Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AA9696

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-01-2001
Datum publicatie
26-09-2001
Zaaknummer
C99/114HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AA9696
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel 283
Wetboek van Koophandel 294
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 68
JWB 2001/37
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C99/114 HR

Mr. Bakels

Zitting 3 november 2000

Conclusie inzake

Onderlinge verzekering Maatschappij ZLM U.A.

t e g e n

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar college,

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze verzekeringszaak kort gezegd om de vragen (a) of het hof een beroep van de verzekeraar op een beding, dat "schade, veroorzaakt met opzet of goedvinden van een verzekerde" niet voor vergoeding in aanmerking komt, op goede en begrijpelijke gronden heeft weerlegd; (b) of het dusdoende de devolutieve werking van het appèl in het oog heeft gehouden en (c) of het een door de verzekerde gevorderde schadepost met een begrijpelijke motivering toewijsbaar heeft geacht.

1.2 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(a) [Verweerder] heeft zijn landbouwtractor verzekerd bij ZLM tegen onder meer het risico van brand. Van de verzekeringsovereenkomst maakte deel uit een Reglement Landbouwwerk-tuigenverzekering. Art. 5 daarvan (hierna ook: de uitsluitingclausule) bepaalt onder meer:

"Van de verzekering is uitgesloten schade:

a. veroorzaakt met opzet of goedvinden van een verzekerde;

(...)."

Voorts bepaalt art. 6 van het Reglement (verplichtingen van de verzekerde) onder meer - samengevat weergegeven - dat een verzekerde binnen drie maal 24 uur een schadeveroorzakende gebeurtenis moet melden aan de verzekeraar, haar alle gegevens moet verstrekken en zijn volle medewerking aan de afwikkeling van de schade dient te verlenen.

(b) Op 7 augustus 1995 hebben [verweerder] en zijn zoon om 14.00 uur op hun erf een stapel hout en stro in brand gestoken. Op een afstand van 17-20 meter stond op dat erf een schuur met een dak dat gedeeltelijk uit riet en gedeeltelijk uit asbestplaten bestond. Het was die zomer tot dan toe zeer zonnig geweest en had nauwelijks geregend.

(c) Tussen 14.30 en 14.45 uur bleek de schuur in lichterlaaie te staan. Daarin stond een tractor, die door de brand is verwoest. De schade-expert van ZLM heeft de daardoor veroorzaakte schade geraamd op f 106.000,-.

(d) [Verweerder] heeft aanvankelijk in overleg met zijn zoon een onjuiste verklaring afgelegd over hetgeen zich die middag op zijn erf had voorgedaan.

(e) [Verweerder] heeft ZLM aangesproken tot vergoeding van deze schade. Laatstgenoemde heeft dit geweigerd.(1)

1.3 Tegen deze achtergrond heeft [verweerder] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Middelburg. Hij vorderde, kort gezegd, dat de rechtbank ZLM zou veroordelen aan hem een bedrag van f 130.462,- te voldoen met rente en kosten.

1.4 ZLM voerde verweer en concludeerde tot afwijzing van de vordering. Zij voerde daartoe met name aan:

(a) De schade is veroorzaakt door opzet, althans met goedvinden van [verweerder].

(b) [Verweerder] heeft onvoldoende medewerking verleend bij het verstrekken van ter zake dienende gegevens aan ZLM, althans een onjuiste opgave van de schadeoorzaak gedaan, althans bijzonderheden met betrekking tot de schade verzwegen.

(c) [Verweerder] heeft niet voldaan aan zijn bereddingsplicht, bedoeld in art. 283 K.

(d) [Verweerder] heeft merkelijke schuld aan zijn schade in de zin van art. 294 K.

1.5 Na voortgezet debat heeft de rechtbank bij vonnis van 26 februari 1997 de vordering afgewezen. Zij overwoog daartoe, kort gezegd, als volgt.

- De verweren (b) en (c) van ZLM kunnen geen doel treffen. Zelfs al zouden de daarin bedoelde verwijten feitelijk juist zijn, dan nog leidt dit niet tot verval van het recht op een uitkering.

