Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AA9885

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2001
Datum publicatie
26-11-2003
Zaaknummer
00799/99 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AA9885
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 430, geldigheid: 2001-02-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 120
NJ 2001, 669
M en R 2002, 3

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 00799/99/E

Zitting 19 september 2000

Conclusie inzake:

[Verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 20 april 1999 [verdachte] (hierna: de B.V.) vrijgesproken van het haar tenlastegelegde handelen in strijd met art. 18.18 Wet milieubeheer.

2. De Procureur-Generaal bij het hof heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld en heeft tijdig een schriftuur houdende één middel van cassatie ingediend.

3. Nu het beroep zich richt tegen een vrijspraak moet, gelet op het bepaalde in art. 430, eerste lid, Sv, allereerst worden bepaald of de Procureur-Generaal in dat beroep kan worden ontvangen. Daartoe dient te worden onderzocht of de gegeven vrijspraak een andere is dan die welke wordt bedoeld in de hierboven vermelde wetsbepaling. Een vrijspraak, gegeven op een geldige dagvaarding, uitgebracht door een ontvankelijk Openbaar Ministerie, door een rechter die tot het vellen van een oordeel omtrent het al dan niet bewezen zijn van het tenlastegelegde gerechtigd was, kan in cassatie slechts worden getoetst indien de rechter bij het geven van zijn beslissing de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, en aldus van iets anders heeft vrijgesproken dan was tenlastegelegd.

4. Aan de B.V. is na wijziging van de tenlastelegging op de voet van art. 313 Sv tenlastegelegd dat:

"zij op of omstreeks 5 augustus 1996 in de gemeente Kerkrade zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan een krachtens de Wet milieubeheer afgegeven vergunning voor het in werking hebben van een op perceel Wolfsweg 75 gevestigde inrichting, als bedoeld in categorie 11 onder a van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, immers

- was de oppervlakte van de opgeslagen vliegas niet zodanig vochtig, danwel niet op een andere wijze behandeld dat geen verwaaiing plaatsvond en/of

- was bij de handling van de vliegas het vliegas niet zodanig bevochtigd dat geen verwaaiing plaatsvonden en/of

- geschiedde de opslag en handling van buiten opgeslagen (grond)stoffen niet zodanig, danwel waren niet zodanige voorzieningen getroffen dat verspreiding buiten de inrichting werd voorkomen."

De in de tenlastegelegde bedoelde vergunning betreft de hierna te noemen revisievergunning.

5. Het hof heeft de gegeven vrijspraak als volgt gemotiveerd:

"Het hof acht -evenals de eerste rechter- niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte bij -gewijzigde- inleidende dagvaarding is ten laste gelegd, zijnde het hof van oordeel dat aan de vernietiging van de betreffende vergunning terugwerkende kracht moet worden toegekend, zodat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte handelde in strijd met voorschriften, verbonden aan een krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning."

6. Bij besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg van 8 maart 1994 is aan de B.V. een revisievergunning verleend ter vervanging van een eerdere op basis van de Hinderwet verleende oprichtingsvergunning en van eerdere op basis van de Hinderwet en de Wet inzake de luchtverontreiniging verleende uitbreidings- en wijzigingsvergunningen. Aan die revisievergunning zijn onder meer de in de tenlastelegging bedoelde voorschriften verbonden.

Bij uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 augustus 1996 (dus drie dagen nadat de in de tenlastelegging aan de B.V. verweten gedraging zou hebben plaatsgevonden) is het beroep dat door een aantal derde belanghebbenden tegen vorenbedoeld besluit van 8 maart 1994 is ingesteld gegrond verklaard en is dat besluit vernietigd, omdat de B.V. een oprichtingsvergunning in plaats van een revisievergunning had moeten aanvragen. De Afdeling stelde namelijk vast dat de eerdere vergunningen die op grond van de Hinderwet en de Wet inzake de luchtverontreiniging waren verleend, waren vervallen.

Dientengevolge heeft het College van Gedeputeerde Staten de B.V. ten onrechte in haar aanvraag ontvangen.

7. Ingevolge art. 8:72, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) brengt vernietiging van (een gedeelte van) een besluit vernietiging van de rechtsgevolgen van (het vernietigde gedeelte van) dat besluit mee. De vernietiging werkt dus ex tunc (vgl. T&C Awb, aant. 2 bij art. 8:72).

8. Het leerstuk dat centraal staat in de onderhavige zaak is dat van de formele rechtskracht: is de strafrechter gebonden aan de uitspraak van de administratieve rechter tot vernietiging van een besluit waarbij onder voorwaarden een vergunning is verleend? Het hof heeft die vraag bevestigend beantwoord, en daarmee ook een antwoord gegeven in het meningsverschil of aan die vernietiging terugwerkende kracht is verbonden. Omdat het hof die vraag bevestigend beantwoordde kon het hof niet anders dan de B.V. vrijspreken van het haar tenlastegelegde feit, aangezien er - uitgaande van 's hofs zienswijze - ex tunc geen sprake was van een vergunning met daaraan verbonden voorschriften die de B.V. in acht had behoren te nemen. Het gaat hier dus niet om de vraag of het hof al dan niet een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de in de tenlastelegging voorkomende woorden "voorschriften verbonden aan een krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning," (zoals het cassatiemiddel onder 3.1. stelt), welke interpretatie de ontvankelijkheid van het cassatieberoep direct raakt, maar om de vraag of het hof zich terecht gebonden heeft geacht aan de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 8 augustus 1996, neergelegd in het volstrekt feitelijke oordeel dat de B.V. niet in strijd met een (immers niet meer bestaande) vergunning handelde.

