Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AB0030

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-02-2001
Datum publicatie
28-11-2001
Zaaknummer
R00/082HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB0030
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 109, geldigheid: 2001-02-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 125
NJ 2001, 201
RvdW 2001, 51
JWB 2001/60

Conclusie

Rek.nr.: R00/082

mr. Wesseling-van Gent

Parket, 15 december 2000

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

tegen

DE INSPECTEURS VOOR DE VOLKSGEZONDHEIDSZORG VOOR GRONINGEN, FRIES-

LAND EN DRENTHE

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten en procesverloop(1)

1.1 Op 24 juli 1995 hebben verweerders in cassatie (de inspecteurs) tegen verzoeker tot cassatie (de arts) een klacht ingediend bij het Medisch Tuchtcollege te Groningen. Zakelijk weergegeven stelden de inspecteurs dat de arts tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld door in weerwil van eerdere tuchtrechtelijke beslissingen voort te gaan met het zonder overleg met de betrokken huisarts(en) en zonder psychosociale begeleiding aan patiënten voorschrijven van aanzienlijke hoeveelheden methadon in combinatie met één of meer andere middelen, zoals bijvoorbeeld benzodiazepines en antidepressiva.

1.2 Bij beslissing van 3 juni 1998 heeft het Regionaal Tuchtcollege te Groningen (RTG) de arts op deze grond de bevoegdheid ontzegd de geneeskunst uit te oefenen.

1.3 De arts is van de uitspraak van het RTG in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Bij beslissing van 22 september 1999 heeft het hof de beslissing van het RTG vernietigd, de klacht van de inspecteurs ongegrond verklaard en bepaald dat zijn beslissing overeenkomstig art. 13b Medische Tuchtwet (MTW) bekend zal worden gemaakt door plaatsing in een drietal, in de beslissing genoemde tijdschriften.

1.4 Het hof heeft zich in zijn beslissing niet uitgelaten over de door de arts in verband met de behandeling van de klacht gemaakte kosten. Het heeft dienaangaande ook geen uitspraak gedaan als bedoeld in art. 69 Reglement Medisch Tuchtrecht en Oplossing van Geschillen (RMT).

1.5 Tegen de beslissing van het hof stond ingevolge art. 93 RMT gedurende een maand na ontvangst van een afschrift daarvan beroep in cassatie open. De inspecteurs noch de arts hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De beslissing van het hof is aldus in kracht van gewijsde is gegaan.

1.6 Bij verzoekschrift van 10 december 1999 heeft de arts het Gerechtshof te Leeuwarden verzocht te bepalen dat de door hem noodzakelijk gemaakte kosten, voortvloeiend uit de behandeling van de klacht, tot een bedrag van ƒ 214.003,-- uit 's Rijks kas zullen worden vergoed. Ter motivering van dit bedrag heeft de arts een groot aantal stukken overgelegd. Daarnaast heeft de arts zich er op beroepen dat het hof in zijn beslissing van 22 september 1999 ten onrechte geen beslissing omtrent vergoeding van de kosten heeft gegeven en heeft hij (subsidiair) herstel van deze omissie verzocht. De inspecteurs hebben het verzoek bestreden.

1.7 In zijn beschikking van 24 mei 2000 heeft het hof de arts niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

1.8 De arts heeft tegen deze beschikking beroep in cassatie ingesteld. De inspecteurs hebben een verweerschrift ingediend, waarin zij de Hoge Raad primair verzoeken het cassatieberoep niet ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoeken de inspecteurs het beroep te verwerpen. Partijen hebben hun wederzijdse standpunten niet nader doen toelichten.

2. Ontvankelijkheid

2.1 In cassatie is uitsluitend aan de orde het subsidiaire verzoek van de arts tot herstel van het nalaten een voorziening voor de kosten te treffen. Dienaangaande heeft het hof onder 6 van zijn beschikking als volgt overwogen:

"Het hof stelt in dit verband vast dat [verzoeker] in de procedure in hoger beroep (tegen de beslissing van het Regionaal College te Groningen d.d. 3 juni 1998) een kostenvergoeding als door hem bedoeld, niet heeft gevorderd. [Verzoeker] heeft weliswaar in zijn beroepschrift gesteld dat de inhoud van het verweerschrift in eerste aanleg geacht moet worden in hoger beroep te zijn herhaald en geïnsereerd, doch ook in dat verweerschrift komt een dergelijke vordering niet voor. Het enkele feit dat [verzoeker] in zijn pleitnota in eerste aanleg terzake een opmerking heeft gemaakt (" klagers behoren in de proceskosten te worden veroordeeld") is door het hof niet verstaan als een in hoger beroep gedane vordering tot vergoeding van noodzakelijke kosten. Waar niet nadrukkelijk om een vergoeding was verzocht heeft het hof dienaangaande geen beslissing genomen. Van herstel of rectificatie kan derhalve geen sprake zijn, nu daartoe immers zou zijn vereist dat er sprake is van een kennelijke fout die op eenvoudige wijze kan worden hersteld."

2.2 Het middel klaagt erover dat het oordeel van het hof, waar het berust op de opvatting dat bij de beslissing slechts een uitspraak omtrent de kosten behoeft te worden gegeven, indien daarom uitdrukkelijk is verzocht, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Betoogd wordt dat de tuchtrechter (het College in eerste aanleg of, in hoger beroep, het Centraal Tuchtcollege dan wel het hof) ingevolge art. 69 RMT bij iedere eindbeslissing ambtshalve de vraag onder ogen behoort te zien in hoeverre de kosten uit 's Rijks kas zullen worden vergoed. Indien (in dit geval:) het hof dit heeft nagelaten, is het verplicht dan wel bevoegd op verzoek van (één van) partijen daaromtrent alsnog te beslissen. Volgens het middel heeft het hof het verzoekschrift van de arts in dit licht dan ook ten onrechte aangemerkt als een verzoek tot herstel van een kennelijke fout.

2.3 M.i. wordt in het middel terecht gesteld dat het hier niet om een verzoek tot herstel van een kennelijk fout gaat, maar om een verzoek tot aanvulling als bedoeld in art. 1.3.13 van het wetsvoorstel Herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg(2), welk artikel geldend recht codificeert(3). In dit artikel is bepaald dat de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aanvult indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. Een dergelijk verzoek kan op allerlei wijzen (informeel: brief of telefoon dan wel formeel: bij akte of zoals hier bij verzoekschrift) en op enigerlei moment worden gericht tot het college dat de onvolledige beslissing nam.

2.4 In het onderhavige geval is in eerste aanleg de opmerking gemaakt dat klagers in de proceskosten behoren te worden veroordeeld. Dit is m.i. op te vatten als een verzoek tot een voorziening in de kosten, dat, gelet op de devolutieve werking van het appel, door het hof had moeten worden beoordeeld. In cassatie is echter uitdrukkelijk niet het standpunt betrokken dat door de arts in eerste aanleg of in hoger beroep een voorziening voor de kosten is verzocht of gevorderd, maar is gesteld dat de tuchtrechter dit ambtshalve moet bepalen.

2.5 Zoals hierna bij de bespreking van het middel zal blijken, dient de (tucht)rechter art. 69 RMT m.i. ambtshalve toe te passen. Dit doet de vraag rijzen of de rechter kan worden verzocht aan te vullen wat hij ambtshalve had moeten beslissen doch heeft verzuimd. Ik wil mij hierbij beperken(4) tot het soort beslissingen zoals in deze zaak de vergoeding van de uit de behandeling van een tuchtzaak voortvloeiende kosten als bedoeld in art. 69 RMT of bijvoorbeeld de vaststelling van het salaris van de curator ingeval van homologatie van een akkoord (vergelijk art. 71 lid 2 F).

2.6 Ik beantwoord deze vraag bevestigend omdat ik geen goede grond zie voor een onderscheid tussen het verzuim om op enig deel van het verzochte of gevorderde te beslissen en het verzuim te beslissen over enig punt waartoe de rechter ambtshalve gehouden was. De grondgedachte van de mogelijkheid van aanvulling is immers dat de rechter behoort te beslissen over al hetgeen aan hem ter beslissing is voorgelegd. Voor het huidige recht wordt dit aangenomen op grond van art. 382 Rv., terwijl voor het komend recht in art. 1.3.5 NRv. met zoveel woorden wordt bepaald dat de rechter gehouden is te beslissen op al hetgeen is gevorderd of verzocht. In de Memorie van Toelichting wordt het verband gelegd tussen art. 382 Rv. en art. 1.3.13 NRv. Laatstgenoemde bepaling geeft, aldus de toelichting, een praktische methode voor de wijze waarop een inbreuk op art. 1.3.5 kan worden hersteld(5). Voorts valt te wijzen op het huidige art. 1061 Rv. dat met betrekking tot arbitrage bepaalt dat een verzoek tot een aanvullend vonnis tot het scheidsgerecht kan worden gericht, indien dit heeft nagelaten te beslissen omtrent een of meer zaken welke aan zijn oordeel waren onderworpen.