- De uitsluitingsclausule staat niet eraan in de weg dat ZLM zich beroept op merkelijke schuld van [verweerder] aan zijn schade.

- In de bijzondere omstandigheden van het gegeven geval moet worden aangenomen dat [verweerder] niet alleen het verwijt van merkelijke schuld in de zojuist bedoelde zin treft, maar dat hij de brand zelfs opzettelijk heeft veroorzaakt.

1.6 [Verweerder] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het hof Den Haag. Hij voerde daartoe drie grieven aan. Met grief I betoogde hij dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat het ZLM vrijstond zich op merkelijke schuld van hem, [verweerder] te beroepen; met grief II voerde hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de schade door zijn merkelijke schuld - ja zelfs opzettelijk - is veroorzaakt; grief III strekte ertoe het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.

1.7 Na voortgezet debat tussen partijen en pleidooi, heeft het hof op 15 december 1998 een tussenarrest gewezen, waarin het de zaak naar de rol verwees. In zijn arrest heeft het hof, kort gezegd, het volgende overwogen.

(a) Aangenomen moet worden dat het afbranden van de schuur met daarin de tractor is veroorzaakt doordat vonken van het door [verweerder] aangestoken vuur zijn overgeslagen naar het dak van de schuur. In de gegeven omstandigheden was de handelwijze van [verweerder] dermate onvoorzichtig, dat hij merkelijke schuld heeft aan het ontstaan van de daardoor veroorzaakte schade (rov. 3-10).

(b) ZLM kan echter slechts dan met succes een beroep doen op de uitsluitingsclausule als [verweerder] een op het veroorzaken van de schade gerichte wil/oogmerk heeft gehad of als hij ermee instemde en zich dus ook ervan bewust was dat de schade uit zijn handelwijze zou (kunnen) voortvloeien (rov. 12).

(c) Gesteld noch gebleken is dat [verweerder] het zojuist bedoelde oogmerk heeft gehad:

"[Verweerder] heeft niet de schuur, maar een circa 20 meter verder gelegen stapel hout en stro in brand gestoken. Door dat in de gegeven omstandigheden te doen, heeft hij zeer onzorgvuldig gehandeld en daaraan treft hem ook een verwijt, maar dat impliceert niet dat hij een oogmerk of bewustheid als bedoeld heeft gehad. Ook het - vaststaande - feit dat [verweerder] na de brand onjuiste mededelingen over zijn handelwijze heeft gedaan en/of het eventueel - door [verweerder] betwiste - niet rooskleurig geweest zijn van zijn financiële situatie leveren, ook wanneer men alle overige, hiervoor vermelde en overigens nog gestelde feiten en omstandigheden daarbij betrekt en een en ander in onderling verband en samenhang beziet, naar het oordeel van het hof onvoldoende aanwijzing en in elk geval geen bewijs op voor het ten tijde van zijn handelwijze bestaan hebben van een oogmerk of bewustzijn als hiervoor bedoeld." (rov. 13)

(d) Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, staat art. 5 van het Reglement wel degelijk in de weg aan een beroep door ZLM op merkelijke schuld van [verweerder] aan zijn schade (rov. 14 -17).

(e) De grieven I en II - de laatste voorzover deze is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van opzet - zijn dus gegrond.

(f) Geen grief is gericht tegen de verwerping door de rechtbank van het beroep van ZLM op schending van de in art. 6 van het Reglement bedoelde informatie- en medewer-kingsverplichting en van haar beroep op schending door [verweerder] van zijn bereddingsplicht (rov. 19).

(g) [Verweerder] heeft in elk geval recht op vergoeding van een bedrag van f 106.000,- ter zake van de schade aan zijn tractor:

"ZLM heeft immers erkend dat de door haar voor de schadevaststelling ingeschakelde schade-expert die schade op dat bedrag heeft vastgesteld, zodat het hof niet vermag in te zien, waarom [verweerder] die schade nog zou dienen te specificeren en met bewijsstukken te staven, zoals ZLM bij dupliek nog opmerkt." (rov. 20)

1.8 Tegen dit arrest heeft ZLM tijdig cassatieberoep ingesteld.(2) Zij droeg daartoe één middel voor, dat uit drie onderdelen bestaat. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun onderscheiden standpunten vervolgens schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van het middel

2.1 Onderdeel 1 is gericht tegen de onder 1.7(c) geciteerde rov. 13 van het hof. ZLM aanvaardt de onder 1.7(b) samengevat weergegeven uitleg die het hof toekent aan de uitsluiting van "schade, veroorzaakt met opzet of goedvinden van een verzekerde". Zij accepteert ook het oordeel dat de onderhavige uitsluitingsclausule impliceert dat zij als verzekeraar geen beroep kan doen op art. 294 K (merkelijke schuld van de verzekerde aan zijn schade) en eens temeer niet op art. 276 K (eigen schuld van de verzekerde).(3) Zij betoogt echter dat het hof zich ten onrechte ertoe heeft beperkt het verwijt te bespreken dat ZLM aan [verweerder] heeft gemaakt terzake van het ontstaan van de brand in de schuur. Aldus heeft het hof verzuimd mede het verwijt te beoordelen dat [verweerder] niet adequaat heeft gereageerd op de brand, toen deze eenmaal was ontstaan. ZLM wijst daartoe op een viertal passages in de stukken, waarin zij dit verwijt heeft geformuleerd. Zou het hof hebben bedoeld dat de uitsluitingclausule alleen op het ontstaan van de brand zelf ziet, dan is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Zou het dienaangaande een bredere - en juiste - opvatting hebben gehad, dan heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus nog steeds het onderdeel.

2.2 Het verwijt dat de verzekerde zelf schuld heeft aan zijn schade (in een mate zoals nader bepaald door de wet, meer in het bijzonder de artikelen 276 en 294 K, en de concrete verzekeringsovereenkomst) leidt - indien gegrond - tot verval van de aanspraak op vergoeding van die schade door de verzekeraar. Het verwijt dat de verzekerde is tekortgeschoten in de nakoming van zijn bereddingsplicht, bedoeld in art. 283 K, leidt daarentegen - als het terecht is gemaakt - tot de slotsom dat de verzekerde in zoverre toerekenbaar is tekortgeschoten tegenover de verzekeraar. Het verplicht de verzekerde de daardoor veroorzaakte schade in zoverre voor eigen rekening te nemen.

2.3 Deze beide rechtsfiguren, hoezeer op zichzelf ook verschillend, kunnen in toepasselijkheid samenlopen.(4) Nalatigheid van de verzekerde in de beperking van de schadelijke gevolgen van een brand kan onder omstandigheden worden gekwalificeerd als een tekortschieten in diens bereddingsplicht. Dit verwijt kan ook meebrengen dat de verzekerde zozeer is tekortgeschoten in de van hem te verwachten zorg ter voorkoming van schade, dat zijn recht op vergoeding daarvan door de verzekeraar, vervalt.

2.4 In de onderhavige procedure heeft ZLM deze beide paarden bereden.(5) In zijn arrest heeft het hof, blijkens het onder 1.7(c) aangehaalde citaat, het verwijt van eigen schuld - zoals nader gemodelleerd door de onderhavige uitsluitingsclausule - echter slechts besproken ten aanzien van het gedrag van [verweerder] dat tot de brand heeft geleid. Dusdoende heeft het hof inderdaad, zoals het onderdeel stelt, hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn arrest onvoldoende gemotiveerd, dit laatste tenzij die motivering is gelegen in de volgende, nu nogmaals te citeren passage(6):

"(...) ook wanneer men alle overige, hiervoor vermelde en overigens nog gestelde feiten en omstandigheden daarbij betrekt en een en ander in onderling verband en samenhang beziet (...)" (rov. 13).

