Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB0183

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-02-2001
Datum publicatie
06-08-2001
Zaaknummer
C96/119HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB0183
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 128
NJ 2001, 202

Conclusie

Nr. C 96/119 HR

Mr. Mok

Zitting 1 december 2000

Conclusie na prejudiciële beslissing inzake

B.V. MAATSCHAPPIJ DRIJVENDE BOKKEN voorheen BONN & MEES

tegen

STICHTING PENSIOENFONDS VOOR DE VERVOER- EN HAVENBEDRIJVEN

Edelhoogachtbaar college,

1.KORTE BESCHRIJVING VAN DE ZAAK

1.1.In deze zaak gaat het om de vraag of eiseres van cassatie, Drijvende Bokken, kan worden verplicht deel te nemen aan het Pensioenfonds voor de vervoer- en havenbedrijven (PVH).

Bij beschikking van 9 september 1959(1) heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de deelneming in dit bedrijfspensioenfonds verplicht gesteld voor mannelijke werknemers van 18 jaar en ouder, die in het havengebied van Rotterdam en omgeving in een havenbedrijf werkzaam plegen te zijn. Bij ministeriële beschikking van 17 december 1991(2) is de werking van deze beschikking uitgebreid tot werknemers in het Rotterdams havengebied die werkzaam plegen te zijn in een haven- of daarmee gelijkgesteld bedrijf.

1.2.PVH heeft zich op het standpunt gesteld dat Drijvende Bokken onder de werking valt van deze ministeriële beschikking en derhalve verplicht bij haar is aangesloten.

Op grond hiervan heeft zij bij exploit aan Drijvende Bokken een dwangbevel uitgebracht waarbij zij deze heeft bevolen een bedrag van ? 132.000,- aan pensioenpremies te voldoen.

1.3.Drijvende Bokken heeft hiertegen verzet gedaan bij de kantonrechter te Rotterdam.

Zij stelde zich primair op het standpunt dat zij niet onder de werking van de beschikking valt, subsidiair dat de verplichte deelneming in het bedrijfspensioenfonds in strijd is met de (huidige) artikelen 81, 82 en 86 van het EG-verdrag.

1.4.De kantonrechter heeft het verzet van Drijvende Bokken op de primaire grondslag gegrond verklaard en het dwangbevel van PVH vernietigd.

In, door PVH ingesteld, hoger beroep heeft de rechtbank te Rotterdam bij tussenvonnis van 25 januari 1996 zowel het primaire als subsidiaire verweer van Drijvende Bokken verworpen. Zij heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een aantal - in cassatie niet meer terzake doende - punten.

1.5.Drijvende Bokken is van dit arrest in cassatie gekomen.

Op 11 april 1997 heb ik geconcludeerd tot het vragen van een prejudiciële beslissing aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ[EG]).

1.6.Bij tussenarrest van 6 juni 1997(3) heeft de Hoge Raad in die zin beslist en het HvJEG een zestal vragen van uitleg van het gemeenschapsrecht voorgelegd, nl:

"(a) Moet een bedrijfspensioenfonds als het Pensioenfonds, waarin krachtens en overeenkomstig de WBPF(4) het deelnemen voor alle of één of meer bepaalde groepen van bedrijfsgenoten verplicht is gesteld, worden aangemerkt als een onderneming in de zin van de art. 85, 86 of 90(5) van het EG-verdrag?

(b) Wanneer een aantal organisaties, die vervolgens door de Minister zijn aangemerkt als een voldoende representatieve vertegenwoordiging van het georganiseerde bedrijfsleven in de zin van het eerste lid van art. 3 WBPF, op grond van deze wetsbepaling aan de Minister verzoekt het deelnemen in een bepaald pensioenfonds in de zin van deze wet verplicht te stellen, is dit gezamenlijk optreden van die organisaties dan aan te merken als een overeenkomst tussen ondernemingen dan wel als een besluit van ondernemersverenigingen dan wel als een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van art. 85 lid 1 EG-verdrag die - in de zin van deze verdragsbepaling - 1 ? de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden en 2 ? ertoe strekt of ten gevolge kan hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst?

(c) Is verplichtstelling als voormeld aan te merken als een maatregel die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kan maken, althans als een maatregel waarbij een lidstaat het tot stand komen van met art. 85 strijdige afspraken oplegt of begunstigt dan wel de werking ervan versterkt, of is zulks slechts onder bepaalde omstandigheden het geval en, indien dit laatste, onder welke?