9. Uit het vorenoverwogene volgt dat de gegeven vrijspraak, ook indien deze zou zijn terug te voeren op een onjuist oordeel van het hof omtrent de gebondenheid van de strafrechter aan een uitspraak van de administratieve rechter, niet is aan te merken als een vrijspraak die in cassatie kan worden getoetst, aangezien niet blijkt dat om één van de hiervoor onder 3 genoemde redenen de gegeven vrijspraak is te beschouwen als een andere vrijspraak dan die waarop art. 430, eerste lid, Sv doelt. Tegen deze vrijspraak staat derhalve geen beroep in cassatie open (vgl. HR 14 februari 1995, NJ 1995, 552 m.nt. Kn en HR 23 juni 1998, NJ 1999, 87 m.nt. JR).

10. Totdat de wetgever ingrijpt om het - hoe de historische rechtvaardiging ervan ook moge zijn - in ieder geval met de rechtsontwikkeling geen gelijke tred meer houdende art. 430 Sv te wijzigen,(1) meen ik geen ander standpunt te kunnen innemen.(2)

11. Ten overvloede wil ik opmerken dat zich naar mijn mening hier niet voordoet het geval (waarop het middel aanstuurt) dat de verleende vergunning wegens een formeel beginsel van behoorlijk bestuur wordt vernietigd (van welke vernietiging geen invloed op de strafbaarheid zou uitgaan),(3) maar dat de vergunning in strijd met de wet is verleend (hetgeen ook in de visie van de steller van het middel invloed op de strafbaarheid ex tunc heeft). De overwegingen van de Afdeling laten hierover mijns inziens geen misverstand bestaan (p.4-5 van de uitspraak van 8 augustus 1996).

12. Een tweede opmerking ten overvloede is deze. De B.V. profiteert in casu van haar eigen nalatigheid om de juiste vergunningaanvraag in te dienen. Weliswaar heeft het College van GS haar niet op het juiste spoor gezet door de aanvraag ten onrechte wel in behandeling te nemen, maar dat neemt niet weg dat onbekendheid met de voor een bedrijf van kracht zijnde wettelijke voorschriften in oeconomicis niet al te gemakkelijk dient te worden gepardonneerd. In de verschillende marktsegmenten is men van de geldende voorschriften bijzonder goed op de hoogte (omdat deze nu eenmaal op de rentabiliteit van het bedrijf invloed plegen uit te oefenen), en zo niet: dan behoorde men dat te zijn. In dit licht bezien is het een bizarre toestand dat een B.V. die nalaat de juiste vergunningaanvraag in te dienen, en die voorwaarden overtreedt die aan de onjuiste vergunning zijn verbonden, de strafrechtelijke dans kan ontspringen hoewel er met de voorwaarden van de vergunning inhoudelijk niets mis is. Een subsidiaire tenlastelegging, inhoudende het verwijt zonder vergunning te hebben gehandeld (hetgeen bestuursrechtelijk juist zou zijn), is wellicht denkbaar, maar kan een - zeker niet kansloos, maar evenmin bij voorbaat geslaagd - avas-beroep oproepen.(4)

13. Deze aard van opmerkingen verhindert dat zij tot een andere conclusie leiden dan de niet-ontvankelijkverklaring van de Procureur-Generaal in zijn beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie het artikel van het huidige lid van Uw Raad, mr Bleichrodt, in DD 1982, p. 476-486; de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot mr Van Dorst voor 14 februari 1995, NJ 1995, 552 met een noot van Knigge waarin ook tot legislatieve actie wordt opgeroepen; dit wordt bestreden door Reijntjes in zijn noot onder HR 23 juni 1998, NJ 1999, 87 (de cause célèbre van de om het leven gebrachte Hummelose kinderarts, welke zaak uiteindelijk eindigde in vrijspraak nadat de rechter-commissaris, aan wie een nieuw verhoor van de anonieme getuige door het hof waarnaar de zaak na cassatie was verwezen was opgedragen, zich met een Jantje van Leiden van dat verhoor had afgemaakt.

2 Ook in het licht van de te verwachten stroom rechtsvragen ten gevolge van de invoering van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden zou toetsing door de Hoge Raad van vrijspraken die zijn gebaseerd op een onjuiste interpretatie van de talrijke nieuwe bevoegdheden in die wet, bepaald overweging verdienen. Aan de grote betekenis van de exclusionary rule voor de normering van de opsporingspraktijk (hetgeen ook zijn uitdrukking heeft gevonden in art. 359a, eerste lid, aanhef en sub b, Sv) wordt mijns inziens afbreuk gedaan indien verdachten een onaantastbare vrijspraak kunnen verkrijgen als gevolg van een onjuist onrechtmatig-verkregen-bewijsoordeel van de feitenrechter. Hoe men ook moge denken over het `verdiend zijn' van een vrijspraak ten gevolge van de toepassing van de uitsluitingsregel, een vrijspraak ten gevolge van een onjuist toegepaste uitsluitingsregel is stellig onverdiend en overigens ook onverkoopbaar aan eventuele slachtoffers. Dat hiertegen de "goede zaak [van] lites finiri oportent" kan worden ingebracht zie ik - in relatie tot de aantastbaarheid van veroordelingen - niet goed, te minder omdat een vrijspraak wegens onjuiste toepassing van het bewijsrecht nu juist geen zuiver feitelijk karakter heeft, maar een sterk normatief element herbergt. Dat wordt ook door de motivering van de vrijspraak door het hof in de door Reijntjes geannoteerde uitspraak gedemonstreerd.

3 Zie Waling, Adv.bl. 1991, p. 465.

4 Zie HR 13 november 1984, NJ 1985, 294; het beroep dat Hendriks en Wöretshofer op HR 27 oktober 1981, NJ 1982, 103 ter onderbouwing van een avas-beroep doen acht ik niet sterk (Studiepocket Milieustrafrecht 1995, p. 71).