Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AA9772

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2001
Datum publicatie
15-08-2001
Zaaknummer
R00/152HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AA9772
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2001/4
JOL 2001, 84
JWB 2001/46

Conclusie

R 00/152 HR

Mr. Langemeijer

Parket, 15 december 2000

(Wet BOPZ)

Conclusie inzake:

[Verzoekster]

Edelhoogachtbaar College,

In deze zaak wordt een machtiging tot voortgezet verblijf bestreden met motiveringsklachten.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam heeft op 4 september 2000 bij de rechtbank aldaar een vordering ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis van thans-verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene). Bij de vordering is een op 31 augustus 2000 ondertekende geneeskundige verklaring met behandelplan overgelegd.

1.2. Op 26 september 2000 zijn gehoord: betrokkene, haar advocaat en de arts-assistent M. Elink-Schuurman. Namens betrokkene is primair verzocht de vordering af te wijzen, omdat het vereiste gevaar ontbreekt en omdat betrokkene bereid is op vrijwillige basis in het ziekenhuis te verblijven. Subsidiair is verzocht de termijn van de machtiging tot voortgezet verblijf korter te stellen dan één jaar.

1.3. Op dezelfde dag heeft de rechtbank de gevraagde machtiging verleend voor de duur van zes maanden, ingaande op 27 september 2000 en eindigende op 26 maart 2001(1).

1.4. Tegen deze beschikking heeft betrokkene tijdig(2) cassatieberoep ingesteld, onder aanvoering van één middel van cassatie.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel 1 keert zich met motiveringsklachten tegen de vaststelling van de rechtbank, dat de stoornis van de geestvermogens ook na het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging betrokkene gevaar zal doen veroorzaken. In de eerste plaats wordt geklaagd, dat het oordeel onbegrijpelijk is omdat uit de geneeskundige verklaring volgt dat er geen sprake is van gevaar en de behandelend arts vermeldt dat behandeling wenselijk is - het zgn. 'bestwilcriterium' - terwijl volgens de wettelijke maatstaf het 'gevaarscriterium' beslissend is. In de tweede plaats wordt, onder verwijzing naar HR 6 oktober 2000, RvdW 2000, 197, geklaagd dat de rechtbank het vereiste gevaar onvoldoende heeft geconcretiseerd.

2.2. De rechtbank heeft omtrent het gevaar overwogen:

"Betrokkene lijdt aan schizofrenie van het paranoïde type. Deze stoornis van de geestvermogens zal ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zijn en deze stoornis zal betrokkene ook dan gevaar doen veroorzaken, welk gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis. Er is sprake van gevaar voor een ernstige verstoring van de relatie tussen betrokkene en haar moeder en dochter indien betrokkene psychotisch decompenseert. Voorts is sprake van gevaar voor de gezondheid van de buren van betrokkene als gevolg van door betrokkene veroorzaakte overlast, zoals deze zich ook in het verleden heeft voorgedaan."

2.3. De rechtbank heeft deze twee vormen van gevaar kennelijk ontleend aan de geneeskundige verklaring en aan het verhandelde ter terechtzitting. De diagnose schizofrenie van het paranoïde type is niet bestreden. De geneeskundige verklaring vermeldt omtrent het gevaar in rubriek 4a:

"Uit het dossier blijkt dat patiënte zich in het verleden tijdens paranoïd psychotische decompensaties kon verwaarlozen, agressief naar anderen kan zijn en haar buren overlast bezorgde. Op dit moment is zij redelijk stabiel en is er dus geen sprake van gevaar. Dit gevaar is echter wel weer te verwachten, als zij in de toekomst weer psychotisch decompenseert."

In rubriek 4b van de geneeskundige verklaring wordt hieraan toegevoegd:

"Enkele voorbeelden uit het verleden, zoals beschreven in de vorige Geneeskundige verklaring ter verkrijging van een voorlopige machtiging d.d. 04-04-2000:

Had moeder fysiek aangevallen, bezorgde haar buren ernstige overlast, waardoor dezen uit angst medische klachten ontwikkelden."

en in rubriek 4d wordt over de aanwezigheid van het gevaar na beëindiging van de lopende machtiging opgemerkt:

"Schizofrenie is een chronische ziekte en patiënte heeft geen ziekte-inzicht. Als zij door dit ontbrekend inzicht besluit haar medicijnen, waartegen zij weerstand heeft, niet in te nemen, kan zij psychotisch decompenseren en hieruit kan dan het omschreven gevaar voortvloeien."

Ter zitting heeft de behandelend arts toegelicht, dat op de voorgrond staat de gevoeligheid van betrokkene voor stress, waardoor zij psychotisch kan worden. Betrokkene ervaart zelf vooral moeilijkheden met haar moeder, haar dochter en haar ex-partner. De behandelende artsen vinden dat ook behandeling nodig is voor het eerste (d.w.z. de gevoeligheid voor stress, met psychose en moeilijkheden in haar sociale omgeving als gevolg). De behandelend arts verklaarde zich zorgen te maken, omdat betrokkene mogelijk aan het begin staat van verzeilen in een nieuwe psychose: het vermijden van contact wijst daarop. Betrokkene vindt het moeilijk medicatie in te nemen. Door het ziekenhuis werd toegewerkt naar ontslag en ambulante behandeling via het Team Integrale Zorg (T.I.Z.), maar zij wijst hulp van het T.I.Z. af. Het was kort tevoren nodig, haar te laten ophalen door de crisisdienst (p.-v. blz. 1-2).

2.4. Zowel op zichzelf, als in het licht van deze verklaringen, is uit de motivering voldoende begrijpelijk welk gevaar de rechtbank voor ogen heeft gestaan. Anders dan in onderdeel 1 wordt verondersteld, heeft de rechtbank aan de beslissing niet het "bestwilcriterium" ten grondslag gelegd(3). Blijkens de redengeving, is de rechtvaardiging voor de verleende machtiging niet gelegen in de vaststelling dat opname en behandeling in het belang van betrokkene nuttig zouden zijn, maar in het door de rechtbank omschreven gevaar. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Voor zover het middel doelt op de zinsnede aan het slot van de geneeskundige verklaring, waar te lezen valt dat, ondanks de bezwaren van betrokkene, een machtiging tot voortgezet verblijf "wenselijk is", toont de redengeving van de bestreden beschikking dat de rechtbank niet is blijven stilstaan bij de vraag of de gevraagde machtiging wenselijk is, maar zij wel degelijk aan het gevaarscriterium heeft getoetst.

2.5. Met de verwijzing naar HR 6 oktober 2000 (RvdW 2000, 197) doelt de steller van het middel kennelijk op rov. 3.5 van die beschikking. Ook in het toen berechte geval ging het om een machtiging tot voortgezet verblijf en werd de aanwezigheid van het vereiste gevaar bestreden. Echter: de rechtbankbeschikking, waarover de Hoge Raad toen had te oordelen, bevatte uitsluitend een zgn. standaardmotivering waarin de wettelijke formule werd herhaald. Dat was toen reden voor cassatie. De thans bestreden beschikking daarentegen bevat een op het individuele geval toegesneden motivering (zie alinea 2.2 hierboven). Bovendien blijkt uit de motivering, dat (anders dan in het geval van HR 6 oktober 2000) de aanname van gevaar op actuele gegevens berust: de vrees voor psychotische decompensatie, met daaruit voortvloeiend gevaar ook voor derden, is blijkens de geneeskundige verklaring en de verklaring van de arts ter terechtzitting in het geval van betrokkene een actueel gegeven. Voor zover het onderdeel doelt op de geciteerde zinsnede uit de geneeskundige verklaring (dat betrokkene op dit moment - d.w.z. ten tijde van het opstellen van de verklaring - redelijk stabiel is en er geen gevaar aanwezig is), wordt deze zinsnede m.i. uit zijn verband gehaald. Uit de verdere inhoud van de geneeskundige verklaring blijkt wel van gevaar. Hierbij verdient aantekening dat voor het aannemen van gevaar bij voortgezet verblijf een (reële) gevaarsdreiging voldoende is. Slechts voor een inbewaringstelling is acuut gevaar vereist. Niet is vereist dat het nadeel waarvoor gevreesd moet worden zich reeds heeft geopenbaard (dan is het al te laat), noch dat de schade met zekerheid of met een zeer grote waarschijnlijkheid te verwachten is(4). De rechtbank heeft m.i. voldoende begrijpelijk en concreet uiteengezet, wat het gevaar inhoudt. De slotsom is, dat onderdeel 1 niet tot cassatie leidt. Ambtshalve valt nog op te merken, dat het gevaarscriterium zoals omschreven in het huidige art. 1, lid 1 onder f, Wet Bopz na inwerkingtreding van de - op het onderhavige geval nog niet toepasselijke - wet van 22 juni 2000, Stb. 292, wordt gepreciseerd(5).

2.6. Onderdeel 2 heeft betrekking op het vereiste, dat betrokkene niet de nodige bereidheid heeft, vrijwillig in het ziekenhuis te verblijven. Ter toelichting wordt betoogd, dat betrokkene in de voorgaande periode feitelijk reeds veel buiten de inrichting vertoefde en dat zij kritiek had met betrekking tot de wijze waarop zij werd behandeld. Volgens het middel is zonder nadere motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk waarom de rechtbank uit de stukken niet de conclusie heeft getrokken dat betrokkene de nodige bereidheid heeft voor een behandeling op vrijwillige basis.

2.7. De rechtbank heeft omtrent de kwestie van de bereidheid overwogen:

"Ter terechtzitting heeft betrokkene verklaard bereid te zijn op vrijwillige basis in een psychiatrisch ziekenhuis te verblijven. De behandeld arts heeft ter zitting echter verklaard dat bij betrokkene tekenen van agitatie en onrust aanwezig zijn die mogelijk voorbode zijn van een nieuwe psychotische decompensatie. Bovendien is er bij betrokkene sprake van grote onvrede over haar ambulante behandelcontact met het Team Integrale Zorg. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de door betrokkene geuite bereidheid onvoldoende reden geeft om aan te nemen dat thans reeds sprake is van de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz."

2.8. Deze overweging strookt met de ter terechtzitting afgelegde verklaringen. Niet iedere bereidverklaring staat aan het verlenen van een machtiging in de weg: de wet eist de nodige bereidheid. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van de nodige bereidheid tot verblijf, beschikt de rechter over een zekere beoordelingsmarge(6). De rechtbank heeft kennelijk in de verklaring over de aanwezige voortekenen van een nieuwe psychotische decompensatie reden gevonden tot twijfel, of betrokkene haar bereidverklaring ook nog gestand zal (kunnen) blijven doen indien het tot een psychische decompensatie komt. Ter terechtzitting zijn de mogelijkheden voor behandeling besproken. Betrokkene werd in de voorafgaande periode enkele dagen per week in de kliniek behandeld en daarnaast (ambulant) door het T.I.Z. De geciteerde overweging van de rechtbank is kennelijk mede de reactie op de bezwaren van betrokkene tegen de behandeling in de voorafgaande periode. Omdat betrokkene, ook naar eigen zeggen, niet wilde doorgaan met het T.I.Z. en volgens de arts andere ambulante behandeling niet beschikbaar is, kon de rechtbank tot het oordeel komen dat ondanks de ter zitting uitgesproken bereidverklaring in werkelijkheid de bereidheid, nodig voor de vereiste behandeling om het bovenbedoelde gevaar te keren, bij betrokkene ontbreekt. Verdere toelichting behoefde dit oordeel niet om begrijpelijk te zijn. Onderdeel 2 faalt daarom.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Dit is een kortere periode dan de wettelijk toegestane periode van 1 jaar (art. 17 lid 3 Wet Bopz).

2 Het cassatieverzoekschrift is ingekomen op maandag 27 november 2000. Dit is tijdig; zie art. 1 Algemene Termijnenwet in verbinding met art. 78 Wet Bopz en art. 426 lid 1 Rv.

3 Zie over het onderscheid tussen het bestwil- en het gevaarscriterium o.m.: Laurs (red.), Handboek Opneming en Verblijf, aant 3.9 op art. 2 Wet Bopz (Dijkers); H.J.J. Leenen, Handboek gezondheidsrecht (2000) blz. 291 e.v.

4 Laurs (red.), Handboek Opneming en Verblijf, aant. 3.2.3 op art. 2 (Dijkers), onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis; P. van Ginneken, Het gevaarscriterium bij onvrijwillige opneming in een psychiatrisch ziekenhuis, MGv 1994, blz. 651 e.v., in het bijzonder blz. 653.

5 Ik moge verwijzen naar mijn conclusie d.d. 24 november 2000 inzake N. Kaburu (R00/145 HR).

6 Zie: HR 7 april 1995, NJ 1995, 616 m.nt. JdB en HR 6 februari 1998, NJ 1998, 302; Laurs (red.), Handboek Opneming en Verblijf, aant. 5.1.2 op art. 2 Wet Bopz (Dijkers).