2.5 Ik zou dit echter niet willen aannemen omdat de geciteerde passage door zijn algemeenheid nietszeggend is en daarom geen inzicht geeft in de gedachtegang, die daartoe is gevolgd (al aangenomen dat het hof daarmee het hier bedoelde verwijt heeft willen weerleggen, hetgeen ik hoogst onwaarschijnlijk acht). Aldus voldoet het arrest in zoverre niet aan de eis van een behoorlijke rechtspleging, dat aan de partij die in het ongelijk wordt gesteld de daartoe gevolgde gedachtegang wordt uiteengezet en dat de hogere rechter die gedachtegang kan toetsen.(7)

2.6 Ik houd het onderdeel dus voor gegrond en meen dat het bestreden arrest reeds daarom geen stand kan houden.

2.7 Onderdeel 2 is gericht tegen het onder 1.7(f) gegeven oordeel van het hof, dat geen grief is gericht tegen de verwerping door de rechtbank van het beroep van ZLM op schending van de in art. 6 van het Reglement bedoelde informatie- en medewerkingsverplichting en van haar beroep op schending door [verweerder] van zijn bereddingsplicht (rov. 19).

Volgens het onderdeel heeft het hof met deze overweging de devolutieve werking van het appèl miskend.

2.8 Incidenteel appèl moet worden ingesteld als geïntimeerde wijziging te zijnen gunste wenst van het dictum van de eerste rechter.(8) Maar ingevolge de devolutieve werking van het appèl is incidenteel beroep niet noodzakelijk in een geval als het onderhavige:

"De regel dat een in eerste aanleg verworpen of buiten behandeling gebleven verweer dat in hoger beroep is gehandhaafd, door de appelrechter opnieuw, onderscheidenlijk alsnog moet worden onderzocht, voorzover het hoger beroep de toewijsbaarheid van de vordering opnieuw aan de orde stelt, strekt ter bescherming van de geïntimeerde, die daardoor wordt behoed voor de nadelige gevolgen van het niet instellen van incidenteel beroep zijnerzijds." (9)

De appèlrechter, die één of meer van de grieven gegrond acht en van oordeel is dat dit op zichzelf tot vernietiging van de bestreden uitspraak moet leiden, dient dus binnen het door die grieven ontsloten gebied, zowel de stellingen en weren van geïntimeerde te behandelen waaraan de eerste rechter niet is toegekomen als die welke hij heeft verworpen, mits het appèl zich uitstrekt tot de kwestie waarop het verweer betrekking heeft(10) en tenzij het desbetreffende verweer in hoger beroep is prijsgegeven.(11) Geïntimeerde had immers in zoverre geen belang om tegen die beslissingen op te komen, nu hij in eerste instantie in het gelijk is gesteld. De devolutieve werking van het appèl, die in beginsel meebrengt dat het gehele geschil zoals zich in eerste aanleg heeft ontwikkeld, door het instellen van het beroep aan het oordeel van de appèlrechter is onderworpen, maakt het instellen van incidenteel appèl om deze reden overbodig.

2.9 De bestreden overweging van het hof is, tegen deze achtergrond, klaarblijkelijk op de onjuiste rechtsopvatting gebaseerd dat, nu de grieven I en II van [verweerder] doel troffen, de desbetreffende verweren van ZLM slechts aan de orde konden komen als laatstgenoemde tegen de andersluidende beslissingen van de rechtbank (voorwaardelijk) incidenteel appèl had ingesteld.

Ook deze vergissing leidt tot vernietiging van het bestreden arrest.

2.10 Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 20 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] in elk geval recht heeft op vergoeding van een bedrag van f 106.000,- ter zake van de schade aan zijn tractor omdat ZLM heeft erkend dat de door haar voor de schadevaststelling ingeschakelde schade-expert die schade op dat bedrag heeft vastgesteld. Het hof kon daarom niet inzien waarom [verweerder] die schade nog zou dienen te specificeren en met bewijsstukken te staven.

2.11 Het onderdeel bestrijdt deze overweging en voert daartoe aan dat het enkele feit dat de verzekeraar ter vaststelling van de schade een expert heeft ingeschakeld, niet (zonder meer) meebrengt dat hij aan het door die expert vastgestelde bedrag is gebonden dan wel het recht heeft verspeeld een van de vaststelling afwijkend standpunt in te nemen.

2.12 Het onderdeel faalt omdat het feitelijke grondslag mist. In het licht van het feit dat [verweerder] het door hem gevorderde bedrag heeft onderbouwd met een beroep op de taxatie van de door ZLM zelf ingeschakelde expert, heeft het hof geoordeeld dat ZLM haar betwisting van dit bedrag onvoldoende heeft gemotiveerd. ZLM heeft immers volstaan met het standpunt(12) dat het aan [verweerder] is om zijn claim nader te specificeren en met bewijsstukken te staven, doch dat hij dit bewijs bij conclusie van repliek niet heeft geleverd. Dat is een andere beslissing dan door het onderdeel wordt bestreden.

3. Conclusie

Deze strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, met verwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam, en tot veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 [Verweerder] heeft ook nog bij een tweetal andere verzekeringsmaatschappijen een brandverzekering afgesloten. Ook deze verzekeraars hebben uitkering geweigerd. [Verweerder] heeft ook die maatschappijen vervolgens in rechte aangesproken tot vergoeding van zijn schade. De rechtbank Den Haag heeft de vordering tegen beide verzekeraars afgewezen en het hof Den Haag heeft deze vonnissen bij arrest van 15 december 1998 bekrachtigd. De A-G Hartkamp heeft op 6 oktober 2000 geconcludeerd tot verwerping van het daartegen door [verweerder] ingestelde cassatieberoep (nrs. C 99/096 en C 99/097). De zojuist genoemde vonnissen, arresten en conclusie behoren in de onderhavige zaak niet tot de processtukken. De conclusie van de A-G is mij ambtshalve bekend; daaraan ontleen ik de zojuist vermelde gegevens. Het verdient m.i. overigens aanbeveling de onderhavige zaak tegelijk te behandelen met het cassatieberoep in de zojuist genoemde zaken, zoals ook het hof heeft gedaan.

2 De cassatiedagvaarding dateert van 12 maart 1999.

3 Evenzo Asser/Clausing/Wansink, 1998, nr. 264.

4 HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 814, waarover Asser/Clausing/Wansink, 1998, nrs. 308 en 316 alsook Scheltema/Mijnssen, 1998, nr. 6.18.

5 In haar conclusie van antwoord nr. 5 maakt zij [verweerder] het verwijt dat hij onvoldoende maatregelen heeft genomen om de schade te voorkomen en dat dit (een terzake dienende mate van) eigen schuld aan zijn schade oplevert. In de conclusie van antwoord nr. 7, de conclusie van dupliek nr. 14 en de memorie van antwoord nr. 14 richt zij ditzelfde verwijt tot [verweerder], stellende dat hij dusdoende in zijn bereddingsplicht is tekortgeschoten.

6 Zoals betoogd in de schriftelijke toelichting namens [verweerder], blz. 7.

7 Aldus o.m. - uit vele - HR 10 december 1999, NJ 2000, 4.

8 HR 2 april 1993, NJ 1993, 612 (PAS).

9 HR 10 juni 1988, NJ 1989, 30 (JBMV). In dit arrest oordeelde de Hoge Raad voorts dat, als geïntimeerde eraan twijfelt óf het geschilpunt dat hij opnieuw beoordeeld wenst te zien, door het principaal appel wordt ontsloten, hij voorwaardelijk incidenteel appel mag instellen, zonder dat daaraan een kostenrisico is verbonden. Hierop bouwde voort HR 23 december 1994, NJ 1996, 627 en 628 (WMK).

10 HR 4 mei 1984, NJ 1985, 22.

11 HR 5 juni 1992, NJ 1993, 204 (HJS); in het geciteerde arrest van 1989 gold in zoverre nog de (positieve) eis dat die verweren niet mochten zijn prijsgegeven. Zie hierover onder meer Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 1992, nr. 79.

12 Conclusie van dupliek nr. 22.