2.7 Het verzoek tot aanvulling vindt zijn grondslag in de zaak waarover bij beschikking van het hof van 22 september 1999 is beslist, te weten het hoger beroep in de klachtzaak. De beslissing hierop van het hof bij beschikking van 24 mei 2000 is een beslissing ten gronde, zodat laatstgenoemde beschikking weer aan beroep onderhevig is op de gebruikelijke termijn. Art. 93 RMT bepaalt in het tweede lid dat het beroep in cassatie wordt ingesteld binnen een maand na ontvangst van het afschrift van de beslissing. Het op 20 juni 2000 ingediende verzoekschrift in cassatie is derhalve tijdig ingediend.

2.8 Voor zover Uw Raad mocht oordelen dat de beschikking van het hof van 24 mei 2000 slechts een weigering van de verzochte aanvulling behelst als bedoeld in artikel 1.3.13 lid 2 NRv. en voor zover Uw Raad tevens van oordeel is dat het in die bepaling neergelegde rechtsmiddelenverbod reeds geldend recht is -m.i. niet -, meen ik dat het beroep in cassatie toch ontvankelijk is. Het hof heeft ten onrechte de regeling van de aanvulling buiten toepassing gelaten, hetgeen volgens vaste jurisprudentie een doorbrekingsgrond van het rechtsmiddelenverbod oplevert. Op grond van art. 94 lid 4 van het RMT is Uw Raad niet gebonden aan de aangevoerde middelen. Zo in het verzoekschrift in cassatie een dergelijke doorbrekingsgrond niet valt te lezen, kan een en ander derhalve ambtshalve worden beslist.

3. Bespreking van het middel

3.1 Het gaat hier om hier om een tuchtrechtelijke procedure die is aangevangen onder het regime van de Medische Tuchtwet (MTW)(6). Met de invoering van het nieuwe tuchtrecht (hoofdstuk VII van de Wet BIG(7)) op 1 december 1997(8) is de Medische Tuchtwet ingevolge art. 145 Wet BIG met ingang van diezelfde datum ingetrokken. Op grond van art. 109 lid 2 Wet BIG dienen zaken die op dat moment reeds aanhangig waren nog op de voet van de Medische Tuchtwet te worden afgehandeld. Ingevolge art. 15 MTW is het ten deze toepasselijke procesrecht te vinden in het Reglement Medisch Tuchtrecht en Oplossing van Geschillen (RMT)(9).

3.2 Art. 69 RMT luidt als volgt:

1. Bij de uitspraak bepaalt het College, in hoeverre uit 's Rijks kas aan den klager of den persoon, over wien geklaagd is, de kosten, voor hen uit de behandeling voortvloeiend, zullen worden vergoed.

2. Noodeloos gemaakte kosten worden in geen geval vergoed.

3. De vergoedingen worden door den voorzitter, nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, zoodra mogelijk, met inachtneming van het bij en krachtens Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalde, vastgesteld.

3.3 Met het hof en de inspecteurs ben ik van oordeel dat met "de uitspraak" in lid 1 onmiskenbaar wordt gedoeld op de in art. 62 RMT bedoelde eindbeslissing die het tuchtcollege geeft naar aanleiding van een klacht of die het Centraal College dan wel het hof geeft naar aanleiding van het hoger beroep tegen een eerste aanleg gegeven beslissing. Het systeem van art. 69 RMT is daarmee aldus dat bij de eindbeslissing wordt bepaald of, en zo mogelijk in welke omvang gemaakte kosten kunnen worden vergoed. Zodra de eindbeslissing in kracht van gewijsde is gegaan kan ingevolge lid 3 vervolgens de omvang van de vergoeding definitief worden vastgesteld. Krachtens de art. 91 in verbinding met art. 87 lid 1, en art. 96 lid 5 RMT geldt de regeling ook in hoger beroep bij het hof en in cassatie bij de Hoge Raad.

3.4 Uit de terminologie van het eerste lid: "bepaalt het College" blijkt dat het College een uitspraak over vergoeding van de kosten moet en niet: kan doen. Er staat ook niet vermeld dat dat de tuchtrechter "desverzocht" of "op verzoek (van)" een beslissing neemt.

3.5 Ook in de literatuur lijkt hiervan te worden uitgegaan. Bij de bespreking van art. 69 wordt steeds simpelweg tot uitgangspunt genomen dat de tuchtrechter hierover een uitspraak doet, waarbij nergens wordt gesproken over een daartoe strekkend verzoek(10). Zo stelt R. de Gaay Fortman dat de beslissing, behalve hetgeen is voorgeschreven in art. 62 RMT, (ook) een bepaling moet bevatten in hoeverre uit 's Rijks kas de kosten aan de klager of de beklaagde zullen worden vergoed(11).