(d) Indien de laatste vraag ontkennend moet worden beantwoord, kunnen dan andere omstandigheden ertoe leiden dat de verplichtstelling onverenigbaar is met het bepaalde in art. 90 van het EG-verdrag en, zo ja, welke?

(e) Kan de verplichtstelling worden aangemerkt als de verlening aan een bedrijfspensioenfonds van een uitsluitend recht in de zin van artikel 90 lid 1 van het EG-verdrag, en wordt aldus aan een dergelijk pensioenfonds een machtspositie verschaft, waarvan het door de enkele uitoefening van het toegekende uitsluitend recht misbruik maakt, met name omdat door de verplichtstelling de handel tussen de lidstaten ongunstig kan worden beïnvloed en omdat in strijd met art. 86 lid 2 onder b, de dienstverlening wordt beperkt ten nadele van de verplicht aangesloten ondernemingen casu quo werknemers? Of kan de verplichtstelling een situatie in het leven roepen, waarbij een pensioenfonds tot een dergelijk misbruik wordt gebracht, althans in een situatie wordt geplaatst waarin het zichzelf niet zou kunnen plaatsen zonder daarbij art. 86 te schenden, terwijl aldus in ieder geval niet een stelsel van onvervalste mededinging is gegarandeerd?

(f) Indien de verplichtstelling strijdig is met het gemeenschapsrecht, brengt zulks dan mee dat de verplichtstelling niet rechtsgeldig is?"

2.DE PREJUDICIËLE BESLISSING

2.1.Ter zitting van 28 januari 1999 heeft de advocaat-generaal F. Jacobs een conclusie genomen in drie zaken, t.w.:

­ zaak C-67/96 (Albany International BV tegen Stichting Bedrijfspensioenfonds Textielindustrie);

­ de gevoegde zaken C-115/97, C-116/97 en C-117/97 (Brentjens' Handelsonderneming BV tegen

Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de handel in bouwmaterialen)

­ zaak C-219/97 (de onderhavige zaak).

2.2.In zijn uitvoerige conclusie is Jacobs tot de volgende bevindingen gekomen:

1) Het is niet in strijd met art. 85(6), lid 1, van het Verdrag, wanneer de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in een bedrijfstak overeenkomen gezamenlijk een bedrijfspensioenfonds op te richten en de autoriteiten gezamenlijk verzoeken de deelneming in het fonds verplicht te stellen voor alle bedrijfsgenoten.

2) Het is niet in strijd met de artt. 5 en 85 van het Verdrag, wanneer een lidstaat op het gezamenlijk verzoek van de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers de deelneming in een bedrijfspensioenregeling voor alle ondernemingen in de bedrijfstak verplicht stelt.

3) De Nederlandse bedrijfspensioenfondsen zijn "ondernemingen" in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag.

4) De artt. 90, lid 1, en 86 van het Verdrag staan alleen dan in de weg aan regels betreffende de verplichte deelneming in bedrijfspensioenfondsen zoals de in Nederland bestaande, wanneer die fondsen als gevolg van de regelgeving en het besluit waarbij de deelneming verplicht wordt gesteld, kennelijk niet in staat zijn te voldoen aan de vraag en de afschaffing van de verplichte deelneming de verrichting van de aan de fondsen opgedragen diensten van algemeen belang niet zou verhinderen.

De artt. 90, lid 1, en 86 van het Verdrag staan in de weg aan regels als de Nederlandse vrijstellingsrichtlijnen, voor zover daarbij de bedrijfspensioenfondsen de bevoegdheid wordt verleend discretionaire beslissingen te nemen op verzoeken om individuele ontheffing van de verplichte deelneming, welke beslissingen alleen marginaal getoetst worden.

5) Voor zover nationale regels in strijd worden geacht met de artt. 90, lid 1, en 86 van het verdrag, blijven zij buiten toepassing, behoudens een eventuele beperking die het Hof stelt aan de werking in de tijd van zijn arrest.

2.3.Bij arrest van 21 september 1999(7) heeft het HvJEG voor recht verklaard:

1.Het besluit van de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bepaalde bedrijfstak in het kader van een collectieve overeenkomst, om in die bedrijfstak één bedrijfspensioenfonds op te richten dat belast is met het beheer van een aanvullende pensioenregeling, en de overheid te verzoeken de deelneming in dit fonds voor alle werknemers in die bedrijfstak verplicht te stellen, valt niet onder art. 85 EG-verdrag. (thans art. 81 EG)

2.De artt. 3, sub g, EG-verdrag (thans na wijziging art. 3, lid 1, sub g, EG), 5 EG-verdrag (thans artikel 10 EG) en 85 van het verdrag staan niet in de weg aan een besluit van de overheid om, op verzoek van de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak, de aansluiting bij een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen.

