkhuizen strafrech

telijk is veroordeeld ter zake van valsheid in geschrifte

(verweerschrift blz. 3) en dat zij het p.v. per pagina afzon

derlijk heeft ondertekend (pleitnotitie mr Van der Hoeven).

2.7 De Rechtbank te Arnhem heeft in haar beschikking van 13

april 2000 de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.

Zij heeft daartoe het volgende overwogen:

"3. Nu Pepplinkhuizen tegen de aan haar

gerichte beschikkingen van 27 februari en 27 maart

1997

weliswaar bezwaar heeft aangetekend, maar

vervolgens haar beroep tegen de op het bezwaar

gegeven beslissing van de Gemeente van 5 augustus

1997 heeft ingetrokken, en aldus niet ten volle

gebruik heeft gemaakt van de voor haar openstaande

met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke

rechtsgang, moeten deze beschikkingen in beginsel

zowel wat betreft hun inhoud als hun wijze van

totstandkomen als rechtmatig worden beschouwd

(beginsel van formele rechtskracht van de

beschikking).

4. Vast staat dat afschriften van de

beschikkingen van 27 februari en 27 maart 1997 zijn

verzonden aan Van Laar, die door de Gemeente wordt

aangemerkt als derde-belanghebbende. Van Laar heeft

tegen deze beschikkingen geen bezwaar aangetekend,

en aldus geen gebruik gemaakt van de ook voor hem

openstaande met voldoende waarborgen omklede

bestuurlijke

rechtsgang. Ook ten aanzien van hem moeten deze

beschikkingen derhalve in beginsel zowel wat betreft

hun inhoud als hun wijze van totstandkomen als

rechtmatig worden beschouwd.

5. Van de zijde van Pepplinkhuizen en Van Laar

zijn geen zwaarwegende argumenten naar voren

gebracht die ertoe zouden kunnen leiden van het

onder 3. en 4. weergegeven beginsel af te wijken.

(...)

6. De grieven kunnen dan ook niet tot

vernietiging van de beschikking van de kantonrechter

leiden."

2.8 Pepplinkhuizen en Van Laar hebben tijdig cassatieberoep

ingesteld. De gemeente is bij brief van de Griffier van de

Hoge Raad een copie van het verzoekschrift toegezonden met de

mededeling dat dit "namens Chr. Pepplinkhuizen" is ingesteld

en dat de Gemeente verweer kan voeren. Hoewel de aanduiding

van de partijen die beroep in cassatie hebben ingesteld onvol

ledig is (ook Van Laar heeft cassatieberoep ingesteld) moet de

Gemeente zulks uit het haar toegezonden verzoekschrift hebben

kunnen afleiden. Te allen overvloede heb ik dit bij de Gemeen

te laten verifiëren; de voor de hand liggende veronderstelling

is door dat telefoongesprek bevestigd. De gemeente is in cassa

tie niet verschenen.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 Het cassatiemiddel bevat vier onderdelen. Het eerste

onderdeel klaagt erover dat de Rechtbank heeft miskend dat aan

het verzoek tot terugvordering van de gemeente de terugvorde

ringsbesluiten van 4 april 1997 ten grondslag liggen en niet

het beëindigingsbesluit van 27 februari 1997 en het intrek

kingsbesluit van 27 maart 1997.

3.2 Het onderdeel is gegrond. Bedoelde brieven behelzen inder

daad geen beslissing over de terugvordering. Integendeel: in

de brief van 27 februari 1997 is te lezen dat "indien" zal

worden overgegaan tot terugvordering daaromtrent nader zal

worden bericht. De brief van 27 maart 1997 behelst hetzelfde

met weglating van "indien"; wel wordt het volgende voorbehoud

gemaakt: "voorzover de Algemene bijstandswet in terugvorde

ringsmogelijkheden voorziet".

3.3 De onderdelen 2 en 3 veronderstellen dat de Rechtbank mede

het oog heeft gehad op de brief van 4 april. De onderdelen

missen feitelijke grondslag. Immers blijkt uit niets dat de

Rechtbank haar beschikking mede op (het niet opkomen tegen)

deze brief heeft gebaseerd.

