Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AA9771

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2001
Datum publicatie
31-08-2001
Zaaknummer
R99/120HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AA9771
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 81
NJ 2001, 179
RvdW 2001, 43
JWB 2001/45

Conclusie

nr. R99/120HR

Mr. Hartkamp

zitting, 10 november 2000

Conclusie inzake

1) Sint Maarten Veterinary Hospital N.V.

2) De erven van [erflater]

3) [Eiseres 3]

tegen

1) Animal Hospital of The Netherlands Antilles N.V.

2) [Verweerder 2]

3) [Verweerster 3]

Edelhoogachtbaar College,

Feiten en procesverloop

1) In cassatie zijn de volgende feiten van belang. [Erflater] heeft onderhandelingen gevoerd met [verweerder 2] en [verweerster 3] over de overname van een ([erflaters]) dierenartspraktijk. Deze onderhandelingen hebben geresulteerd in een letter of intent (productie 1 bij inleidend verzoekschrift). Op 20 april 1995 zijn partijen schriftelijk een Earnest Money Agreement aangegaan (productie 2 bij conclusie van antwoord). Door ondertekening van een Termination Agreement d.d. 5 januari 1996 (productie 5 bij conclusie van antwoord) zijn partijen bevrijd van al hun rechten en verplichtingen uit de overeenkomst. Partijen hebben vervolgens verder onderhandeld over de overname van de praktijk. Hoewel verscheidene conceptovereenkomsten zijn opgesteld, zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen.

Sint Maarten Veterinary Hospital N.V., [erflater] (die na het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg is overleden, vanaf welk moment zijn erven zijn plaats in het geding hebben ingenomen) en [eiseres 3] (hierna [eiser] c.s.) hebben bij verzoekschrift van 17 juli 1997 het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Sint Maarten (hierna GEA) verzocht om Animal Hospital of The Netherlands Antilles N.V., [verweerder 2] en [verweerster 3] (hierna [verweerder] c.s.) hoofdelijk te veroordelen om de schade te vergoeden die aan de zijde van [eiser] c.s. is veroorzaakt door het afbreken van de onderhandelingen over de overname van de dierenartspraktijk van [eiser] c.s.

Aan deze vordering hebben [eiser] c.s. ten grondslag gelegd dat [verweerder] c.s. onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld, omdat zij reeds ver gevorderde onderhandelingen hebben afgebroken met een tegenbod van US$ 276.000,-, terwijl partijen reeds overeenstemming hadden bereikt over de prijs en [eiser] c.s. mochten vertrouwen op de totstandkoming van de overname. [Verweerder] c.s. hebben verweer gevoerd, waarbij zij het GEA hebben verzocht [eiser] c.s. niet in hun vordering te ontvangen, althans deze vordering af te wijzen. Als grond voor afwijzing van de vordering voerden [verweerder] c.s. aan dat hun tegenbod gebaseerd was op een rapport van Deloitte & Touche, waaruit bleek dat de overnameprijs veel te hoog was (productie 4 bij conclusie van antwoord).

2) Bij vonnis van 5 mei 1998 heeft het GEA de vordering van [eiser] c.s. afgewezen, waarbij het volgende is overwogen:

"6. In de Earnest Money Agreement is voorts uitdrukkelijk bepaald dat het doorgaan van de transactie mede afhankelijk was van de goedkeuring van de boeken en bescheiden van de praktijk. Aangenomen moet worden dat partijen hiermee aan partij [verweerder 2] de gelegenheid hebben willen geven om de door KPMG en [betrokkene A] gebruikte gegevens, die tot de overnameprijs hebben geleid, te controleren. Dit is door [betrokkene B] gedaan. Op grond van zijn rapport moet het ervoor worden gehouden (dat) partij [verweerder 2] haar goedkeuring zou hebben onthouden en ook mocht onthouden, zodat zij, als de Termination Agreement niet reeds was ondertekend, de koopovereenkomst alsnog had kunnen ontbinden.

7. Het vorenstaande, gekoppeld aan het feit dat de Termination Agreement zelf partijen uitdrukkelijk ontslaat van alle verplichtingen uit de Earnest Money Agreement (en naar moet worden aangenomen ook van die uit de Letter of Intent) leidt tot de conclusie dat tussen partijen noch over de wijze van overdracht, noch over de prijs overeenstemming bestond. Partij [verweerder 2] mocht dan ook in april 1996 een tegenbod doen. Van een situatie, dat [erflater] er op mocht vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen op basis van de door hem geformuleerde uitgangspunten is dan ook geen sprake."

3) [Eiser] c.s. zijn van het vonnis van het GEA in appel gekomen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en hebben tien grieven gericht tegen het vonnis van het GEA. [Verweerder] c.s hebben verweer gevoerd en het Hof verzocht het vonnis van het GEA te bevestigen.

Het Hof heeft bij vonnis van 19 maart 1999 het vonnis van het GEA bevestigd. De volgende overwegingen van het Hof zijn in cassatie van belang:

"4.6 De grieven drie en vier treffen evenmin doel. Blijkens de vordering zoals deze door [eiser] c.s. (ook) in hoger beroep is ingesteld zijn zij van mening dat tussen partijen geen overeenkomst is totstandgekomen. Immers, zij vorderen schadevergoeding wegens het onrechtmatig afbreken van de tussen partijen gevoerde onderhandelingen. De eerste rechter heeft derhalve met juistheid, gelet ook op hetgeen in deze procedure als tussen partijen vaststaand is aangemerkt, geoordeeld dat geen overeenstemming is bereikt over de overnameprijs noch over de wijze van overname.

4.7 De vijfde grief betreft het oordeel van de eerste rechter dat partijen door het ondertekenen van de Termination Agreement uitdrukkelijk ontslagen zijn van alle verplichtingen uit de Earnest Money Agreement, hiervoor ook aangeduid als de overeenkomst. Ook die grief faalt. Allereerst omdat de tekst van de Termination Agreement geen ruimte laat voor een andere uitleg dan door de eerste rechter gegeven. Bovendien heeft de getuige [getuige 1], zoals ook door [eiser] c.s. aangehaald in hoger beroep, verklaard dat de Termination Agreement tot strekking had dat de oorspronkelijke koopovereenkomst van de baan was. In de toelichting op de vijfde grief betwisten [eiser] c.s. deze uitleg ook niet. Dat partijen de bedoeling hadden verder te onderhandelen teneinde alsnog op andere wijze tot overeenstemming te komen tast de door de eerste rechter aan de Termination Agreement toegekende betekenis niet aan.

4.8 Ook de zesde grief kan niet slagen. Wat er ook zij van het in die grief aangevallen oordeel van de eerste rechter, nu [eiser] c.s. zich - blijkens de formulering van het petitum - op het standpunt stellen dat tussen partijen geen overeenkomst is totstandgekomen, kunnen zij zich niet met vrucht keren tegen de overweging in het aangevallen vonnis waarin is uitgemaakt dat geen overeenstemming is bereikt over de wijze van overdracht en de hoogte van de prijs. Zou een dergelijke overeenstemming immers wel bereikt zijn dan was voor een vordering uit onrechtmatige daad, te weten het afbreken van onderhandelingen, geen plaats."

4) Tegen het vonnis van het Hof zijn [eiser] c.s. bij verzoekschrift van 21 juni 1999, tijdig(1), in cassatie gekomen. Zij hebben daartoe een middel van cassatie geformuleerd dat uit twee onderdelen is opgebouwd. [Eiser] c.s. hebben hun middel schriftelijk toegelicht en om arrest gevraagd. [Verweerder] c.s. hebben geen verweer gevoerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

5) Onderdeel 1 is gericht tegen de r.o. 4.6 en 4.8 van het vonnis van het Hof, waarin het Hof de grieven II, IV en VI tegen het vonnis van het GEA heeft verworpen. In de betreffende grieven hebben [eiser] c.s. erover geklaagd dat het GEA had overwogen dat partijen feitelijk nog geen overeenstemming hadden bereikt over de overnameprijs en de wijze van overname van de praktijk van [eiser] c.s. door [verweerder] c.s. Het Hof heeft als motivering voor de verwerping van deze grieven gegeven dat de vordering van [eiser] c.s., ook in hoger beroep, berustte op de stelling dat [verweerder] c.s. de onderhandelingen onrechtmatig hebben afgebroken. Volgens het Hof blijkt hieruit dat er tussen partijen geen overeenkomst is totstandgekomen, waaruit het heeft afgeleid dat er geen overeenstemming is bereikt over de overnameprijs en over de wijze van overname.

Het onderdeel voert m.i. terecht aan dat deze beslissing ontoereikend is gemotiveerd. Overeenstemming over de essentialia van een te sluiten overeenkomst, in casu de overnameprijs en de wijze van overname (gewone koop of huurkoop), is niet zonder meer voldoende voor het tot stand komen van de overeenkomst. Het is immers mogelijk dat de partijen beogen het definitieve tot stand komen van de overeenkomst te laten afhangen van de regeling van andere onderwerpen dan die welke als essentialia kunnen worden aangeduid. Zie HR 14 juni 1968, NJ 1968, 331 en 17 dec. 1999, NJ 2000, 184 (in verband met conclusie onder 6); vgl. ook HR 10 april 1981, NJ 1981, 532 m.nt. CJHB. Ook is mogelijk dat partijen ervan uitgaan dat de overeenkomst pas definitief is gesloten als zij schriftelijk is vastgelegd;(2) in de onderhavige zaak is dat, gelet op het verloop van de onderhandelingen en het feit dat deze zich in feite in de sfeer van het Angelsaksische recht afspeelden, voor de hand liggend. Tenslotte is van belang dat voor de totstandkoming van een huurkoopovereenkomst het wettelijke vereiste van de akte geldt (art. 1557i BWNA).

Gelet hierop - en gelet op de ruime betekenis waarin Uw Raad het begrip "onderhandelingsfase" opvat (zie de rechtspraak vermeld bij Asser-Hartkamp 4-II (1997), nr. 144 i.f.)(3) - is 's hofs redengeving m.i. niet afdoende om uit te sluiten dat in casu sprake is van afbreken van onderhandelingen als door [eiser] c.s. gesteld.

6) Onderdeel 2 is gericht tegen r.o. 4.7 van het vonnis van het Hof, waarin het Hof volgens het onderdeel ten onrechte grief V van [eiser] c.s. heeft verworpen. In grief V hebben [eiser] c.s. betoogd dat de bedoeling van de Termination Agreement slechts was om een einde te maken aan de oorspronkelijke opzet om een koopovereenkomst tot stand te brengen, omdat reeds was onderhandeld en overeenstemming was bereikt over het feit dat de overname zou plaatsvinden krachtens een huurkoopovereenkomst en over de te betalen prijs. Het onderdeel klaagt erover dat het Hof de essentiƫle strekking van grief V - dat de koopopzet was verlaten, maar dat daarvoor reeds de nieuw overeengekomen huuropzet in de plaats was gekomen met behoud van de oorspronkelijke overeenstemming over de prijs, termijnen en rente - heeft miskend, omdat het de verwerping van deze grief heeft gemotiveerd met een letterlijke uitleg van de Termination Agreement en met een getuigenverklaring inzake de beƫindiging van de oorspronkelijke koopovereenkomst.

Blijkens de hierboven geciteerde r.o. 6 en 7 van het vonnis van het GEA, vormde de redactie van de Termination Agreement voor het Gerecht een steunargument voor de conclusie, die in r.o. 6 na een inhoudelijke beoordeling was bereikt, dat [eiser] c.s. er niet op mochten vertrouwen dat er overeenstemming was bereikt omtrent de prijs van US$ 640.000. In het vonnis van het hof ontbreekt zo'n inhoudelijke beoordeling; de wel gegeven motivering is m.i. op de voormelde grond niet toereikend. Tegen deze achtergrond kan de redactie van de Termination Agreement m.i. niet beslissend zijn voor de beoordeling van de partijen verdeeld houdende vraag. Immers, het feit dat partijen die Agreement hebben gesloten en de daarvoor door getuige [getuige 1] vermelde reden zijn niet onverenigbaar met de door [eiser] c.s. gepresenteerde lezing van de feiten, die inhoudt dat [erflater] erop mocht vertrouwen dat de Agreement zou worden vervangen door een nieuwe overeenkomst, nu tussen partijen overeenstemming bestond over de (met behoud van de oorspronkelijke overeenstemming over de prijs, termijnen en rente) nieuw gekozen huurkoop-opzet. Onderdeel 2 bevat een hierop gerichte klacht, die naar mijn mening derhalve eveneens slaagt.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 De cassatietermijn is ex. art. 4 van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen 3 maanden. Omdat 19 juni 1999 een zaterdag was en het verzoekschrift is ingediend op de eerstvolgende werkdag na deze zaterdag, is het tijdig ingediend.

2 Vgl. Art. 2.13 UNIDROIT Principles: Where in the course of negotiations one of the parties insists that the contract is not concluded until there is agreement on specific matters or in a specific form, no contract is concluded before agreement is reached on those matters or in that form.

3 Het daar genoemde arrest van 24 maart 1995, RvdW 1995, 75 is gepubliceerd in NJ 1997, 569 m.nt. CJHB.