3.Een pensioenfonds dat belast is met het beheer van een aanvullende pensioenregeling, dat is opgericht bij collectieve overeenkomst tussen de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak en waarin deelneming voor alle werknemers in de bedrijfstak door de overheid verplicht is gesteld, is een onderneming in de zin van de artikelen 85 en volgende van het verdrag.

4.De artt. 86 en 90 EG-verdrag (thans art. 82 en 86 EG) staan er niet aan in de weg, dat de overheid een pensioenfonds een uitsluitend recht verleent in een bepaalde bedrijfstak een aanvullende pensioenregeling te beheren.

2.4.Op dezelfde datum heeft het Hof arrest gewezen in de beide andere in § 2.1. genoemde zaken(8).

Daarna heeft het in nog een andere zaak een prejudiciële beslissing gegeven die betrekking had op de hier aan de orde zijnde problematiek, nl. in de zaak-Pavlov(9). Daarin heeft het hof geoordeeld:

"1)De artikelen 5 en 85 EG-Verdrag (thans de artikelen 10 EG en 81 EG) staan niet in de weg aan een besluit van de overheid om op verzoek van een representatieve organisatie van beoefenaren van een vrij beroep de deelneming in een beroepspensioenfonds verplicht te stellen.

2)Een pensioenfonds als in de hoofdgedingen aan de orde is, dat zelf de hoogte van de premies en de uitkeringen bepaalt en dat werkt volgens het kapitalisatiebeginsel, dat belast is met het beheer van een door een representatieve organisatie van beoefenaren van een vrij beroep getroffen aanvullende pensioenregeling waarin deelneming door de overheid voor alle beroepsgenoten verplicht is gesteld, is een onderneming in de zin van de artikelen 85 van het Verdrag, 86 en 90 EG-Verdrag (thans de artikelen 82 EG en 86 EG).

3)De artikelen 86 en 90 van het Verdrag staan er niet aan in de weg, dat de overheid een pensioenfonds het uitsluitend recht verleent om de aanvullende pensioenregeling van de beoefenaren van een vrij beroep te beheren."

3.NADERE BESPREKING VAN HET MIDDEL(10)

3.1.Het middel bestaat uit twee onderdelen (I en II). Onderdeel II is opgebouwd uit subonderdelen (1 en 2) en die weer uit, met letters aangegeven, sub-subonderdelen.

In het arrest van 6 juni 1997 heeft de Hoge raad (ro. 3.6) heeft de Hoge Raad al beslist dat de aanhef van onderdeel II en de sub-subonderdelen II.2a en II.2b vergeefs zijn voorgesteld. Daaruit volgt dat thans nog slechts onderdeel I en subonderdeel II.1 aan de orde zijn.

3.2.1.Onderdeel I is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat PVH niet zou kunnen worden aangemerkt als een onderneming in de zin van de artt. 81 en 82 van het EG-verdrag, doch veeleer als een sociale instelling (ro. 2.8.3.).

De hiertegen gerichte klacht slaagt, aangezien het HvJEG in onderdeel 3 van zijn prejudiciële beslissing heeft geoordeeld dat een pensioenfonds als PVH een onderneming is in de zin van de artt. 81 e.v. van het EG-verdrag.

3.2.2.Het slagen van onderdeel I leidt niet zonder meer tot vernietiging van het bestreden vonnis, aangezien eerst moet worden onderzocht of ook aan de overige vereisten van de verdragsbepalingen die geschonden zouden zijn is voldaan.

3.3.1.1.Subonderdeel II.1,a,(11) betoogt inderdaad, ervan uitgaande dat PVH een onderneming is in de zin van de artt. 81 e.v.,verplichte deelneming in PVH in strijd is met de artt. 3 sub g, 10, 81, 82 en 86 van het verdrag, omdat ook voldaan zou zijn aan de overige voor de toepasselijkheid van die bepalingen gestelde vereisten.