3.4 Ten overvloede: de procedure inzake terugvordering/verhaal

(hierna: terugvordering) van verleende bijstand was tot 1 juli

1997 ondergebracht bij de burgerlijke rechter. Indien een

betrokkene niet vrijwillig tot betaling overging, diende de

gemeente zich te wenden tot de Kantonrechter. Vervolgens

bestond de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie.<(1) Losbladige ABW/Verhaal, I (Algemeen) 1-1 tot en

met 3 en 23 en ABW/Verhaal IV, aant. bij art. X

(overgangsbepalingen).> Dat

brengt mee dat van formele rechtskracht van de besluiten tot

terugvordering geen sprake kan zijn. Zie voorts HR 18 april

1997, NJ 1997, 499 en HR 7 april 2000, NJ 2000, 378.

3.5 Onderdeel 4 klaagt erover dat de besluiten tot intrekking

en beëindiging van de uitkering van Pepplinkhuizen hoe dan ook

geen formele rechtskracht van het ten opzichte van Van Laar

genomen terugvorderingsbesluit kunnen meebrengen. Dit terug

vorderingsbesluit is immers gebaseerd op de artt. 59a, tweede

lid (oud) ABW en 84, tweede lid (oud) Abw, welke bepalingen

geen voorwerp van toets kunnen hebben gevormd in de bezwaar-

(en eventueel beroeps) procedure naar aanleiding van het

intrekkings- en beëindigingsbesluit.

3.6 Ook deze klacht snijdt hout op de daarin ontwikkelde

grond. Het lijkt mij duidelijk dat Van Laar zich niet met

vrucht had kunnen keren tegen beëindiging van een bijstands

uitkering aan Peppinkhuizen. Reeds daarom gaat de redenering

van de Rechtbank te zijnen aanzien niet op.

3.7 Of ten aanzien van Van Laar is voldaan aan de voorwaarden

van bedoelde artikelen kan thans blijven rusten.

4. Is verwijzing noodzakelijk in de zaak van Pepplinkhuizen?

4.1 Ik heb mij nog de vraag gesteld of verwijzing noodzakelijk

is in de zaak tussen de gemeente en Pepplinkhuizen. Pepplink

huizen heeft in appèl betoogd dat zij niet samenwoonde met Van

Laar en dat zij slechts "af en toe" bij hem verbleef. Zij

heeft bewijs van haar stellingen aangeboden.

4.2 Om de navolgende redenen verdient haar relaas m.i. geen

geloof:

a. zij heeft de door haar betwiste verklaring op elke pagina

ondertekend; dat - zoals zij bij de Kantonrechter heeft aange

dragen - zij slechts één pagina heeft gezien, is dus niet

juist.

b. deze verklaring wordt onder meer ondersteund door die van

Van Laar;

c. zij is strafrechtelijk veroordeeld, naar de gemeente on

weersproken heeft aangevoerd;

d. volgens het beroepschrift verbleef ze "regelmatig" in de

woning in Wageningen. Zij zou "meestentijds in een achter

woning" - kennelijk: van Van Laar - staande caravan hebben

vertoefd;

e. de op het politiebureau afgelegde verklaringen zijn zo

gedetailleerd dat reeds daarom nogal onwaarschijnlijk is dat

ze geheel door de verbalisanten zijn verzonnen; evenmin is

plausibel dat de door Pepplinkhuizen genoemde druk een verkla

ring is voor zo gedetailleerde verklaringen;

f. bij de mondelinge behandeling is door de Rechtbank gevraagd

hoe vaak zij in Ochten zat; daarop antwoordde Pepplinkhuizen,

blijkens het p.v.: "(...) dat was vaak zat".<(2) De geciteerde passage geeft m.i. de kern van het

antwoord weer. Hoewel het niet glashelder is, zie ik

niet hoe het anders zou kunnen worden gelezen.>

4.3 Tegen de achtergrond van hetgeen onder 4.2 is vermeld kon

Pepplinkhuizen m.i. niet volstaan met een in algemene termen

gesteld bewijsaanbod.

4.4 Nu na verwijzing uitsluitend de onder 2.5 en 4.1 bedoelde

kwestie aan de orde zou komen en de verwijzingsrechter m.i.

tot geen andere slotsom kan komen dan dat de grief van Pep

plinkhuizen faalt, mist zij belang bij haar cassatieberoep.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschik

king voorzover gewezen tussen Van Laar en de gemeente;

tot verwerping van het beroep voorzover ingesteld door Pep

plinkhuizen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal