Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB0199

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-02-2001
Datum publicatie
19-02-2002
Zaaknummer
C99/176HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB0199
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 153
NJ 2001, 431
RvdW 2001, 59
JWB 2001/66

Conclusie

Rolnr. C99/176HR Mr Strikwerda

Zt. 8 dec. 2000 conclusie inzake

de maatschap

Pels Rijcken & Drooglever Fortuijn

tegen

Mr H.J. Overes q.q.

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de vraag of en, zo ja, in welke

mate de cliënt van een advocaat schade heeft geleden als

gevolg van het feit dat deze laatste heeft verzuimd tijdig

beroep in cassatie in te stellen tegen een arrest waarbij die

cliënt in het ongelijk is gesteld.

2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 1.2 en 1.3 van het

bestreden arrest).

In 1983 is door thans verweerder in cassatie, hierna te noemen

de curator, een procedure aangespannen voor de Rechtbank te

Groningen tegen Nederlandse Scheepshypotheekbank N.V., geves

tigd te Rotterdam, en tegen Nederlandse Middenstandsbank N.V.,

later genaamd Internationale Nederlanden Bank N.V., gevestigd

te Amsterdam, hierna te noemen resp. de SHB en de NMB. Deze

procedure heeft geleid tot een vonnis van die Rechtbank van 24

april 1987 waarbij de vordering van de curator gedeeltelijk is

toegewezen en in hoger beroep tot een arrest van het Gerechts

hof te Leeuwarden van 13 mei 1992 waarbij, met vernietiging

van dat vonnis, de vordering is afgewezen. De curator heeft

aan (een lid van) eiseres tot cassatie, hierna te noemen de

maatschap, opdracht gegeven tegen dit arrest beroep in cassa

tie in te stellen. De maatschap heeft deze opdracht aanvaard

en een cassatiedagvaarding opgesteld, doch heeft verzuimd deze

tijdig te doen uitgaan. Dit verzuim levert een beroepsfout van

de maatschap op.

3. Krachtens akte van prorogatie van 3 augustus 1995 heeft de

curator bij exploit van 11 september 1995 de maatschap gedag

vaard voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage en gevorderd dat

de maatschap zal worden veroordeeld tot betaling aan de cura

tor van, primair, f 2.000.000,- en, subsidiair, een ex aequo

et bono vast te stellen bedrag, met nevenvorderingen. Daartoe

heeft de curator gesteld dat de maatschap door voormelde

beroepsfout toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplich

tingen jegens hem en/of jegens hem onrechtmatig heeft gehan

deld en dat hij ten gevolge hiervan schade heeft geleden ten

belope van f 2.000.000,-, althans een ex aequo et bono vast te

stellen bedrag.

4. De maatschap heeft op verschillende gronden verweer gevoerd

tegen de vordering van de curator. Voor zover thans in cassa

tie van belang heeft de maatschap onder meer betwist dat als

gevolg van de gemaakte fout schade is ontstaan voor de cura

tor. De maatschap stelt dat, ware het beroep in cassatie tegen

het arrest van het Hof Leeuwarden tijdig ingesteld, dit beroep

niet tot cassatie zou hebben geleid.

5. Bij arrest van 24 februari 1999 heeft het Hof op voetspoor

van HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 257 nt. PAS tot uitgangspunt

genomen dat het lot van de vordering van de curator afhanke

lijk is van het antwoord op de vraag hoe de Hoge Raad op het

cassatieberoep tegen het arrest van het Hof Leeuwarden had

behoren te beslissen, indien de cassatiedagvaarding tijdig was

uitgegaan. Onder dit uitgangspunt heeft het Hof onderzocht of

het tegen het arrest van het Hof Leeuwarden gerichte cassa

tiemiddel, dat was opgenomen in de niet tijdig uitgebrachte

cassatiedagvaarding, door de Hoge Raad gegrond bevonden had

behoren te worden en, zo ja, wat ingeval van vernietiging en

verwijzing, de verwijzingsrechter had behoren te beslissen

(r.o. 8).

6. Met betrekking tot het geding waarin het Hof Leeuwarden

arrest wees, heeft het Hof - kort samengevat - het volgende

vastgesteld (r.o. 11.2 t/m 11.9 en r.o. 12).

Carebeka B.V., gevestigd te Groningen, hierna te

noemen Carebeka, is bij vonnis van de Rechtbank te

Groningen van 28 januari 1983 in staat van faillissement

verklaard, met benoeming van mr. Overes tot curator.

Carebeka was eigenaar van een aantal schepen,

waaronder de "Carebeka VIII". Op dit schip was een eerste

hypotheek gevestigd ten behoeve van de SHB voor een

vordering van f 4.000.000,- en een tweede hypotheek ten

behoeve van de NMB voor een vordering van f 13.500.000,-.

Deze hypotheken werden op resp. 15 en 16 april 1980

ingeschreven in het hypotheekregister.

Voor de periode van 22 januari 1982 tot en met 31

december 1982 was het schip via NASK B.V. te Groningen

verzekerd op basis van de Standard Dutch Hull Form tot

een bedrag van f 8.000.000,- ter zake van casco- en

machineschade, tot een bedrag van f 1.600.000,- ter zake

van behouden varen, en tot een bedrag van f 400.000,- ter

zake van vracht.

De SHB heeft ten aanzien van haar hypotheek het

beding van art. 297 K gemaakt. Het beding is neergelegd

in de hypotheekakte en in het Reglement voor het ter leen

verstrekken van geld, waarvan de inhoud in deze akte is

opgenomen. Het Reglement bevat tevens een cessiebeding.

Ook de NMB heeft ten aanzien van haar hypotheek het

beding bedoeld in art. 297 K gemaakt, welk beding is

neergelegd in de hypotheekakte.

Op 23 december 1982 is het schip vergaan. Door

verzekeraars is meegedeeld dat tot uitkering van f 10.00

0.000,- zou worden overgegaan.

De SHB en de NMB hebben op grond van voormelde

bedingen aanspraak gemaakt op de assurantiepenningen.

De curator heeft deze aanspraken betwist en heeft in

de in 1983 voor de Rechtbank te Groningen tegen de SHB en

de NMB aangespannen procedure - na wijziging van eis -

gevorderd een verklaring voor recht dat

1. buiten verhaal van de SHB en de NMB blijft een

bedrag van f 2.000.000,- ter zake van de polissen

behouden-varen (f 1.600.000,-) en vracht (f 400.000,-),

2. dat de SHB en de NMB zich op de uitgekeerde

cascoschade van f 8.000.000,- slechts mogen verhalen met

inachtneming van art. 298 K.

7. Met betrekking tot de inhoud van het door het Hof Leeuwar

den gewezen arrest, waarbij, met vernietiging van het gedeel

telijk toewijzende vonnis van de Rechtbank Groningen, de vorde

ring van de curator werd afgewezen, heeft het Hof 's-

Gravenhage - kort samengevat - het volgende vastgesteld (r.o.

14 t/m 16).

Het Hof Leeuwarden heeft in r.o. 9 het verweer van

de SHB en de NMB, dat de in geschil zijnde assuran

tiepenningen rechtsgeldig waren gecedeerd, gehonoreerd.

Daartoe heeft het Hof overwogen dat in de gegeven omstan

digheden (ten tijde van de cessie liepen reeds verzeke

ringsovereenkomsten met betrekking tot de Carebeka VIII;

de contractanten kwamen in beginsel hersluiting van de

lopende overeenkomsten overeen; hersluiting heeft telken

male plaats gevonden; slechts op ondergeschikte punten

werden wijzigingen in de opvolgende overeenkomsten aange

bracht) de onderhavige vordering ten tijde van de cessie

voldoende was bepaald. Daarmee heeft het Hof Leeuwarden

kennelijk mede tot uitdrukking gebracht, dat voldaan is

aan de eis dat deze vordering haar onmiddellijke

grondslag vond in een ten tijde van de cessie bestaande

rechtsverhouding.

8. Het Hof heeft vastgesteld dat het tegen het arrest van het

Hof Leeuwarden gerichte cassatiemiddel, opgenomen in de niet

tijdig uitgebrachte cassatiedagvaarding, in zijn eerste onder

deel motiverings- en rechtsklachten bevat tegen r.o. 9 van dat

arrest (r.o. 17). Naar het oordeel van het Hof had de Hoge

Raad dit eerste onderdeel van het voorgestelde cassatiemiddel

gegrond behoren te bevinden. Daartoe overwoog het Hof:

"18. Voor zover het Hof te Leeuwarden, in het

bijzonder waar het spreekt van hersluiting van de ten

tijde van de cessie lopende overeenkomsten, heeft

geoordeeld dat de verzekeringsovereenkomsten welke ten

tijde van de cessie op 14 april 1980 bestonden zijn

verlengd of voortgezet door de verzekeringsovereenkomsten

van januari 1982 waarop de vordering van Carebeka resp.

de curator tot uitkering van de assurantiepenningen

berustte, met als gevolg dat die vordering haar

onmiddellijke grondslag vond in de eerstgenoemde

overeenkomsten, is dit oordeel onvoldoende duidelijk.

Immers, de door het Hof gereleveerde omstandigheden zijn

wel van belang doch zijn niet beslissend voor het

antwoord op de vraag of de ten tijde van de cessie

bestaande overeenkomsten zijn verlengd of voortgezet door

de verzekeringsovereenkomsten van januari 1982.

19. Voorts is niet duidelijk, of het Hof te

Leeuwarden de na te noemen stellingen van partijen, welke

met dit oordeel bezwaarlijk zijn te verenigen, heeft

meegewogen.

De curator had gesteld, dat ten tijde van de cessie

de Carebeka VIII was verzekerd voor de periode van een

jaar, zulks overeenkomstig het Engelse recht dat slechts

verzekering voor maximaal een jaar toestaat; dat de in

1980 geldende verzekering niet is verlengd; dat de voor

de Carebeka VIII ieder jaar opnieuw onder verschillende

condities en bij wisselende verzekeraars verzekerings

overeenkomsten werden afgesloten.

De SHB en de NMB hadden gesteld, dat de polis voor

de Carebeka VIII, welke voor een jaar was gesloten,

telkenmale met een jaar werd verlengd; dat die

voortzetting tot stand kwam na onderhandelingen; dat

daarbij kleine verschuivingen in de (percentages van de)

betrokken verzekeraars en/of verzekerde bedragen en

premies plaats vonden.

20. Voor zover het Hof te Leeuwarden op andere dan

de hiervoor onder 16 vermelde gronden tot zijn oordeel is

gekomen dat de vordering tot uitkering van de assurantie

penningen haar onmiddellijke grondslag vond in de ten

tijde van de cessie bestaande overeenkomsten, heeft het

in het licht van het voorgaande onvoldoende inzicht in

zijn gedachtengang gegeven."

9. De Hoge Raad had, aldus het Hof, het arrest van het Hof

Leeuwarden derhalve behoren te vernietigen en de zaak ter

verdere behandeling en beslissing behoren te verwijzen (r.o.

21). Naar het oordeel van het Hof had de verwijzingsrechter

reeds op grond van het feit dat, blijkens de stellingen van

partijen, de ten tijde van het evenement geldende verzeke

ringsovereenkomsten na afloop van de geldende termijn van een

jaar zijn opgevolgd door overeenkomsten die ten dele met

andere assuradeuren zijn gesloten, alsmede dat deze op hun

beurt zijn opgevolgd door overeenkomsten - die waarop de

vordering tot uitkering van de assurantiepenningen berustte -

die ten dele met andere assuradeuren zijn gesloten, de vraag

of de vordering tot uitkering van de verzekeringspenningen

haar onmiddellijke grondslag vond in de ten tijde van de

cessie bestaande verzekeringsovereenkomsten ontkennend behoren

te beantwoorden (r.o. 22) en deswege de (gewijzigde) vordering

van de curator sub 1 behoren toe te wijzen. Hieraan heeft het

Hof het volgende toegevoegd:

"26. De maatschap heeft nog aangevoerd, dat de verze

keringsovereenkomsten werden beheerst door Engels recht,

zodat naar dat recht beoordeeld moet worden of cessie van

de vorderingen mogelijk was; dat in cassatie niet over

schending van Engels recht kan worden geklaagd; dat het

cassatieberoep daarop zou hebben moeten stranden.

27. Indien een betoog van deze strekking door de SHB

en de NMB zou zijn gevoerd, zou de Hoge Raad dit hebben

behoren te verwerpen. Immers, het gaat er kennelijk doch

ten onrechte van uit, dat het Hof te Leeuwarden niet

Nederlands doch Engels recht heeft toegepast."

10. Op grond van dit een en ander heeft het Hof geconcludeerd

dat de (primaire) vordering van de curator tegen de maatschap

toegewezen kan worden, en dienovereenkomstig beslist.

11. De maatschap is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in

cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd

middel, dat door de curator is bestreden met conclusie tot

verwerping van het cassatieberoep.

12. Alvorens het middel te bespreken, stel ik vast dat het

middel niet opkomt tegen de door het Hof aangelegde, aan HR 24

oktober 1997, NJ 1998, 257 nt. PAS ontleende maatstaf bij de

beoordeling van de vraag of de curator als gevolg van het

verzuim van de maatschap schade heeft geleden. Die maatstaf

houdt in dat voor het antwoord op de vraag of de curator

schade heeft geleden als gevolg van het feit dat de maatschap

heeft verzuimd tijdig beroep in cassatie in te stellen in

beginsel moet worden beoordeeld hoe de Hoge Raad op dat beroep

had behoren te beslissen. Bij de toepassing van deze maatstaf

ontstaat, wat wel genoemd is (zie de conclusie van A-G Bakels

onder 3.4 voor genoemd arrest van de Hoge Raad), een "trial

within a trial". Deze beeldspraak, hoe treffend ook, mag

ogen er niet voor doen sluiten dat thans in cassatie de Hoge

Raad niet tot taak heeft om te onderzoeken of het door de

maatschap tegen het arrest van het Hof Leeuwarden geconci

pieerde cassatiemiddel gegrond is. De Hoge Raad kan in het

onderhavige cassatiegeding slechts een onderzoek in stellen

naar de gegrondheid van de tegen het arrest van het Hof 's-

Gravenhage aangevoerde cassatieklachten en is daarbij, wat de

omvang en de grondslag van het cassatieberoep betreft, gebon

den aan het voorschrift van art. 419 lid 3 Rv. Dit brengt mee

dat de Hoge Raad gebonden is aan hetgeen in de bestreden

uitspraak van het Hof 's-Gravenhage is vastgesteld omtrent het

verloop van de eerdere procedure, de inhoud van het arrest van

het Hof Leeuwarden en de inhoud van de daartegen door de

maatschap geconcipieerde cassatieklachten. Dit betekent niet

dat het oordeel van het Hof 's-Gravenhage met betrekking tot

de vraag of de Hoge Raad de door de maatschap tegen het arrest

van het Hof Leeuwarden geformuleerde cassatieklachten gegrond

had behoren te bevinden zich aan cassatietoetsing onttrekt,

maar wel dat de Hoge Raad bij de beoordeling van die vraag

gebonden is aan hetgeen het Hof 's-Gravenhage heeft vastge

steld met betrekking tot de omvang en de grondslag van het

(hypothetische) cassatieberoep tegen het arrest van het Hof

Leeuwarden en dat thans in cassatie voor het eerst aangevoerde

stellingen met betrekking tot de omvang en de grondslag van

dat cassatieberoep als ongeoorloofd feitelijk novum buiten

beschouwing dienen te blijven.

13. Onderdeel 1 van het middel komt vanuit een internationaal

privaatrechtelijke invalshoek op tegen het oordeel van het Hof

dat de Hoge Raad onderdeel 1 van het door de maatschap tegen

het arrest van het Hof Leeuwarden geconcipieerde cassatiemid

del gegrond had behoren te vinden. Centraal in het onderdeel

staat de klacht dat het Hof 's-Gravenhage heeft miskend dat

het Hof Leeuwarden, zo nodig ambtshalve, had moeten beslissen

dat de vatbaarheid voor cessie van de vorderingen op de verze

keraars naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt

beheerst door Engels recht als het recht dat op die vorderin

gen van toepassing is, en dat de Hoge Raad, zo nodig ook

ambtshalve, had behoren vast te stellen dat onderdeel 1 van

het tegen het Hof Leeuwarden geconcipieerde cassatiemiddel

derhalve klaagt over schending van niet toepasselijke regels

en daarom reeds wegens gebrek aan belang faalt.

14. Het onderdeel is naar mijn oordeel tevergeefs voorgesteld.

Ik licht dit als volgt toe.

15. Conflictregels, althans conflictregels op het terrein van

het vermogensrecht, zijn processueel niet van openbare orde

(zie P.P.M. Mostermans, De processuele behandeling van het

conflictenrecht, 1996, blz. 95 e.v.). Het Hof Leeuwarden was

derhalve niet gehouden of bevoegd het vonnis van de Rechtbank

Groningen te toetsen aan de thans door de maatschap ingeroepen

regel van conflictenrecht, tenzij (a) de vraag naar het toe

passelijke recht op de vatbaarheid voor cessie van de vorde

ringen op de verzekeraars binnen het door de grieven tegen het

vonnis van de Rechtbank Groningen ontsloten gebied van de

rechtsstrijd in hoger beroep voor het Hof Leeuwarden lag, of

(b) de SHB en de NMB in de eerste aanleg voor de Rechtbank te

Groningen zich ter afwering van de vordering van de curator op

de toepasselijkheid van Engels recht op de vraag naar de

vatbaarheid voor cessie van de vorderingen op de verzekeraars

hebben beroepen en dit verweer door de Rechtbank Groningen is

verworpen of buiten behandeling is gelaten, zodat het Hof

Leeuwarden, bij vernietiging van het vonnis van de Rechtbank

Groningen op het (principaal) hoger beroep van de curator, dit

verweer opnieuw resp. alsnog had behoren te onderzoeken.

16. Het onder (a) bedoelde geval heeft zich niet voorgedaan.

Blijkens de gedingstukken heeft de maatschap niet gesteld - en

heeft het Hof 's-Gravenhage ook niet vastgesteld - dat de

Rechtbank Groningen de vraag naar het toepasselijke recht op

de vatbaarheid voor cessie van de vorderingen op de verzeke

raars in het midden heeft gelaten. De maatschap is er, integen

deel, evenals de curator, van uitgegaan dat de Rechtbank

Groningen op die vraag, zij het implicite, het Nederlandse

recht toepasselijk heeft geoordeeld. Evenmin heeft de maat

schap in de procedure voor het Hof 's-Gravenhage aangevoerd -

of is door het Hof 's-Gravenhage vastgesteld - dat tegen dit

oordeel van de Rechtbank Groningen in het hoger beroep voor

het Hof Leeuwarden grieven zijn aangevoerd. Voor zover de

maatschap thans in cassatie het standpunt wil innemen dat de

vraag naar het toepasselijke recht op de vatbaarheid voor

cessie van de vorderingen op de verzekeraars wèl tot het door

de grieven tegen het vonnis van de Rechtbank Groningen ontslo

ten gebied van de rechtsstrijd in hoger beroep voor het Hof

Leeuwarden behoorde, is er derhalve sprake van een ontoelaat

baar novum in cassatie. Weliswaar heeft de maatschap in de

procedure voor het Hof 's-Gravenhage aangevoerd dat, nu de

verzekeringsovereenkomsten werden beheerst door Engels recht,

naar dit recht beoordeeld moet worden of cessie van de vorde

ringen op de verzekeraars mogelijk was, maar deze stelling,

juist of niet, kan aan het oordeel van het Hof 's-Gravenhage

omtrent de gegrondheid van het eerste onderdeel van het tegen

het arrest van het Hof Leeuwarden geconcipieerde cassatiemid

del niet afdoen. De stelling is voor de vraag of het Hof Leeu

warden de beslissing van de Rechtbank Groningen omtrent het

toepasselijke recht had te eerbiedigen immers niet van belang,

aangezien de door de maatschap ingeroepen conflictregel niet

van openbare orde is.

17. Ook het onder (b) bedoelde geval heeft zich niet voorge

daan. De maatschap heeft in de procedure voor het Hof 's-

Gravenhage niet gesteld - en het Hof 's-Gravenhage heeft ook

niet vastgesteld - dat de SHB en de NMB, gedaagden de in

eerste aanleg, geïntimeerden in het (principaal) hoger beroep,

zich voor de Rechtbank Groningen ter afwering van de vordering

van de curator hebben beroepen op de toepasselijkheid van

Engels recht op de vraag naar de vatbaarheid voor cessie van

de vorderingen op de verzekeraars. Ook de regel, dat de appel

rechter bij gegrondbevinding van een of meer grieven de in

eerste aanleg aangevoerde en niet prijsgegeven stellingen van

thans-geïntimeerde, welke door de rechter in eerste aanleg

buiten behandeling zijn gelaten of zijn verworpen, alsnog

resp. opnieuw moet onderzoeken, voor zover het hoger beroep de

toewijsbaarheid van de vordering opnieuw aan de orde stelt,

verplichtte het Hof Leeuwarden derhalve niet zich te begeven

in de vraag naar het toepasselijke recht.