3.3.1.2.Met een beroep op de arresten-Inno/ATAB(12) en -Van Eycke/Aspa(13) betoogt het onderdeel dat de verplichtstelling is aan te merken als een door art. 81 verboden maatregel die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kan maken door het tot stand komen van met art. 81 strijdige afspraken op te leggen, te begunstigen of de werking daarvan te versterken.

3.3.2.1.Op deze stelling hadden de tweede en de derde door de Hoge Raad gestelde vraag (vgl. hiervóór, § 1.6.) betrekking.

3.3.2.2.Bij de behandeling van de tweedevraag heeft het Hof als uitgangspunt gekozen dat collectieve overeenkomsten tussen werkgevers- en werknemersorganisaties die tot doel hebben de werkgelegenheids- en arbeidsvoorwaarden te verbeteren, wegens hun aard en doel niet vallen onder de werking van art. 81 van het verdrag.

Hoewel een zekere mededingingsbeperkende werking eigen is aan collectieve overeenkomsten tussen werkgevers- en werknemersorganisaties, zou de verwezenlijking van de met dergelijke overeenkomsten nagestreefde doelstellingen van sociale politiek daardoor ernstig worden belemmerd. Om die reden valt ook de onderhavige overeenkomst buiten de werkingssfeer van deze bepaling, aangezien de overeenkomst algemeen beoogt aan alle werknemers in de bedrijfstak een bepaald pensioenniveau te verzekeren en daarmee rechtstreeks bijdraagt aan de verbetering van een van de arbeidsvoorwaarden van die werknemers, namelijk hun beloning.

3.3.2.3.Met betrekking tot de derde vraag, of het besluit van de overheid om deelneming in het pensioenfonds verplicht te stellen in strijd is met de artt. 3, sub g, 10 en 81 van het verdrag heeft het Hv J overwogen dat nu de in geding zijnde collectieve overeenkomst niet valt onder art. 81, lid 1, de lidstaten vrij zijn de deelname verplicht te stellen voor personen die niet door de overeenkomst gebonden zijn.

3.3.3.Daaruit vloeit voor dat het besproken subonderdeel geen doel treft.

3.4.1.Subonderdeel II.1., onder c, voert aan dat de overheid door deelneming in PVH verplicht te stellen aan dit pensioenfonds een uitsluitend recht heeft verleend in de zin van art. 86, lid 1, van het EG-verdrag, waardoor aan PVH een machtspositie wordt verschaft.

Door van dit recht gebruik te maken zou PVH van deze machtspositie misbruik maken. Althans kan de verplichtstelling een situatie in het leven roepen waarin het bedrijfspensioenfonds tot een dergelijk misbruik wordt gebracht, althans wordt het fonds in een situatie geplaatst waarin het zichzelf niet zou hebben kunnen plaatsen zonder daarbij in strijd te handelen met art. 82 EG-verdrag.

3.4.2.1.In de roo. 102 e.v. van de prejudiciële beslissing in de onderhavige zaak is het HvJ ingegaan op het betoog van Drijvende Bokken dat de dubbele hoedanigheid van het pensioenfonds, als beheerder van de pensioenregelingen en als bevoegde instantie voor het verlenen van vrijstellingen, kan leiden tot een onjuist gebruik van de vrijstellingsbevoegdheid (en daardoor tot strijdigheid met art. 86 van het Verdrag)(14).

3.4.2.2.Volgens het Hof kan de situatie in het in noot 14 genoemde arrest GB-Inn0-BM niet met die in het onderhavige geding gelijk worden gesteld.

In de eerste plaats is een bedrijfspensioenfonds als het onderhavige ingevolge de vrijstellingsrichtlijnen verplicht vrijstelling te verlenen aan ondernemingen die hun werknemers ten minste zes maanden voor de indiening van het verzoek tot verplichtstelling reeds hadden verzekerd van een pensioenregeling die ten minste gelijkwaardig is aan die van het pensioenfonds. Nu hier gaat om een gebonden vrijstellingsbevoegdheid, acht het Hof het gevaar niet aanwezig dat de vrijstellingsrichtlijn het fonds zou kunnen aanzetten tot misbruik van die bevoegdheid.

3.4.2.3.In de tweede plaats is een bedrijfspensioenfonds als het onderhavige ingevolge diezelfde richtlijnen bevoegd een onderneming vrijstelling te verlenen ingeval deze haar werknemers verzekert van een gelijkwaardige pensioenregeling, mits de vrijstelling het financiële evenwicht van het fonds niet in gevaar brengt.

In dit verband moet volgens het Hof aan het fonds een ruime beoordelingsmarge worden toegekend. De uitoefening van deze bevoegdheid brengt namelijk een complexe beoordeling mee van gegevens betreffende de betrokken pensioenregelingen en het financiële evenwicht van het fonds.

3.4.2.4.Gelet op de complexiteit van een dergelijke beoordeling en op de risico's die het verlenen van vrijstellingen oplevert voor het financiële evenwicht, kan een lidstaat van oordeel zijn, dat de vrijstellingsbevoegdheid niet aan een andere instelling moet worden toegekend. Dit laat volgens het Hof echter onverlet dat:

"de nationale rechter, wanneer hij zoals in casu te oordelen krijgt over een verzet tegen een dwangbevel tot betaling van premies, de weigering van vrijstelling door het fonds moet toetsen, waarbij hij op zijn minst genomen moet nagaan of het fonds geen willekeurig gebruik heeft gemaakt van zijn vrijstellingsbevoegdheid en of het bij zijn beslissing het non-discriminatiebeginsel en de overige wettigheidsvoorwaarden in acht heeft genomen."

3.4.2.5.Met deze laatste overweging heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het risico van misbruik van de bevoegdheid vrijstelling te verlenen aan ondernemingen die hun werknemers van een gelijkwaardige pensioenregeling verzekeren, niet aanwezig is (en dat de artt. 82 en 86 van het Verdrag niet aan een verplichtstelling in de weg staan), omdat de nationale rechter erop moet toezien dat het fonds bij zijn weigering van een vrijstelling niet in strijd heeft gehandeld met het willekeurverbod en het non-discriminatiebeginsel.

3.4.2.6.Het Hof heeft in het midden gelaten of de nationale rechter ambtshalve tot deze toetsing verplicht is (dus ook wanneer geen beroep hierop is gedaan) of dat deze verplichting alleen bestaat wanneer het nationale (proces)recht zich niet hiertegen verzet.

3.4.3.1.Het gaat hier om een vraag die in beginsel wordt beheerst door regels van nationaal procesrecht.

Volgens het HvJEG geldt voor toepassing van deze regels dat zij niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (equivalentiebeginsel) en dat zij in geen geval dusdanig mogen zijn, dat de uitoefening van de rechten welke de nationale rechter heeft te handhaven, praktisch onmogelijk wordt gemaakt (effectiviteitsbeginsel)(15).

3.4.3.2.Deze rechtspraak is met name uitgewerkt in de arresten-Van Schijndel en -Van Veen(16). Daarin heeft het HvJ bepaald dat mededingingsregels dwingende en rechtstreeks toepasselijke rechtsregels zijn. Voorzover de nationale rechter op grond van het nationale recht verplicht is dwingende regels ambtshalve toe te passen, is hij zulks ook verplicht als het gaat om gemeenschapsrecht.

Deze verplichting reikt echter niet zover dat het beginsel van lijdelijkheid van de nationale rechter hiervoor opzij moet worden gezet. Dit beginsel brengt mee dat de rechter in een civiele procedure bij de aanvulling van de rechtsgronden beperkt wordt door zijn verplichting zich te houden aan het voorwerp van geschil en zijn beslissing te baseren op hem voorgelegde feiten. Volgens het Hof wordt deze beperking gerechtvaardigd door het beginsel dat het initiatief voor een procedure bij partijen ligt.

3.4.3.3.In de zaak-Van Schijndel ging het ook om de vraag of Van Schijndel vrijgesteld behoorde te worden van de verplichting tot deelname in de beroepspensioenregeling van het Pensioenfonds voor Fysiotherapeuten.

Naar het oordeel van de Hoge Raad(17) gold dat bij deze vraag

"het algemeen belang noch fundamentele rechtsbeginselen zijn betrokken, maar, integendeel, zo al niet enkel, dan toch in zo overwegende mate zijn eigen belang [van Van Schijndel] dat het uitsluitend aan hem staat om te bepalen op welke gronden hij de door hem verdedigde bevestigende beantwoording van deze vraag in rechte wenst te baseren, ook voor zover het daarbij gaat om een mogelijk beroep op bepalingen van gemeenschapsrecht die van dwingende aard zijn."

3.4.3.4.Drijvende Bokken heeft in feitelijke instanties alleen aangevoerd dat het pensioenfonds in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel doordat vergelijkbare bedrijven evenmin bij het pensioenfonds zijn aangesloten. Zij heeft deze stelling opgeworpen in het kader van de primaire vraag of zij valt onder de werking van de ministeriële beschikking(18).

