Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AA9494

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-01-2001
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00044/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AA9494
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 58
NJ 2001, 254
VR 2001, 76
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr. Jörg

Nr. 44/00

Zitting 14 november 2000

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft verzoeker op 7 juli 1999 wegens - kort gezegd - rijden onder invloed en rijden tijdens een rijontzegging, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar alsmede tot een geldboete van zeventienhonderdvijftig gulden. Tevens heeft het hof verzoeker de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van negen maanden.

2. Namens verzoeker heeft mr. M.J van der Veen, advocaat te Haarlem, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over schending van het recht om binnen redelijke termijn te worden berecht zoals dat is uitgedrukt in art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, derde lid aanhef en onder c, IVBPR.

4. Hoewel het middel betrekking heeft op zowel de procedure als geheel als op onderdelen, richt de toelichting zich vervolgens op het betreffende oordeel van het hof. Daarom begin ik met deze klacht.

5. Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman van verzoeker het verweer gevoerd zoals is weergegeven in de toelichting op het middel. Het hof heeft dit verweer verworpen en daarbij overwogen zoals is weergegeven in de toelichting op het middel.

6. Voor de beoordeling van het middel is het goed te wijzen op het recente richtinggevende arrest van Uw Raad inzake de redelijke termijn. Daarin is bepaald dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen (HR 3 oktober 2000, nr. 775/99, rov. 3.14). Hoewel het hof niet heeft vastgesteld wanneer die termijn is aangevangen, is tussen de aanhouding van verzoeker op 2 juni 1996 en het eindvonnis van de politierechter op 16 september 1998 meer dan twee jaar verstreken. Daar staat tegenover dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting van de politierechter op 17 november 1997 is geschorst op verzoek van de verdediging omdat verzoeker in het buitenland verbleef. Dit betekent dat verzoeker zelf aan de vertraging in de afdoening van de zaak heeft bijgedragen (HR 3 oktober 2000, nr. 775/99 rov. 3.13 onder b). Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het hof, dat overigens in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

7. Voor zover het middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg faalt het om de redenen die het hof heeft uiteen gezet en hetgeen over deze overweging hierboven is opgemerkt.

8. Voor zover het middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep geeft het niet aan waaruit die overschrijding zou bestaan. Het hof heeft geconstateerd dat de zaak in eerste aanleg werd behandeld op 16 september 1998 en in hoger beroep op 23 juni 1999. Een termijn van negen maanden is niet onredelijk.

Hetzelfde geldt naar mijn mening voor de cassatie. Ook hier wordt niet aangegeven waaruit die overschrijding zou bestaan. Daarom meen ik te kunnen volstaan met de constatering dat na het instellen van cassatieberoep op 13 juli 1999 de stukken op 12 januari 2000 zijn ingekomen ter griffie van Uw Raad. Dat is binnen de acht maanden die Uw Raad hiervoor stelt.

9. Een totale termijn van vier jaar en vier maanden na de aanhouding van verzoeker tot de eerste behandeling van de zaak door de Hoge Raad voor drie instanties inclusief een aanhoudingsverzoek van verzoeker is niet in strijd met het bepaalde in de aangehaalde verdragsartikelen (rov. 3.13, 3.14, 3.17, 3.3 uit bovenvermeld standaardarrest), terwijl een bijzonder geval als waarop in rov. 3.20 wordt gedoeld niet aanwezig is.

10. Nu noch de totale termijn met de vervolging gemoeid, noch de termijnen van de verschillende procesfasen in strijd komen met het redelijke termijn-vereiste faalt het middel in alle onderdelen. Het kan worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende overweging.

11. Het tweede middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat verzoeker niet strafbaar is wegens het rijden tijdens een ontzegging aangezien hij niet heeft gereden op een openbare weg.

12. Ter terechtzitting heeft de raadsman van verzoeker het verweer gevoerd zoals - weliswaar met ondergeschikte verschrijvingen - is weergegeven in de toelichting op het middel. Het hof heeft dit verweer verworpen en daarbij overwogen zoals correct is weergegeven in de toelichting op het middel.

13. Voor de beoordeling van het middel is van belang dat de raadsman ter terechtzitting ook het volgende heeft aangevoerd:

“De auto bevond zich overigens niet op de openbare weg maar op een privé-terrein hetgeen blijkt uit het proces-verbaal en ook uit de foto’s van de toegang die ik U toon.”

