Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AA9898

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2001
Datum publicatie
31-08-2001
Zaaknummer
C99/163HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AA9898
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 101a, geldigheid: 2001-02-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 112
Milieurecht Totaal 2001/4048
JWB 2001/49

Conclusie

Mr. Hartkamp

nr. C99/163HR

zitting 24 november 2000

Conclusie inzake

1) [Eiseres 1]

2) [Eiser 2]

3) [Eiser 3]

4) [Eiser 4]

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

Feiten en procesverloop

1) Het gaat in deze zaak om de saneringskosten van een perceel grond. Verweerder in cassatie [verweerder], eigenaar van de grond, heeft de eiseres tot cassatie [eiseres 1], huurster van de grond, tot vergoeding van die kosten aangesproken.(1) Op de grond is een bedrijf in chemicaliën (verf e.d.) gevestigd geweest, dat gedurende enige tijd eigendom van [verweerder] is geweest en daarna is overgedragen aan [eiseres 1]. In cassatie draait het om de verdeling van de saneringskosten over [eiseres 1] en [verweerder].

2) Bij exploot van 8 april 1993 heeft [verweerder] [eiseres 1] gedagvaard te verschijnen voor de rechtbank te Zwolle. De vordering luidde tot betaling van ( 47.039,20 en schade op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten. [Eiseres 1] heeft zich tegen de vordering verweerd. De rechtbank heeft bij vonnis van 8 september 1993 [verweerder] toegelaten tot het bewijs van het bestaan van de noodzaak tot sanering en tot het bewijs dat de verontreiniging van het perceel is veroorzaakt door of namens [eiseres 1] Vervolgens heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast door Tauw Milieu B.V. Naar aanleiding van het deskundigenrapport heeft de rechtbank geoordeeld dat de noodzaak tot sanering is komen vast te staan.(2) Tenslotte heeft de rechtbank bij eindvonnis van 20 november 1996 geoordeeld dat [verweerder] slechts gedeeltelijk in het hem opgedragen bewijs, dat de verontreiniging door of namens [eiseres 1] is veroorzaakt, is geslaagd. [Eiseres 1] is daarop veroordeeld tot vergoeding van 30% van de schade.

3) [Verweerder] en [eiseres 1] zijn beide in hoger beroep gekomen, waarbij [verweerder] zijn vordering heeft vermeerderd. Bij incidenteel arrest van 28 april 1998 zijn de appelzaken gevoegd. Bij arrest van 26 januari 1999 heeft het hof het eindvonnis vernietigd en [eiseres 1] veroordeeld tot betaling van de helft van de schade.

Ik moge naar het laatstgenoemde arrest (r.o 3.1 - 3.12) verwijzen voor een overzicht van de vaststaande feiten, waarvan ook in cassatie kan worden uitgegaan.

4) [Eiseres 1] is tijdig van dit arrest in cassatie gekomen. Het cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen. [Verweerder] is niet verschenen. Het cassatiemiddel is schriftelijk toegelicht.

Bespreking van het cassatiemiddel

5) Onderdeel 1.a klaagt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden bij zijn oordeel dat onvoldoende is gebleken dat er ook tijdens de periode van [verweerder], dus vóór 1 juli 1979, in zodanige mate werd gemorst dat dit in meer dan te verwaarlozen mate heeft bijgedragen aan de verontreiniging (r.o. 4.3.3). De rechtbank had geoordeeld dat morsen in de periode van [verweerder] een bijdrage aan de verontreiniging heeft geleverd.(3) Nu dit oordeel door [verweerder] noch [eiseres 1] was bestreden, trad het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd, aldus het middel. Onderdeel 1.b klaagt dat voorzover het hof tot zijn oordeel is gekomen doordat het de proceshouding van partijen anders heeft verstaan dan in onderdeel 1.a weergegeven, er sprake is van een onbegrijpelijke uitleg van de memories van grieven.

De onderdelen worden m.i. tevergeefs voorgesteld, omdat uit de toelichting op de grieven blijkt dat [verweerder] het oordeel van de rechtbank over de mate waarin en de wijze waarop de vervuiling voor zijn risico is ontstaan, in zijn geheel bestrijdt. Zie bijvoorbeeld onder 3.2 in samenhang met 3.6 MvG [verweerder].

"Tot zover samenvattend stelt [verweerder] zich op het standpunt dat het ontstaan van bodemvervuiling en de dientengevolge voor [verweerder] ontstane schade geheel moeten worden toegerekend aan geïntimeerden. Uitgaande van de plaatsing van de tanks in het najaar van 1978 (...) en van de verklaring van geïntimeerde/getuige [eiser 3] (...) geldt, dat [verweerder] pas in de winter van 1978 is begonnen met afvullen. Bovendien was [verweerder] "in de eerste periode voortdurend aan het sleutelen aan de machines" (...) en werd, als er gelekt werd, gelekt op de vloeistofdichte betonnen vloer. Buiten gebeurde er nog niet zoveel in die tijd, aldus [eiser 3] (...). Eventuele door [verweerder] voor 1 juli 1979 veroorzaakte bodemverontreiniging kan, kortom niet anders dan verwaarloosbaar zijn geweest, hetgeen door Tauw op pagina 15, onder 10 wordt ondersteund: (...)."

Zie voorts onder 3.7 en 3.8 MvG [verweerder]:

"[Verweerder] stelt zich op het standpunt dat, als er in "zijn periode" al eens bodemverontreiniging is veroorzaakt, die vervuiling in het niet zinkt bij de door geïntimeerden in "hun periode" veroorzaakte vervuiling, vervuiling die het rechtstreeks gevolg van de brand is geweest en de verontreiniging die aan de bodem is toegevoegd, doordat geïntimeerden een paar maanden lang weigerden de resten, waaronder nog steeds lekkende blikken, op te laten ruimen, waarvan de schadelijke gevolgen aan geïntimeerden moeten worden toegerekend. Dat standpunt komt er, anders gezegd, op neer dat het niet anders mogelijk is dan dat geïntimeerden volledig aansprakelijk zijn voor de door [verweerder] geleden en nog te lijden schade, bestaande uit de nog te maken saneringskosten van het perceel respectievelijk de vermindering van de waarde van het perceel wegens de daarin achtergebleven bodemverontreiniging.

Toch heeft de rechtbank, ten onrechte, die conclusie niet getrokken."

[Eiseres 1] is op deze stellingen ingegaan (MvA ad 3.2 e.v.).

Het hof heeft kennelijk op grond van het voorgaande aangenomen dat het debat van partijen in appel zich ook uitstrekte tot de vraag in hoeverre er tijdens "de periode [verweerder]" verontreiniging door morsen is ontstaan. Deze uitleg van de gedingstukken is niet onbegrijpelijk en is overigens voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt. Een grief hoeft niet als zodanig in de memorie van grieven benoemd te zijn, mits zij voor de tegenpartij kenbaar was (zie o.a. HR 24 april 1981, NJ 1981, 495 m.nt. WHH, HR 9 september 1994, NJ 1995, 6 en HR 28 februari 1997, NJ 1998, 218 m.nt. HJS).

6) Onderdeel 2.a klaagt dat het hof in r.o. 4.5.4 heeft nagelaten aan te geven waarom het van oordeel is dat de verontreiniging die het directe gevolg van de brand is (het in de bodem komen van chemicaliën doordat deze tijdens de brand met het bluswater zijn weggestroomd), aan [eiseres 1] is toe te rekenen. Het hof had dit vraagpunt apart moeten bespreken, aldus het onderdeel, omdat dit toerekeningsoordeel door [eiseres 1] in appel nadrukkelijk is bestreden.