De rechtbank heeft dit betoog in ro. 2.7 van haar vonnis verworpen.

3.4.3.5.In cassatie heeft Drijvende Bokken alleen gewezen op het gevaar van een onjuist gebruik van de vrijstellingsbevoegdheid. Zij heeft echter niet, althans niet voldoende gemotiveerd, gesteld dat zich dit risico in het onderhavige geval ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, laat staan dat zulks in cassatie vaststond. Zij heeft evenmin gesteld dat de rechtbank aan een essentiële, hierop betrekking hebbende, stelling voorbijgegaan zou zijn.

Art. 419, lid 1, Rv staat er daarom aan in de weg dat de Hoge Raad op deze vraag ingaat en hierover een oordeel geeft en evenzeer dat hij, onder vernietiging van het bestreden vonnis in zoverre, de zaak naar een feitenrechter verwijst om deze vraag nog te onderzoeken.

3.5.1.Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de nog niet in het eerdere arrest door de Hoge Raad verworpen klachten van het middel ongegrond zijn.

Het middel treft dus geen doel, wat er zij van de gronden waarop het bestreden vonnis berust.

3.5.2.Op grond van ro. 115, tweede zin, van de prejudiciële beslissing van het HvJEG, heeft de Hoge Raad ook te beslissen over het dragen van de kosten van het verkrijgen van die beslissing.

4.CONCLUSIE

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep, tot veroordeling van eiseres in de kosten van het geding in cassatie in beide fasen, alsmede in de kosten van het verkrijgen van de prejudiciële beslissing.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1. Stcrt. van 17 september 1959, nr. 180.

2. Stcrt. van 23 december1991, nr. 249.

3. NJ 2000, 232.

4. Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds.

5. Oude nummering.

6. Steeds: oude nummering.

7. C-219/97, Jur. 1999, p. I-6121, NJ 2000, 233.

8. Albany: Jur. 1999, p. I-5751, Brentjes: Jur. 1999, p. I-6025.

9. HvJEG 12 september 2000, gevoegde zaken C-180-184/98, op dit moment alleen op internet (www.curia.eu.int/) gepubliceerd.

10. Artikelen van het EG-verdrag zijn hierna aangegeven in de huidige (post-Amsterdam) nummering.

11. Onder b; het gedeelte onder a bevat slechts een inleiding.

12. HvJEG 16 november 1977, zaak 13/77, Jur. 1977, p. 2115, TVVS 1978, p. 27 (M.R.M.).

13. HvJEG 21 september 1988, C-267/88, Jur. I-4769, SEW 1991, p. 83 (P. Jacob).

14. Drijvende Bokken verwijst daarbij naar het arrest GB-Inno-BM HvJEG 13 december 1991, zaak C-18/88, Jur. 1991, p. I-5941, SEW 1993, p. 528, m.nt. P.J. Slot, TVVS 1994, p. 51 (M.R.M.).

15. Zie HvJEG 16 december 1976, zaak 33/76 (Rewe), Jur. 1976, p. 1989, SEW 1977, p. 466, m.nt. P. van Dijk; HvJEG 14 december 1995, C-312/93 (Peterbroeck), Jur. 1995, p. I-4599, NJ 1997, 115, SEW 1996, p. 268, m.nt. L.A.D. Keus, TVVS 1996, p. 26 (M.R.M.); HvJEG 14 december 1995, zaken C-430/93 en C-431/93 (Van Schijndel/ SPF en Van Veen/SPF), Jur. I p. 4705, NJ 1997, 116, m.nt. H.J. Snijders en P.J. Slot onder NJ 1997, 118, SEW 1996, p. 266, m.nt. L.A.D. Keus, TVVS 1996, p. 25 (M.R.M.); HvJEG 10 juli 1997, zaak C-261/95 (Palmisani), Jur. I p.4025; HvJEG 11 december 1997, zaak C-246/96 (Magorrian en Cunningham), Jur. I p. 7153.

16. HvJEG 14 december 1995 (zie noot 15).

17. HR 1 november 1996, NJ 1997, 117, m.nt. H.J. Snijders en P.J. Slot onder NJ 1997, 118.

18. Zie pleitnotities d.d. 28 maart 1994, p. 6, onder (f), m.v.a., p. 2, nr. 8 en p. 8, onder e, pleitnotities d.d. 5 september 1995, p. 2, nr. 2.