18. Uit het vorenstaande volgt dat het Hof Leeuwarden niet

bevoegd en ook niet gehouden was het oordeel van de Rechtbank

Groningen met betrekking tot de vraag naar het toepasselijke

recht op de vatbaarheid voor cessie van de vorderingen op de

verzekeraars te toetsen, doch gehouden was dat oordeel te

eerbiedigen. Bij gevolg zou ook de Hoge Raad niet bevoegd of

gehouden zijn geweest om bij de beoordeling van het door het

eerste onderdeel van het door de maatschap geconcipieerde

cassatiemiddel aangevallen oordeel van het Hof Leeuwarden

ambtshalve de vraag naar het toepasselijke recht te betrekken.

Hieraan doet niet af de in HR 5 mei 1978, NJ 1979, 218 nt. WHH

geformuleerde regel dat "de Hoge Raad - binnen de grenzen van

art. 99 Wet RO - zelf (dient) vast te stellen welke rechtsre

gels in het gegeven geval toepasselijk zijn". De woorden

"binnen de grenzen van art. 99 Wet RO" sluiten immers het

de Hoge Raad vaststellen van toepasselijke rechtsregels uit in

gevallen waarin de Hoge Raad niet zou mogen casseren wegens

schending van die regels, bijv. regels van buitenlands recht

(vgl. de noot van Heemskerk onder genoemd arrest). Het verwijt

dat het Hof 's-Gravenhage, bij de beoordeling van de vraag of

de Hoge Raad het eerste onderdeel van het door de maatschap

geconcipieerde cassatiemiddel gegrond had behoren te vinden,

heeft miskend dat de Hoge Raad dat onderdeel had moeten ver

werpen, reeds omdat het klaagt over schending van niet toepas

selijke regels, is derhalve ongegrond.

19. Onderdeel 2 van het middel, dat kennelijk tot uitgangspunt

neemt dat, anders dan door onderdeel 1 is betoogd, in het

cassatieberoep tegen het arrest van het Hof Leeuwarden de Hoge

Raad gebonden zou zijn geweest aan het oordeel dat Nederlands

recht van toepassing is op de vraag naar de vatbaarheid voor

cessie van de vorderingen op de verzekeraars, klaagt dat het

Hof 's-Gravenhage ten onrechte, althans zonder toereikende

motivering, heeft geoordeeld dat de Hoge Raad het eerste

onderdeel van het door de maatschap tegen het arrest van het

Hof Leeuwarden geconcipieerde middel in zijn motiveringsklach

ten gegrond had behoren te bevinden. Daartoe voert de maat

schap - kort gezegd - aan dat het Hof 's-Gravenhage heeft

miskend dat het bewuste middelonderdeel niet gericht was tegen

de eigenlijke grond waarop de beslissing van het Hof Leeuwar

den berustte. Volgens de maatschap was die eigenlijke grond

gelegen in het oordeel van het Hof Leeuwarden dat de onmiddel

lijke grondslag van de gecedeerde vorderingen lag in de over

eenkomst waarbij hersluiting van de lopende verzekeringen werd

overeengekomen, en niet, zoals het bewuste onderdeel kennelijk

doch verkeerd het arrest van het Hof Leeuwarden heeft gelezen,

in de na de datum van de cessie hersloten verzekeringsovereen

komsten. Het onderdeel miste daarom feitelijke grondslag, kon

althans niet gegrond bevonden worden zonder buiten de grenzen

van het middel te treden, aldus de maatschap.

