Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB0201

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-02-2001
Datum publicatie
04-12-2001
Zaaknummer
R00/069HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB0201
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 827, geldigheid: 2001-02-23
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 429h, geldigheid: 2001-02-23
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 429q, geldigheid: 2001-02-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 145
NJ 2001, 237
RvdW 2001, 57
JWB 2001/68

Conclusie

Nr. R 00/069 mr. Wesseling-van Gent

Parket, 22 december 2000 Conclusie inzake:

Touil

tegen

M. Fizazi

Edelhoogachtbaar College,

1 Feiten en procesverloop

1.1 Verzoekster tot cassatie, de moeder, en verweerder in cassatie,

de vader, zijn in 1981 te Marokko met elkaar gehuwd. Uit dit

huwelijk zijn zes kinderen geboren.

1.2 Bij beschikking van 4 augustus 1999 heeft de rechtbank te

Utrecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft

zij beslist dat de moeder huurster zal zijn van de echtelijke

woning. De moeder is in eerste aanleg niet verschenen.

1.3 Van voornoemde beschikking is de moeder in hoger beroep gekomen

bij het Gerechtshof te Amsterdam. De moeder heeft het hof verzocht

haar te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige

kinderen van partijen, de bijdrage in de kosten van opvoeding en

verzorging van de minderjarige kinderen van partijen te bepalen op

ƒ 250,- per kind per maand, alsmede de verdeling van de tussen

partijen bestaande huwelijksgemeenschap te bevelen. De vader heeft

een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel appel

ingesteld. De moeder heeft een verweerschrift ingediend in het

incidenteel appel.

1.4 Het hof heeft bij beschikking van 17 april 2000 zowel de moeder

als de vader niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep. Tegen

deze beschikking heeft de moeder tijdig cassatieberoep ingesteld.

Het cassatiemidel bevat één klacht. De vader heeft geen

verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het hof heeft in rechtsoverweging 2.1.2 als volgt overwogen:

"Het thans in appèl door de moeder gedane verzoek strekt er niet toe

een uitspraak van de appèlrechter te verkrijgen omtrent een punt dat

aan de rechter in eerste aanleg voorgelegd was en waarover deze zich

heeft uitgesproken. Het in appèl gedane verzoek van de moeder dient

dan ook te worden aangemerkt als een zelfstandig verzoek in de zin

van artikel 429h, vierde lid, Rv, welke mogelijkheid niet voor het

eerst in hoger beroep openstaat. Ten aanzien van dit voor het eerst

in appèl gedane verzoek van de moeder geldt dat artikel 429h, vierde

lid, Rv, dat de mogelijkheid biedt om in een rekestprocedure bij

verweerschrift in eerste aanleg een zelfstandig tegenverzoek te

doen, niet van overeenkomstige toepassing is op het geding in hoger

beroep (artikel 429q, zesde lid, Rv). Hoewel artikel 827 Rv in 1995

bij wet is gewijzigd teneinde de mogelijkheden in hoger beroep te

<

?

>

vergroten, moet in een geval als dit, waarin in wezen over geen

enkele beslissing van de eerste rechter tussen partijen

meningsverschil bestaat leidraad zijn de hoofdlijn zoals neergelegd

in de artikelen 429h jo. 429q Rv (vgl. HR 4 april 1997, NJ 1997,

402). (?..). De moeder kan derhalve niet in haar verzoek ? worden

ontvangen."

Volgens het middel heeft het hof aldus miskend dat verzoeken

tot het treffen van

nevenvoorzieningen in de zin van art. 827 Rv. ook eerst in hoger

beroep kunnen worden gedaan. Door te oordelen dat de moeder niet-

ontvankelijk moet worden verklaard, geeft het hof blijk van een

onjuiste rechtsopvatting.

2.3 Het middel treft doel.

Het hof heeft in rechtsoverweging 2.1.1 vastgesteld dat het in deze

zaak gaat om verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen in de

zin van art. 827 lid 1 Rv. Uw Raad heeft beslist (7 april 2000, NJ

2000, 377) dat dergelijke verzoeken ook in de loop van de procedure

en zelfs voor het eerst in hoger beroep kunnen worden gedaan.

Vóór 1 april 1995 kon een verzoek tot het treffen van

nevenvoorzieningen ingevolge

het tweede lid van art. 827 (oud) Rv. slechts in eerste aanleg

worden gedaan. Bij Wet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 570 is deze

bepaling geschrapt "om tegemoet te komen aan de behoeften die

bestaan in de praktijk<(1) Zie ook het beleid van de hoven om - uit praktisch oogpunt - het tweede

lid van art. 827 (oud) Rv. te omzeilen en verzoeken in hoger beroep tot het

treffen van nevenvoorzieningen toe te staan, Signalement, Trema 1993, blz.

329.

>. Het wordt als belemmerend ervaren dat de

nevenvoorzieningen, genoemd in artikel 827 tegelijk met de indiening

van het verzoekschrift of verweerschrift inzake scheiding moeten

worden gevraagd"<(2) Nota van toelichting bij de tweede nota van wijziging, TK, vergaderjaar

1993-1994, 22 487, nr. 10, blz. 4.

>. Daarbij werd verwezen naar een artikel van W.

Dijkers in NJB 1993 (blz. 927 e.v.) die kritiek had geuit op de oude

regeling. Hij signaleerde dat de beperkingen van art. 827 lid 2

(oud) Rv. niet te rijmen waren met de doelstelling van het

scheidingsprocesrecht. De consequentie van deze bepaling, namelijk

het voeren van een tweede procedure, leverde volgens Dijkers

allerminst de beoogde geconcentreerde behandeling op.

Het hof heeft voor zijn oordeel met name relevant geacht dat de

moeder in hoger beroep niet tegen de inhoudelijke beslissing van de

rechtbank is opgekomen en als het ware een zelfstandig tegenverzoek

heeft gedaan. Nog afgezien van het feit dat de vrouw in haar

beroepschrift heeft vermeld dat zij in beroep<(3) Zie over het onderscheid tussen vol en beperkt appel: P.A.J.Th. van

Teeffelen, EchtscheidingBulletin 1993, nr. 2, blz. 1-4 en nr. 3, blz. 1-4.

> komt tegen de

echtscheiding "om reden van formele aard", valt uit de

wetsgeschiedenis niet af te leiden dat een verzoek tot het treffen

van nevenvoorzieningen in hoger beroep uitsluitend kan worden gedaan

indien tevens inhoudelijk wordt opgekomen tegen de beslissing in

eerste aanleg. Een dergelijk vereiste werkt m.i. belemmerend,

hetgeen in ieder geval niet de bedoeling van de wetgever was. Het

belang bij hoger beroep in een geval als dit is gelegen in het feit

dat daar (alsnog) verzoeken tot nevenvoorzieningen kunnen worden

gedaan.

Overigens handelde het in het door het hof genoemde geval

berecht in HR 4 april

1997, NJ 1997, 402 over een - niet in het kader van een

echtscheidingsprocedure gedaan - verzoek van de vader tot het

vaststellen van een omgangsregeling in een procedure waarbij de

moeder had verzocht haar te ontheffen van de informatieplicht ex

art. 1:377b lid 2 BW.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het

Gerechtshof te Amsterdam van 17 april 2000 en tot verwijzing ter

verdere behandeling.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G