Wat betreft de jurisprudentie kan worden gewezen op HR 19 februari 1959, NJ 1959, 176. In deze uitspraak verstond de Hoge Raad (op voorstel van de A-G) dat aan gerequestreerde in cassatie de kosten zijnerzijds uit 's Rijks kas zullen worden vergoed, terwijl niet blijkt dat daarom was verzocht.

3.7 In dit verband wijst Haardt erop dat er een duidelijke parallel is tussen art. 69 RMT en art. 56 Beroepswet, de opvolger van art. 60 Beroepswet (oud)(12), welk artikel wat betreft de kosten een regeling bevatte die in grote lijnen gelijk was aan art. 69 RMT:

"Bij de uitspraak beveelt het college, dat aan de partij, daarbij geheel of gedeeltelijk in het gelijk gesteld, de kosten..., uit 's Rijks kas/'s Lands kas geheel of gedeeltelijk zullen worden vergoed."

In de literatuur wordt omtrent de regeling van art. 56 opgemerkt dat de beroepsrechter een bevel als bedoeld in dat artikel "hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek" geeft(13).

3.8 Waar het middel stelt dat de tuchtrechter art. 69 RMT ambtshalve dient te toe te passen, is het in het licht van het voorgaande dan ook terecht voorgedragen. De bestreden uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.

3.9 Na cassatie zal alsnog moeten worden beslist of, en zo ja in hoeverre de door de arts gemaakte kosten voor vergoeding uit 's-Rijks kas in aanmerking komen. Daarbij geldt dat de rechter zowel bij de vraag wanneer een vergoeding uit 's Rijks kas kan worden toegekend als bij de vraag in welke omvang de kosten moeten worden vergoed, geheel vrij is, zij het dat hij op het punt van de omvang van de vergoeding gebonden in aan het bepaalde in de leden 2 en 3(14). Gezien deze discretionaire bevoegdheid zal de beantwoording van deze vraag in hoge mate verweven zijn met waarderingen van feitelijke aard. Uw Raad zal de zaak op dit punt dan ook niet zelf kunnen afdoen, zodat terugverwijzing moet volgen.

4. Conclusie

Deze strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing ter verdere behandeling.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Zie de beschikkingen van het Gerechtshof te Leeuwarden van 22 september 1999 en van 24 maart 2000.

2 Kamerstukken II, 1999-2000, 26 855, hierna NRv.

3 Zie HR 27 juni 1980, NJ 1980, 590 en HR 10 juni 1994, NJ 1994, 654. Zie over de problematiek van aanvulling, Th.B.Ten Kate, Het request-civiel, nr. 52 en de conclusie van A-G Ten Kate vóór het hiervoor genoemde arrest NJ 1980, 590 met verdere verwijzingen naar literatuur.

4 Buiten het kader valt m.i. bijvoorbeeld de regel dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden dient aan te vullen.

5 Nr. 3, blz. 55-56.

6 Wet van 2 juli 1928, Stb. 222.

7 Wet van 11 november 1993, Stb. 655.

8 KB van 19 november 1997, Stb. 553.

9 KB van 31 oktober 1929, Stb. 474, S&J, nr. 25, blz. 226 e.v., laatstelijk gewijzigd bij KB van 11 september 1989, Stb. 504. Het RMT bevat geen nota van toelichting. Er zijn ook geen andere toelichtende stukken voorhanden.

10 Vgl. D. Sanders, De praktijk van het medisch tuchtrecht, 1967, blz. 163; R. Drion, De praktijk van het medisch tuchtrecht, 1987, blz. 94 en M.J.C. Leijten, Tuchtrecht getoetst, 1991, blz. 412.

11 R. de Gaay Fortman, Medisch Tuchtrecht, 1947, blz. 58.

12 Wet van 8 december 1902, Stb. 208. Zie over de aard en strekking van deze wet: E.P. de Jong e.a., Het administratieve procesrecht volgens de Beroepswet, 1984, blz. 3-5. Bij de herziening van de Beroepswet in 1955 (Wet van 2 februari 1955, Stb. 47) is art. 60 in die zin gewijzigd dat het werd vernummerd tot art. 56 en dat daaraan een vierde lid is toegevoegd, waarin is bepaald dat ook na de uitspraak nog een beslissing over de kosten kan worden gevraagd. In de parlementaire geschiedenis is deze toevoeging toegelicht met de opmerking dat aan een dergelijke bepaling in de praktijk behoefte is gebleken (MvT 3349, TK 1953-1954, nr.3, blz. 18).

13 E.P. de Jong, a.w., blz. 136.

14 Vgl. de noot van Haardt onder HR 21 december 1984, NJ 1985, 884.