20. Het onderdeel acht ik niet aannemelijk. Ook indien juist

zou zijn dat het Hof Leeuwarden heeft beslist dat de reeds

bestaande rechtsverhouding, waarin de door Carebeka gecedeerde

toekomstige vorderingen hun onmiddellijke grondslag vonden,

gelegen was in de hersluitingsovereenkomst, is niet onbegrij

pelijk dat het Hof 's-Gravenhage heeft beslist dat de Hoge

Raad de motiveringsklachten van onderdeel 1 van het concept

middel tegen het arrest van het Hof Leeuwarden gegrond had

behoren te bevinden.

21. Blijkens de overgelegde conceptdagvaarding tegen het

arrest van het Hof Leeuwarden strekte de motiveringsklachten

ten betoge dat de toepassing door het Hof Leeuwarden van het

vereiste, dat de gecedeerde toekomstige vordering haar onmid

dellijke grondslag moet vinden in een reeds bestaande rechts

verhouding, onvoldoende begrijpelijk is, nu in cassatie onder

meer als uitgangspunt heeft te gelden dat niet bekend was wie

de verzekeraars zouden zijn na het verstrijken van de looptijd

(een jaar) van de ten tijde van de cessie geldende verzeke

ringsovereenkomsten.

22. Het Hof 's-Gravenhage heeft kennelijk en niet onbegrij

pelijk deze motiveringsklacht zó gelezen, dat het Hof Leeuwar

den met name verweten wordt onvoldoende duidelijk te hebben

gemaakt hoe de vorderingen op de ten tijde van het evenement

gebonden verzekeraars hun onmiddellijke grondslag hebben

kunnen vinden in de rechtsverhouding tussen Carebeka en de ten

tijde van de cessie gebonden verzekeraars, nu de ten tijde van

de cessie (april 1980) gebonden verzekeraars niet dezelfde

waren als de ten tijde van het evenement (december 1982)

gebonden verzekeraars. In deze lezing richtte de motiverings

klacht zich niet zozeer tegen het oordeel van het Hof Leeuwar

den met betrekking tot de vraag of de cessie aan de SHB van

Carebeka's toekomstige vorderingen voldeed aan de vereisten

voor overdracht van toekomstige vorderingen, maar veeleer

tegen het oordeel van het Hof dat die cessie ook betrekking

kon hebben op vorderingen op andere verzekeraars dan de verze

keraars die partij waren bij de rechtsverhouding die volgens

het Hof Leeuwarden de onmiddellijke grondslag vormde van de

gecedeerde toekomstige vorderingen. Bij deze lezing is niet

onbegrijpelijk dat het Hof 's-Gravenhage de motiveringsklacht

ontvankelijk heeft geacht en - op grond van de in r.o. 18 en

19 ontwikkelde gronden - doeltreffend heeft geoordeeld.

23. Onderdeel 3 van het middel verwijt het Hof 's-Gravenhage

in strijd met de eisen van een goede procesorde te hebben

gehandeld door "rauwelijks" over te gaan tot behandeling en

beslissing van de vraag hoe de verwijzingsrechter, na vernie

tiging van het arrest van het Hof Leeuwarden, zou hebben

beslist, zonder partijen eerst de gelegenheid te geven zich

nader uit te laten.

24. Ook dit onderdeel is naar mijn oordeel tevergeefs voorge

steld. Het verliest uit het oog dat de inzet van de onderhavi

ge procedure de vraag was of en, zo ja, in welke mate de

curator schade heeft geleden als gevolg van het feit dat de

maatschap heeft verzuimd tijdig beroep in cassatie in te

stellen tegen het arrest van het Hof Leeuwarden. Aangezien ter

de beantwoording van deze vraag beoordeeld moest worden hoe op

het cassatieberoep, zo dit ware ingesteld, had behoren te

worden beslist, is het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk

ervan uitgegaan dat de maatschap erop bedacht had moeten zijn

dat, indien het hypothetische cassatieberoep gegrond zou

worden bevonden, vervolgens, ter begroting van de schade, de

vraag aan de orde zou komen welke gevolgen dit zou hebben

gehad voor de oorspronkelijk vordering van de curator tegen de

SHB en de NMB. Het Hof heeft de eisen van een goede procesorde

dan ook niet geschonden door een oordeel te geven over de

vraag hoe de verwijzingsrechter zou hebben beslist, zonder

eerst partijen alsnog de gelegenheid te bieden hun visie op

die vraag naar voren te brengen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,