Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AA9902

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2001
Datum publicatie
15-08-2001
Zaaknummer
R00/131HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AA9902
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 106
JWB 2001/53

Conclusie

R 00/131 HR

Mr. Langemeijer

Parket, 8 december 2000

(schuldsanering)

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

Edelhoogachtbaar College,

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Bij vonnis van de rechtbank te Utrecht d.d. 6 april 1999 is de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard op [verzoeker], verzoeker in cassatie.

1.2. Art. 295, tweede lid, Fw bepaalt dat van het inkomen en van periodieke uitkeringen die de schuldenaar verkrijgt, slechts buiten de boedel wordt gelaten een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in art. 475d Rv. Ingevolge art. 295, derde lid, Fw kan de rechter-commissaris bij schriftelijke beschikking het bedrag, bedoeld in het tweede lid, verhogen met een nominaal bedrag; ook de rechtbank kan dit doen in de uitspraak tot voorlopige of definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling(1). Eind juni 2000 heeft [verzoeker] bij de rechter-commissaris bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop de beslagvrije voet ten aanzien van hem werd berekend.

1.3. Blijkens een "gespreksverslag" d.d. 30 augustus 2000 heeft de rechter-commissaris vanwege een thans niet ter zake doende beleidswijziging van de rechtbank het maandelijks in te houden bedrag gewijzigd ingaande 1 juli 2000. Het verzoek van [verzoeker] om de tot 1 juli 2000 ten behoeve van de boedelrekening ingehouden bedragen aan hem te restitueren heeft de rechter-commissaris volgens dat verslag afgewezen "aangezien dit bedrag volgens de toen geldende berekeningswijze correct was".

1.4. [Verzoeker] heeft op 1 september 2000 zelf een beroepschrift ingediend bij de rechtbank tegen een beschikking d.d. 31 augustus 2000(2), met het verzoek:

"De rechtbank wordt verzocht vanaf de toepassing van de WSNP bij mij vanaf de ingang van april 1999 een juiste toepassing te geven van artikel 475d Rv en de beschikking van de RC te herzien in die zin dat vanaf april de beslagvrije voet wordt gehanteerd van 90 % met verhoging van de woonkosten en ziektekostenpremie totaal 126,-- per maand zodat de inhouding wordt gesteld op 21,50 per maand en vanaf 1 juli op 95% per maand exclusief de woonkosten en de premie ziekenfonds."

1.5. De rechtbank heeft op 13 september 2000 [verzoeker] in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard op de volgende grond:

"de rechtbank begrijpt de strekking van het beroepschrift aldus, dat [verzoeker] daarmee beoogt hoger beroep in te stellen tegen een beschikking die de rechter-commissaris op 31 augustus 2000 zou hebben genomen overeenkomstig artikel 295, derde lid, Fw;

nu echter ingevolge artikel 315, tweede lid, Fw geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen, onder meer, de beschikkingen bedoeld in artikel 295, derde lid, Fw, dient [verzoeker] niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep."

1.6. Bij verzoekschrift, ingekomen op 22 september 2000, is namens [verzoeker] tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 13 september 2000, onder aanvoering van twee "grieven". De eerste grief houdt in, dat de oproep voor de zitting van de rechtbank van 13 september 2000, ten gevolge van de zgn. postblokkade en een late doorzending door de bewindvoerder, verzoeker buiten zijn schuld niet tijdig heeft bereikt. De tweede grief houdt in, dat de rechtbank het in juli 2000 aan de bewindvoerders bekend gemaakte nieuwe beleid m.b.t. de toepassing van art. 295, derde lid, Fw jo. art. 475d Rv, ten aanzien van verzoeker had behoren toe te passen met terugwerkende kracht tot 6 april 1999.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Te vrezen is, dat Uw Raad aan een inhoudelijke beoordeling van de "grieven" niet toekomt. In het cassatieverzoekschrift wordt immers niet bestreden het (hierboven onder 1.5 geciteerde) oordeel van de rechtbank, dat het hoger beroep moet worden opgevat als een beroep tegen een beschikking op grond van art. 295, derde lid, Fw. Gegeven dit uitgangspunt - waarvan ik de juistheid in het midden laat -, kón de rechtbank op grond van het bepaalde in art. 315, tweede lid, Fw niet anders doen dan [verzoeker] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. Verzoeker heeft om die reden bij de behandeling van zijn bovengenoemde "grieven" geen belang.

2.2. Ditzelfde uitgangspunt brengt met zich mee, dat de rechtbank geacht moet worden een beslissing te hebben gegeven ingevolge de bepalingen van titel III Fw. Derhalve staat tegen de beschikking van de rechtbank geen hogere voorziening open vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen (art. 360 Fw)(3). Dit voert mij tot de slotsom dat verzoeker in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk is.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden.

1 Zie: Polak-Wessels, Insolventierecht IX, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (1999), blz. 50-51; MvT, TK 1992/93, 22 969, nr. 3, blz. 41-43.

2 Uit de toelichting blijkt dat het beroep is gericht tegen de beslissing van de rechter-commissaris zoals neergelegd in het gespreksverslag d.d. 30 augustus 2000. Uit de brief van mr. D. Poot aan de griffier van Uw Raad d.d. 24 november 2000 met bijlage kan worden opgemaakt dat een afzonderlijke, op 31 augustus 2000 gedateerde, beschikking van de rechter-commissaris niet heeft bestaan. Zekerheidshalve heeft mijn parket dit laatste geverifieerd bij de griffie van de rechtbank.

3 MvT, TK 1992/93, 22 969, nr. 3, blz. 67: "Dit artikel maakt duidelijk dat deze artikelen een gesloten systeem vormen, evenals artikel 282 Fw dat voor de surseance van betaling doet". Vgl. n.a.v. art. 282 Fw: HR 10 juni 1983, NJ 1984, 270 m.nt. WHH.