Volgens onderdeel 2.b heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, indien en voorzover het arrest zo moet worden begrepen dat het hof heeft geoordeeld dat de bij onderdeel 2.a genoemde verontreiniging aan [eiseres 1] is toe te rekenen. Volgens het onderdeel kan niet gezegd worden dat [eiseres 1] terzake van die verontreiniging als huurder in haar zorg tegenover de verhuurder is tekort geschoten. Immers, de brand, die door derden was aangestoken, vormde voor de B.V. overmacht: het door de klinkerbestrating in de bodem binnendringen van chemicaliën met het bluswater was in redelijkheid door de B.V. niet te voorkomen, aldus het onderdeel.

Ik meen dat ook deze onderdelen tevergeefs worden voorgesteld. De rechtbank (vonnis van 20 nov. 1996) heeft onder het kopje "De brand in 1982" aangenomen dat de verontreiniging mede is veroorzaakt door de brand in 1982, en wel enerzijds door het effect van het bluswater (r.o. 4.1), en anderzijds door de vertraagde opruiming van het terrein na de brand (r.o. 4.3). Zij heeft vervolgens in r.o. 4.4 de vraag of [eiseres 1] aansprakelijk kon worden gehouden voor de verontreiniging voorzover deze met de brand samenhangt, bevestigend beantwoord op grond dat de B.V. - weliswaar niet was tekortgeschoten in haar verplichtingen als huurster, maar wel - uit onrechtmatige daad aansprakelijk was, omdat het op haar weg had gelegen om na de brand onder het treffen van de nodige preventieve maatregelen onverwijld tot opruiming van het terrein over te gaan en de door de brand ontstane verontreiniging ongedaan te maken. De B.V. is tegen dit oordeel met haar grieven VI-XI opgekomen, en heeft in de daarop gegeven toelichting geen onderscheid gemaakt tussen de beide voormelde schadeoorzaken ("bluswater" en "vertraagde opruiming").

Tegen deze achtergrond moeten de r.o. 4.5.1 en 4.5.4 van 's hofs arrest (met name ook de woorden "de hierdoor veroorzaakte verontreiniging" in de eerste zin van r.o. 4.5.4) m.i. aldus worden verstaan, dat 's hofs oordeel mede betrekking heeft op de in verband met het blussen ontstane verontreiniging (het in de grond stromen van chemicaliën) en dat het hof, de grieven verwerpend, de aansprakelijkheid van [eiseres 1] evenals de rechtbank baseerde op onrechtmatige daad.

De beslissing van het Hof lijdt ook overigens niet aan motiveringsgebreken. Waar in de memorie van grieven wordt betoogd dat geen aansprakelijkheid bestaat op grond van art. 7A:1600 en dat het daarmee in tegenspraak zou zijn om aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad aan te nemen, oordeelt het hof dat de B.V. eraan voorbijziet dat art. 7A:1600 alleen ziet op de door de brand aan het gehuurde object veroorzaakte schade, maar dat dat niet de schade is waar het hier om gaat. Deze overweging wordt niet door de onderdelen bestreden.

Uit het voorafgaande volgt dat onderdeel 2.b feitelijke grondslag mist voorzover het (i) ervan uitgaat dat het hof de aansprakelijkheid van [eiseres 1] heeft gebaseerd op het tekortschieten door de B.V. in haar verplichtingen als huurster, en (ii) aanvoert dat zodanige aansprakelijkheid afstuit op het feit dat het tegelijk met het bluswater binnendringen van de chemicaliën in de grond overmacht oplevert. Het hof heeft immers een onrechtmatige daad aangenomen, bestaande uit het niet opruimen van de verontreiniging.

Ten overvloede voeg ik toe dat dit oordeel, dat overigens nauw samenhangt met feitelijke waarderingen en daarom slechts beperkt toetsbaar is in cassatie, m.i. niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting: noch wat betreft de samenloop tussen verplichtingen uit overeenkomst en uit onrechtmatige daad, noch wat betreft de inhoud van laatstgenoemde verplichting. Voorts wijs ik, eveneens ten overvloede, op de recente beslissing in HR 30 juni 2000, RvdW 2000, 168 (gewezen na de schriftelijke toelichting in deze zaak), dat de wettelijke regeling van de verplichtingen van de huurder niet meebrengt dat een huurder bij oplevering van het gehuurde verplicht is "een niet door hem veroorzaakte, reeds bij de aanvang van de huur aanwezige bodemverontreiniging te verwijderen." Met deze beslissing zou het niet in strijd zijn om een opruimingsplicht op de huurovereenkomst te baseren, wanneer de verontreiniging zoals in casu tijdens de huur is ontstaan, en zij weliswaar niet door de huurder is veroorzaakt, maar wel in onmiddellijk verband staat met de aard van het door hem uitgeoefende bedrijf.

7) Onderdeel 3.a wordt m.i. met succes voorgesteld. In de r.o. 7 en 8.1 oordeelde de rechtbank dat het vermoeden is gerezen dat de door [verweerder] tussen 1982 en 1992 op de grond verrichte activiteiten wel degelijk milieugevaarlijk waren; dat [verweerder] daaromtrent onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft; dat [verweerder] daarom slechts gedeeltelijk in het hem opgedragen bewijs is geslaagd. Hoewel de rechtbank overwoog dat de vastgestelde bijdrage van [eiseres 1] aan de verontreiniging groter is dan de vastgestelde bijdrage van [verweerder] daaraan, oordeelde ze toch vanwege de bovengenoemde onzekerheid over andere oorzaken dat [eiseres 1] voor slechts 30% van de schade aansprakelijk kan worden gehouden.

Tegen r.o. 7 kwam [verweerder] op met drie grieven, waarvan het hof er twee (VIII en IX) ongegrond achtte. Derhalve bleef het vermoeden van de rechtbank overeind dat [verweerder] tussen 1982 en 1992 op de grond milieugevaarlijke activiteiten heeft verricht, alsmede het oordeel dat de brand in 1992 aan de verontreiniging kan hebben bijgedragen, zodat [verweerder] bewijs van het tegendeel had dienen bij te brengen.(4) Maar het hof heeft in r.o. 4.7 deze mogelijke schadeoorzaken niet genoemd en het aandeel van elk der partijen in de schade op 50% vastgesteld.

Het bepalen van de mate waarin oorzaken aan de zijde van eiser en gedaagde aan de schade hebben bijgedragen, is een beslissing die grotendeels op intuïtief inzicht van de rechter berust, zodat daaraan slechts beperkte motiveringseisen kunnen worden gesteld. Vgl. Asser-Hartkamp 4-I (2000), nr. 452a. Dat geldt zeker in een geval als het onderhavige, waarin mede door het tijdsverloop onzekerheid bestaat over het bestaan en het gewicht van een deel van de (mogelijke) oorzaken. In het onderhavige geval moet er echter van worden uitgegaan dat sprake is geweest van milieugevaarlijke activiteiten van [verweerder] in de periode tussen 1982 en 1991 en dat die activiteiten aan de verontreiniging van het perceel kunnen hebben bijgedragen. Onderdeel 3.a voert m.i. terecht aan dat het hof onder deze omstandigheden in zijn motiveringsplicht is te kort geschoten door niet aan te geven waarom het bij de bepaling van de wederzijdse bijdragen aan de schade kennelijk geen gewicht heeft toegekend aan de milieugevaarlijke activiteiten van [verweerder] tussen 1982 en 1991.

8) Ook de onderdelen 4 en 5 slagen, voorzover zij op onderdeel 3.a voortbouwen. Onderdeel 3.b daarentegen faalt in het voetspoor van de onderdelen 1 en 2.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te Arnhem en tot verwijzing van de zaak naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

(Advocaat-Generaal)

1 Daarnaast zijn ook de directeuren van [eiseres 1] (de eisers tot cassatie onder 2-4) in persoon aansprakelijk gesteld, doch deze kwestie speelt in cassatie geen rol meer.

2 Zie vonnis van 1 februari 1995, r.o. 4 en 5.

3 Zie vonnis d.d. 20 november 1996, r.o. 7 en 8.1.

4 Grief X slaagde daarentegen, zodat de mogelijke schadeoorzaken "drain" en "calamiteit" (zie r.o 4.5.9 en 10) waren uitgeschakeld.