Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AA9899

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2001
Datum publicatie
31-08-2001
Zaaknummer
R00/047HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AA9899
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 103
JWB 2001/50

Conclusie

Mr. Hartkamp

nr. R00/047HR

Parket, 27 oktober 2000

Conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Edelhoogachtbaar College,

Feiten en procesverloop

1) Verzoekster tot cassatie (de vrouw) en verweerder in cassatie (de man) zijn op 22 december 1993 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk is op [geboortedatum] 1995 een kind geboren, [..]. Bij beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 16 september 1998 is echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken en is bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van ( 1.000,-- per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van het kind. Deze beschikking is op 11 december 1998 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Tussen partijen bestond nadien nog geschil over de hoogte van de alimentatie die de man aan de vrouw zou dienen te betalen(1). Bij beschikking van 17 februari 1999 heeft de rechtbank daaromtrent bepaald dat de man ( 3.000,- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud vanaf de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding. Ter toelichting daarop heeft de rechtbank, op verzoek van de advocaat van de man, nader bericht dat zij bij haar oordeel ervan uit ging dat de man tevens de hypotheekrente ten bedrage van ( 2.361,-- van de voormalige echtelijke woning, die de vrouw met [het kind] bewoont, zou blijven voldoen.(2)

In appèl heeft de man het hof verzocht de door hem te betalen alimentatie voor de vrouw te bepalen op ( 2.850,-- per maand gedurende vijf jaren en op ( 2.000,-- per maand over de zeven daaropvolgende jaren. De vrouw heeft in incidenteel appel het hof verzocht te bepalen dat de man een uitkering tot haar levensonderhoud dient te betalen van ( 5.361,-- per maand. Bij zowel het verzoek van de man als dat van de vrouw was het uitgangspunt dat de man naast de alimentatie niet meer de hypotheekrente van de voormalige echtelijke woning zou voldoen.

Het hof heeft bij beschikking van 10 februari 2000 de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.

De vrouw is tijdig van deze beschikking in cassatie gekomen met een middel dat uit twee onderdelen bestaat. De man heeft verweer gevoerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

2) Vooropgesteld zij dat 's hofs beschikking m.i. zo moet worden begrepen dat de hypotheeklasten na de datum van de beschikking voor rekening van de vrouw komen. Beide partijen hebben in appèl immers hun verzoeken op die grondslag gedaan, de overwegingen van het hof wijzen duidelijk in die richting(3) en het hof heeft in het dictum niets omtrent de hypotheeklasten bepaald. In cassatie gaan beide partijen dan ook terecht van deze lezing van de beschikking uit. Dit betekent dat hoewel het hof de beschikking van de rechtbank heeft bekrachtigd, het eindresultaat verschillend is.

Het middel komt in zijn beide onderdelen op tegen de beslissing in r.o. 3.9, dat de man een alimentatie van ( 3000,- per maand moet betalen, welk bedrag in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, in het bijzonder ook gelet op de in aanmerking te nemen behoefte van de vrouw. Onderdeel 1 voert aan dat de omstandigheid dat na de beschikking van het hof niet de man, doch de vrouw de maandelijkse hypotheeklasten voor de voormalige echtelijke woning ad ( 2.361,- zal dragen, zowel een wijziging in de draagkracht van de man als in de behoefte van de vrouw tot gevolg heeft, hetgeen tot uitdrukking had moeten komen in de hoogte van het door de man maandelijks aan de vrouw te betalen bedrag aan levensonderhoud. Onderdeel 2 acht de beslissing onbegrijpelijk, nu de vrouw de maandelijkse hypotheeklast van ( 2361,- zal moeten voldoen.

Ik acht de klachten ongegrond. Aan rechterlijke beslissingen die uitsluitend betreffen het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op hun draagkracht en behoefte aangevoerde omstandigheden kunnen geen hoge motiveringseisen worden gesteld (recent bijv. HR 17 maart 2000, NJ 2000, 313). Uit de beschikking blijkt niet dat het hof geen rekening heeft gehouden met de in de toelichting op de klachten vermelde omstandigheden. Het hof heeft rekening gehouden met de financiële omstandigheden aan de zijde van de man en van de vrouw. Het middel bevat geen klachten omtrent hetgeen het hof in dit verband heeft vastgesteld. Het was aan het hof als feitenrechter om hierop de beslissing omtrent de hoogte van de alimentatie te baseren. De beslissing van het hof is voldoende gemotiveerd. Van een onbegrijpelijke motivering is geen sprake. Hierbij verdient nog aantekening dat het hof wat de woonlasten van de man betreft kennelijk is uitgegaan van de situatie na 1 mei 2000 (op welke datum de huurlasten van de man zouden worden vervangen door hogere hypotheeklasten), terwijl het hof ervan uitgaat dat de man tot de datum van de beschikking (10 februari 2000) nog de hypotheeklasten van de vrouw moet betalen (zie noot 3). Het hof was m.i. niet gehouden - het middel betoogt dat ook niet - om voor de periode tussen 11 februari en 1 mei 2000 een ander bedrag vast te stellen dan voor de periode vanaf 1 mei.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

(Advocaat-Generaal)

1 Daarnaast waren er geschillen over de verdeling van de boedel en over het gezag over [het kind], doch deze doen in cassatie niet meer terzake.

2 Zie het beroepschrift van de man in appel, nr. 6 en verweerschrift van de vrouw in appel, nrs. 3 en 5, verweerschrift in cassatie, nr. 1.1.

3 Het hof heeft overwogen dat de man "tot aan de datum van deze beschikking de hypotheeklasten (betaalt) verbonden aan de voormalige echtelijke woning die door de vrouw en [het kind] worden bewoond" (r.o. 2.3, vierde al.) en "Geen rekening wordt gehouden met haar woonlasten voorzover deze ( 2.361,- per maand te boven gaan, nu het meerdere gelet op haar persoonlijke omstandigheden een redelijke woonlast te boven gaat"(r.o. 3.8). In dit verband is nog van belang dat, zoals het hof vermeldt, de voormalige echtelijke woning ten tijde van 's hofs beschikking aan de vrouw was toegedeeld.