14. Bij de stukken bevinden zich een viertal foto’s van de toegang van een camping, welke zijn gehecht aan de akte van uitreiking van de appèldagvaarding. Op één van de scherpe foto’s is te zien dat beide slagbomen zijn neergelaten en naast de slagbomen een wit bord is aangebracht met rode rand met onder meer de woorden “Welkom () Bezoekers melden bij de receptie”. Daaronder is aansluitend een blauw bord aangebracht met daarop in witte letters de woorden “Eigen Terrein”. Weer daaronder is eveneens aansluitend een blauw bord geplaatst met daarop in witte letters de woorden “VERBODEN TOEGANG, art. 461 Wetb. v. Strafrecht”.

15. In het proces-verbaal van beide verbalisanten die verzoeker destijds hebben aangehouden - kennelijk het proces-verbaal waarnaar de raadsman ter terechtzitting verwijst - verklaren beide verbalisanten het volgende over de weg:

“Daarbij (nl. bij de controle op de naleving van de WVW 1994, NJ) bleek dat een persoon als bestuurder van een voertuig, PERSONENAUTO, kenteken [..], reed op een niet voor het verkeer openbare weg, de ACHTERZEEDIJK te BARENDRECHT.

De plaats waar deze bestuurder reed was gelegen op het door een slagboom afgesloten weggedeelte van de camping De Oude Maas aan de Achterzeedijk te Barendrecht.

Men kan toegang tot dit terrein verkrijgen door met gebruikmaking van een toegangssleutel de slagboom bij de ingang te openen of nadat vanuit de receptie door de receptionist elektrisch de slagboom wordt geopend, na aanmelden” (cursief van NJ).

16. In de toelichting op het middel wordt er terecht op gewezen dat onder de “weg” in art. 9, eerste lid, WVW 1994 moet worden verstaan een “voor het openbaar verkeer openstaande weg” als bedoeld in art. 1, eerste lid onder b, WVW 1994 (HR 31 oktober 1989, VR 1990, 42 dat betrekking heeft op het tot art. 9 WVW 1994 vernummerde art. 32 WVW).

17. Het hof heeft de weg op de camping aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Uit hetgeen het hof heeft vastgesteld blijkt dat de toegang tot de weg door middel van borden was ontzegd. De enkele ontzegging van de toegang door middel van (verbods)borden betekent niet zonder meer dat die weg niet langer kan worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg (HR 8 april 1997, VR 1998, 2 rov. 3.4.; HR 18 februari 1969, NJ 1970, 31 m.nt. C.B.). De toegang tot de weg is evenwel niet slechts door middel van borden beperkt.

18. In de onderhavige zaak wordt de toegang tot de weg feitelijk belemmerd door twee slagbomen. De slagboom om het terrein te verlaten wordt automatisch geopend na het via een automaat betalen van vijf gulden. Daarentegen gaat de slagboom die toegang tot het terrein verleent niet automatisch open, maar is het openen afhankelijk van ‘menselijke’ toestemming. Blijkens een bij de slagbomen geplaatst bord wordt alleen toegang verleend aan bezoekers (van de camping).

19. Aan de verklaring van verzoeker, zoals het hof die weergeeft bij de verwerping van het onderhavige verweer, kan niet de betekenis worden toegekend dat daadwerkelijk een ieder die dat wil op het betreffende terrein kan komen. Blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep heeft verzoeker aldaar weliswaar gezegd:

“Iedereen mag op de camping komen. () Het terrein heeft een slagboom, maar iedereen kan erop,”

maar ook:

“Je moet eerst op een belletje drukken en zeggen waar je voor komt. Ze willen weten wie erop of eraf gaat.”

20. Het oordeel van het hof, dat het parkeerterrein een voor het openbaar verkeer openstaande weg betreft terwijl het eveneens vaststelt dat iemand zich via een bel eerst moet melden voordat hij het terrein opgaat, is niet zonder meer begrijpelijk. In het bijzonder niet nu het een voor het openbaar verkeer openstaande weg zou betreffen terwijl het terrein alleen na het verkrijgen van persoonlijke - niet geautomatiseerde - toestemming toegankelijk is. Ik verwijs daarvoor naar de boven reeds aangehaalde jurisprudentie.

21. Het middel is gegrond.

22. Ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden moeten leiden, heb ik niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt ertoe de aangevallen beslissing te vernietigen en de zaak te verwijzen naar het gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG