Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AA9480

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-2001
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
02126/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AA9480
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 322
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 55
NJ 2001, 125
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Wortel

Nr. 02126/00

Zitting 31 oktober 2000

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaren, met onttrekking aan het verkeer en bewaring ten behoeve van de rechthebbende zoals in het arrest omschreven, wegens 1. poging tot doodslag; 2. afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; 4. de voorgezette handeling van afpersing terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd; 5. medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt in dat het Hof een verweer betreffende de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verzoeker heeft verworpen op ontoereikende gronden.

4. Bedoeld verweer is in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen.

“De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit op diverse gronden. Voorzover deze gronden een doublure vormen van hetgeen reeds in het tussenarrest van dit hof van 15 juni 1999 is behandeld en beslist, wordt kortheidshalve naar dat arrest, dat het hof thans nog steeds onverkort onderschrijft, verwezen.

De raadsman heeft nog aangevoerd dat, “waren er geursporen van de handboeien veiliggesteld, dan konden wij vandaag met grote zekerheid zeggen of cliënt de handboeien al dan niet in zijn handen heeft gehad, hetgeen uitsluitsel zou kunnen geven bij de vraag of hij al dan niet betrokken is bij deze zaak”; dat zulks in casu niet is gebeurd en er derhalve “enorm slordig” met het bewijsmateriaal is omgesprongen; dat het thans niet meer mogelijk is voor verdachte om het door hem door het EVRM/EHRM gegeven recht om bewijsmateriaal aan te vechten uit te voeren en dat daarom de beginselen van behoorlijke procesorde zijn geschonden en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging is.

Ook klaagt de raadsman erover dat er geen dactyloscopische en/of geursporen op een 9mm-patroonhuls zijn veiliggesteld. Nog daargelaten de vraag wat de negatieve uitslag van het onderzoek van dergelijke sporen in de visie van de raadsman nu precies ten voordele van verdachte had kunnen opleveren, wordt aan dit verweer reeds voorbij gegaan omdat van enige onzorgvuldigheid zijdens de opsporingsambtenaren niet is gebleken. Voorts wordt hier verwezen naar voornoemd tussenarrest. Van enige schending van verdedigingsrechten is dan ook geen sprake.

Ook het enkele feit dat in casu geen “Oslo”- maar een “foslo”confrontatie alsook dat er geen “maskerconfrontatie” heeft plaatsgehad vermag niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te leiden.”

In het tussenarrest van 15 juni 1999 waarnaar het Hof heeft verwezen is onder

meer overwogen en beslist:

“De raadsman heeft (…) verzocht om in de zaak ‘Maskot’ de politie op te dragen alsnog de handboeien en de kogelhuls die in deze zaak in beslag werden genomen en (blijkens het proces-verbaal) “op sporen werden veilig gesteld” te onderzoeken op de vingerafdrukken dan wel en in ieder geval op geursporen van verdachte. De raadsman heeft daarbij uiteengezet waarom hij het “ietwat te nietszeggend” vindt dat in het proces-verbaal wordt gesteld dat er geen bruikbare sporen op de handboeien werden aangetroffen (feit 4 op de dagvaarding). (…) Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit het op 11 maart 1998 door de Afdeling Technische Recherche van de Regionale Operationele Ondersteunende Diensten van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond opgemaakte proces-verbaal blijkt eenduidig dat de handboeien zijn onderzocht op bruikbare dactyloscopische sporen en dat deze niet aanwezig waren. Het hof is daarom van oordeel dat er geen twijfel over kan bestaan dat bruikbare dactyloscopische sporen niet op de handboeien aanwezig waren en dat de veronderstelling van de raadsman, dat er wellicht toch bruikbare sporen waren, zij het dat die niet (met voldoende zekerheid) tot de verdachte of een ander konden worden herleid, elke grondslag mist. Een hernieuwd onderzoek acht het hof, gesteld al dat het onderzoeksmateriaal nog beschikbaar is, derhalve zinloos. Blijkens eerdergenoemd proces-verbaal is de ter plekke aangetroffen, afgevuurde patroonhuls voor onderzoek overgedragen aan de sectie ballistiek van de Centrale Technische Recherche. Blijkens het proces-verbaal d.d. 13 januari 1998 van de sectie Ballistiek van de Afdeling Technische Recherche van de Regionale Operationele Ondersteunende Diensten van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, is deze huls op krassporen onderzocht en voor verder onderzoek overgedragen aan het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk. Dit heeft op 25 februari 1998 deskundigenrapport uitgebracht, en wel over de vraag of het wapen, waaruit de huls is afgeschoten, bij andere schietincidenten in Nederland is gebruikt. De huls (en kogel) zijn na onderzoek opgenomen in de landelijke verzameling. (…) Het hof wijst het verzoek om handboeien en patroonhuls op geursporen te laten onderzoeken af. Nu uit het bovenvermeld proces-verbaal d.d. 11 maart 1998 van de Afdeling Technische Recherche eenduidig blijkt dat deze voorwerpen uitsluitend veilig zijn gesteld met het oog op dactyloscopisch respectievelijk ballistisch onderzoek, moet het ervoor worden gehouden dat de specifieke voorzorgsmaatregelen die in geval van onderzoek naar geursporen zijn vereist, in casu achterwege zijn gebleven. Daarom moet het uitgesloten worden geacht dat een onderzoek op geursporen (na zo groot tijdsverloop) op verantwoorde wijze kan worden uitgevoerd. Dergelijk onderzoek is derhalve zinloos.”

5. In het middel wordt aangevoerd dat de laatste overweging onbegrijpelijk is, omdat ervan uitgegaan moet worden dat een technisch rechercheur, voordat hij besluit een voorwerp op latente dactyloscopische sporen te onderzoeken, zich de vraag zal stellen of er na het dactyloscopisch onderzoek nog andere onderzoeken verricht kunnen worden. Daartoe wordt verwezen naar H. Holtslag, Sporen onderzocht; Handboek 1, recherchetechniek, p. 33, en opgemerkt dat uit het enthousiaste voorwoord bij deze uitgave, van de hand van een leidinggevende politiefunctionaris, moet worden afgeleid dat de in het werk gepropageerde besluitvorming bij een technisch recherche-onderzoek een ‘gegeven’ is. Vervolgens wordt betoogd dat dit impliceert dat er niet zonder meer vanuit gegaan mag worden dat het veilig stellen van sporen met het oog op dactyloscopisch onderzoek andere vormen van onderzoek onmogelijk maakt.

6. Voor de goede orde heb ik bedoeld werk er op nageslagen. Tenzij de steller van het middel over een andere druk beschikte, heeft hij zich in de bladzijde vergist. In de uitgave die mij ter beschikking staat (1989) is op p. 43 te vinden dat de technisch rechercheur die tot een dactyloscopisch onderzoek wil overgaan zich onder meer zal moeten afvragen of er nog andere mogelijkheden voor onderzoek aan een voorwerp zijn.

7. De enkele omstandigheid dat in een op het onderwerp betrekking hebbend handboek wordt gewezen op het belang van een bepaalde wijze van veiligstellen en onderzoeken van voorwerpen, hoe gezaghebbend dat handboek ook zou zijn, kan onmogelijk meebrengen dat de rechter niet uit mag gaan van datgene wat hem uit de opgemaakte processen-verbaal blijkt. Het hof heeft op grond van de processen-verbaal van het opsporingsonderzoek vastgesteld dat de handboeien en de patroonhuls zijn veiliggesteld teneinde onderzoek te doen naar dactyloscopische sporen, respectievelijk voor een ballistisch onderzoek, en dat deze vormen van onderzoek daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Terecht heeft het Hof mede in aanmerking genomen dat, naar van algemene bekendheid is, een onderzoek naar geursporen alleen op verantwoorde wijze kan worden uitgevoerd indien de daartoe te gebruiken voorwerpen op specifieke wijze zijn afgezonderd, verpakt en bewaard. Begrijpelijk is ’s Hofs oordeel dat, nu de handboeien op dactyloscopische sporen zijn onderzocht en de patroonhuls voorwerp is geweest van een ballistisch onderzoek, mede gelet op het tijdsverloop sinds het veiligstellen van die voorwerpen, de voorwaarden waaronder een onderzoek naar geursporen op verantwoorde wijze zou kunnen worden uitgevoerd niet aanwezig zijn.

8. Overigens komt het mij voor dat de steller van het middel aan het bovengenoemde werk een verkeerde betekenis toekent. Op de aangehaalde plaats wordt niet gepropageerd dat aan dactyloscopisch onderzoek te onderwerpen voorwerpen onder alle omstandigheden zodanig moeten worden behandeld dat - tevoren of later - een onderzoek naar geursporen altijd mogelijk zal zijn. Er wordt aanbevolen dat de met het technisch onderzoek belaste rechercheur beziet welke andere vormen van onderzoek aangewezen zullen zijn. Of een vergelijkend onderzoek van geursporen mogelijk en aangewezen is zal van vele factoren afhankelijk zijn, die op het moment waarop voorwerpen worden veiliggesteld niet altijd goed te overzien zullen zijn. Mij dunkt dat niet een redelijke eis zou worden gesteld indien voorwerpen steeds zodanig moeten worden behandeld dat eventueel later een geursporenonderzoek mogelijk is, ook indien andere vormen van onderzoek, zoals op vingerafdrukken, daardoor zouden worden bemoeilijkt of vertraagd.

9. Het middel faalt derhalve.

10. Het tweede middel strekt ten betoge dat ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat verzoeker heeft gehandeld met opzet in de vorm van voorwaardelijk opzet, zoals bewezen is verklaard.

11. Ten laste van verzoeker is onder 1 bewezenverklaard dat:

‘hij op 03 april 1998 te Rotterdam, in een coffeeshop genaamd Sensi-Smile ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [het slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet op voornoemde [slachtoffer] één kogel heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.’

12. In de bestreden uitspraak is ten aanzien van dit feit als bewijsoverweging opgenomen:

‘Het hof overweegt met betrekking tot feit 1 het volgende. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat verdachte door in een café/coffeeshop in de richting van een vitrine - in de onmiddellijke nabijheid waarvan een werkneemster zich bevond - van korte afstand (circa 3 meter) met een vuurwapen te schieten willens en wetens het aanmerkelijke risico heeft genomen dat die werkneemster zou worden geraakt (eventueel ook door een op de vitrine afketsende kogel) en wel zodanig dat als gevolg daarvan de dood had kunnen intreden. Dit geldt nog te meer omdat blijkens de videoregistratie van de schietpartij verdachte zich (op weg naar de uitgang) omdraaide en vrijwel direct schoot, en welhaast nonchalant zonder zelfs rustig zijn vuurwapen te richten.’

13. Het middel valt in enkele klachten uiteen. Ten eerste wordt erover geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niets blijkt omtrent een in het café aanwezige vitrine.

14. Kennelijk heeft het Hof met de term ‘vitrine’ het oog gehad op een glazen onderdeel van, of opbouw op, de bar of toonbank in het café. Uit een tot bewijs gebezigde verklaring van iemand die als ‘voorman’ in de horeca-gelegenheid aanwezig was (bewijsmiddel 4) en uit de eveneens tot bewijs gebezigde verklaring van degene, als ‘barvrouw’ aldaar werkzaam, in wier richting werd geschoten (bewijsmiddel 5) blijkt dat de laatste achter de bar wegdook op het moment waarop verzoeker in haar richting vuurde. Daaruit moet volgen dat zij zich op dat moment achter of naast die bar bevond. Door er melding van te maken dat verzoeker in het café in de richting van een vitrine schoot, heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat verzoeker in de richting van die bar schoot, in de onmiddellijke nabijheid waarvan zich - zoals het Hof overwoog - de werkneemster van het café bevond. Aldus gelezen behelst de nadere bewijsoverweging niets dat niet wordt gestaafd door de gebezigde bewijsmiddelen.

15. De tweede klacht strekt ten betoge dat het Hof in de bewijsoverweging voorts melding maakt van wat uit een videoregistratie blijkt, ofschoon die videoregistratie niet als bewijsmiddel in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a lid 2 en lid 3 Sv is opgenomen, ook niet als de eigen waarneming van het Hof in de zin van art. 340 Sv.

16. De bewezenverklaring van een tenlastegelegd feit dient te steunen op wettige bewijsmiddelen, terwijl de rechter, indien hem dat - bijvoorbeeld met het oog op gevoerde verweren - wenselijk of noodzakelijk voorkomt, in nadere overwegingen ten aanzien van het bewijs kan uiteenzetten welke betekenis hij aan die bewijsmiddelen heeft toegekend en hoe in de door hem gevolgde gedachtegang de bewezenverklaring uit de bewijsmiddelen volgt. Behoudens de zogenaamde feiten van algemene bekendheid, die naar luid van art. 339 lid 2 Sv geen bewijs behoeven (vgl. HR NJ 1985, 320), zal een dergelijke, op de bewezenverklaring volgende bewijsoverweging (‘een overweging onder de streep’), voor zover daarin ter ondersteuning van de bewezenverklaring een beroep wordt gedaan op feitelijkheden, en voor zover de overweging niet ten overvloede is gegeven, een fundament moeten hebben in de bewijsmiddelen (G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 1999 (3de druk), p. 664).

17. Hieruit volgt dat niet in alle gevallen waarin feitelijkheden in een nadere bewijsoverweging zijn verwerkt de eis wordt gesteld dat de aangehaalde gegevens (rechtstreeks) zijn terug te vinden in de gebezigde bewijsmiddelen. De Hoge Raad heeft toegelaten dat tijdens de behandeling ter terechtzitting ter sprake gekomen feitelijkheden of (deskundigen)verklaringen alleen in overwegingen ten aanzien van het bewijs worden vermeld (derhalve zonder dat zij zijn terug te vinden in de gebezigde bewijsmiddelen) indien zij slechts worden gebruikt om te verantwoorden waarom wèl gebruikte bewijsmiddelen voor juist of betrouwbaar worden gehouden (bijvoorbeeld HR NJ 1976, 539, HR NJ 1980, 293 en HR NJ 1984, 585). In de literatuur is er voorts op gewezen (J.F. Nijboer, Strafrechtelijk bewijsrecht, Nijmegen 2000, p. 302) dat in bewijsoverwegingen ook ‘nieuwe’, niet in de gebezigde bewijsmiddelen terug te vinden, feitelijkheden zullen mogen worden genoemd indien dat gebeurt om te verantwoorden waarom de rechter een alternatieve toedracht van, of verklaring voor, de in de bewijsmiddelen opgenomen feiten te onaannemelijk acht om daar rekening mee te houden, of juist, redenerende vanuit hetgeen de rechter van algemene bekendheid acht te zijn, een bepaalde conclusie uit de in de bewijsmiddelen besloten gegevens meent te kunnen trekken. Anderzijds zullen, aldus Nijboer (a.w., p. 304), in een nadere overweging aangevoerde feitelijke gegevens die worden gebruikt om bijvoorbeeld een verweer te weerleggen, moeten kunnen steunen op wettige bewijsmiddelen. Een Illustratie daarvan is te vinden in HR NJ 1989, 478 en HR NJ 1989, 866.

18. Maar ook in dat geval - verwerping van een gevoerd bewijsverweer - geldt niet steeds de eis dat de in de daartoe strekkende bewijsoverweging genoemde gegevens geheel in de gebezigde bewijsmiddelen moeten zijn terug te vinden. Dat wordt niet verlangd indien de overweging ten overvloede is gegeven, en de weerlegging van het verweer reeds in de gebezigde bewijsmiddelen besloten ligt, vgl. HR NJ 1984, 790. Enigszins verwant aan die situatie lijkt mij het in HR NJ 1991, 10 beoordeelde geval. Daarin had het hof een bewijsoverweging uit het in eerste aanleg gewezen vonnis overgenomen, maar niet alle door de Rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, met gevolg dat in de overweging werd verwezen naar verklaringen die in de bewijsmiddelen niet meer waren terug te vinden. Als ten overvloede gegeven kon de bewijsoverweging niet worden aangemerkt, maar cassatie bleef achterwege omdat de in die overweging gereleveerde omstandigheden op één punt van ondergeschikte betekenis werden geacht, en overigens herkenbaar waren in wèl gebruikte bewijsmiddelen.

19. Een in dit verband opmerkelijke overweging lijkt HR NJ 1985, 379 te bevatten. Daarin werd er over geklaagd dat een verweer waarin een alternatieve verklaring voor het handelen van de veroordeelde werd gegeven die aan bewezenverklaring in de weg zou staan (een ‘Meer en Vaart-verweer’) en het verweer dat van opzettelijk handelen geen sprake was geweest, tezamen waren verworpen door onder meer te verwijzen naar een psychiatrisch rapport (uitmondend in de vaststelling dat de veroordeelde ter zake van het tenlastegelegde volledig toerekeningsvatbaar was), waaraan het hof deze betekenis had toegekend dat het dan wel mogelijk kon zijn dat de veroordeelde in paniek was geraakt, maar dat dit niet kon meebrengen (gelet op de strekking van dat psychiatrisch rapport) dat opzet bij de veroordeelde had ontbroken. De Hoge Raad heeft de klacht verworpen, overwegende:

“6.2. Het stond het Hof vrij ter weerlegging van het (…) verweer betreffende het bewijs, doch ook voor zover dit wegens de aard van het verweer tevens strekt ter aanvulling van het bewijs van het ten laste gelegde opzet, melding te maken van de conclusie van het rapport hiervoren (…) vermeld. Geen regel van procesrecht schrijft immers voor dat de rechter al hetgeen hij tot het bewijs bezigt in zijn uitspraak moet vermelden voorafgaand aan de daarin opgenomen bewezenverklaring.”

20. De laatste zin uit deze aanhaling zou wellicht kunnen doen vermoeden dat de band tussen ‘nadere bewijsoverwegingen’ en het bepaalde in de eerste drie leden van art. 359 Sv, met name in het eerste lid daarvan, geheel is geslaakt. Het komt mij voor dat de aangehaalde overweging zo niet moet worden begrepen. Nadere overwegingen ten behoeve van het bewijs maken van de bewijsconstructie deel uit, en het valt niet goed in te zien hoe een bewijsoverweging, voor zover daarin feitelijkheden worden genoemd, zou kunnen worden losgemaakt van het vereiste dat de bewijsmiddelen, voor zover de bewezenverklaring daarop steunt, inhoudelijk in de uitspraak moeten zijn vermeld. Daarom zal ook het in HR NJ 1985, 379 overwogene, naar ik aanneem, slechts aldus mogen worden verstaan dat de bewijsconstructie op zichzelf beschouwd moet sluiten, ook in het licht van gevoerde bewijsverweren, en dat feitelijkheden die in nadere overwegingen worden aangehaald ter verwerping van gevoerde bewijsverweren weliswaar strekken tot aanvulling van het bewijs, doch slechts dan niet op de gebezigde bewijsmiddelen terug te voeren behoeven te zijn indien de in de bewijsmiddelen opgesloten feiten en omstandigheden de bewijsconstructie reeds sluitend maken en de verwerping van het verweer zouden kunnen dragen.

21. In het nu te beoordelen geval heeft het Hof overwogen dat verzoeker in een café of bar van korte afstand (ongeveer drie meter) met een vuurwapen heeft geschoten in een richting waarin zich een werkneemster van dat bedrijf bevond. Die gegevens worden geheel gedragen door de bewijsmiddelen. Ik wijs er op dat tot bewijs is gebruikt een door verzoeker zelf afgelegde verklaring, onder meer inhoudende “Ik heb op 3 april 1998 te Rotterdam in een coffeeshop geheten Sensi-Smile met een vuurwapen van het merk Browning, kaliber 9 mm, geschoten in de richting van een vrouw” (bewijsmiddel 1), terwijl uit de hierboven reeds vermelde verklaringen van die vrouw (bewijsmiddel 5) en van een andere werknemer in dat bedrijf (bewijsmiddel 4) volgt dat de schutter richtte in de richting van die vrouw en schoot terwijl die vrouw zich op ongeveer drie meter afstand van de schutter bevond.

22. Dat geeft aan de vermelding dat uit de videoregistratie is gebleken dat verzoeker zich, op weg naar de uitgang, omdraaide en vrijwel onmiddellijk schoot, welhaast nonchalant en zonder rustig zijn wapen te richten, het karakter van een overweging ten overvloede. Zo heeft het Hof deze vermelding klaarblijkelijk ook bedoeld, getuige de woorden “Dit geldt nog te meer (…)”. Daarom zou ik menen dat ten aanzien van deze vermelding van hetgeen uit de videoregistratie is gebleken niet de eis gesteld moet worden dat dit gegeven uit de gebezigde bewijsmiddelen moeten blijken. De situatie is, met andere woorden, vergelijkbaar met het in HR NJ 1984, 790 beoordeelde geval.

23. Voor zover in het middel wordt betoogd (onderdeel 6 van de toelichting) dat de door het Hof opgenomen bewijsoverweging innerlijk tegenstrijdig is omdat een nonchalante wijze van afvuren van een vuurwapen op gespannen voet staat met willens en wetens handelen wordt miskend dat bewezen is verklaard dat verzoeker opzettelijk heeft gehandeld in de vorm van ‘voorwaardelijk opzet’; dat hij, door te handelen zoals hij deed, willens en wetens het aanmerkelijk risico heeft genomen dat de door hem afgevuurde kogel de vrouw dodelijke verwondingen zou toebrengen. Dat willens en wetens op de koop toe nemen van die aanzienlijke kans is uitstekend verenigbaar met nonchalant schieten met een vuurwapen.

24. In onderdeel 7 van de toelichting op het middel wordt er op gewezen dat de behandeling in hoger beroep ter terechtzitting van 19 november 1999 opnieuw is aangevangen wegens de gewijzigde samenstelling van het Hof, maar dat de ter terechtzitting van 23 juli 1999 afgespeelde videoband niet opnieuw is afgespeeld, terwijl ook niet blijkt dat de verdediging ermee heeft ingestemd dat het op de eerdere terechtzitting bezien van de videoregistratie zou worden aangemerkt als ter zitting van 19 november 1999 voorgevallen. Gesteld wordt dat het bepaalde in art. 322 Sv zich er tegen verzet dat de door het Hof ter terechtzitting van 23 juli 1999 opgedane waarneming ten aanzien van de videoband voor het bewijs kan worden gebruikt.

25. De verwijzing naar ar. 322 Sv - bedoeld moet zijn het derde lid daarvan - lijkt mij in dit verband niet juist. Die bepaling is geheel toegesneden op de (op een eerdere zitting afgelegde) verklaring van een getuige, en het komt mij voor dat zij zozeer is verweven met de ondervragingsrechten van de verdediging dat zij niet zonder meer toepasselijk geacht kan worden te zijn op andere, op eerdere zittingen voorgevallen, procedurele evenementen dan een getuigenverklaring.

26. Dat neemt niet weg dat de rechter tot bewijs slechts zal mogen gebruiken hetgeen aan de orde is geweest op de zittingen waarop hij zelf van de zaak heeft kennisgenomen. Een afwijking van die regel zou meebrengen dat niet langer gezegd kan worden dat de uitspraak wordt gedaan naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting, zoals is bepaald in art. 350 Sv. Deze regel brengt met zich mee dat al hetgeen ter terechtzitting is geschied voordat het onderzoek opnieuw werd aangevangen in beginsel iedere betekenis voor de einduitspraak verliest. Een en ander is onlangs nog eens bevestigd in HR 26 september 2000, griffienr 00582/99. In die zaak is evenwel een bijzonderheid aan de orde geweest die zich ook in het nu te beoordelen geval voordoet.

27. In hoger beroep is de zaak - voor zover thans van belang - aan de orde geweest ter terechtzitting van 1 juni 1999. Het Hof was toen samengesteld uit mrs Van Schellen (voorzitter), Ritter en Aler. Het Hof heeft kennisgenomen van verzoeken van de verdediging en bepaald dat daarop bij tussenuitspraak zou worden beslist. Bij dat tussenarrest, gewezen op 15 juni 1999, is het geschorste onderzoek aangehouden tot de terechtzitting van 23 juli 1999. Op die terechtzitting van 23 juli 1999 is het onderzoek hervat en opnieuw aangevangen in verband met de gewijzigde samenstelling van het Hof. Die samenstelling was toen: mrs Van Schellen (voorzitter), Ritter en Van Dijk. Opnieuw heeft het Hof toen bepaald dat bij tussenuitspraak zou worden beslist op verzoeken van de verdediging, en voorts beslist dat de verdere behandeling van de zaak zou plaatsvinden ter terechtzitting van 19 november 1999. Daar tussen de dag waarop de (tweede) tussenuitspraak zou worden gedaan, 6 augustus 1999, en de voortzetting van de (inhoudelijke) behandeling op 19 november 1999 meer dan drie maanden zouden verstrijken is bepaald dat de zaak binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van drie maanden zou worden aangebracht op een zitting die een pro forma-zitting zou zijn. Die pro forma-zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 1999. Verzoeker was op die zitting aanwezig, en gaf op dat hij wist dat het een pro forma-zitting betrof, maar dat hij verder niets te doen had, en dat hij het wel wat vond om te worden rondgereden. De voorzitter heeft kort mededeling gedaan van het proces-verbaal van de zitting van 23 juli 1999 en het tussenarrest van 6 augustus 1999, maar verder is er niets anders gebeurd dan dat de stukken in handen van de advocaat-generaal zijn gesteld teneinde uitvoering te geven aan het bepaalde in het tussenarrest van 6 augustus 1999, waarna het onderzoek is geschorst overeenkomstig hetgeen reeds ter zitting van 23 juli 1999 was besloten. Tenslotte is de zaak behandeld ter terechtzitting van 19 november 1999. Toen is de behandeling wederom aangevangen omdat het Hof anders was samengesteld dan op de (pro forma) zitting van 8 oktober 1999. Het Hof was ter zitting van 19 november 1999 samengesteld uit mrs Van Schellen (voorzitter), Ritter en Van Dijk. In die samenstelling, dezelfde als ter terechtzitting van 23 juli 1999, heeft het Hof de behandeling ter terechtzitting afgerond. De voorzitter heeft bij die gelegenheid melding gemaakt van de korte inhoud van (onder meer) het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 juli 1999. De bestreden uitspraak is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juli 1999 en van 19 november 1999.

28. In het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 juli 1999 is (p. 3) vermeld dat de videoband is afgespeeld en dat verzoeker naar aanleiding daarvan onder meer heeft verklaard:

“10.43.02: Hier is te zien hoe ik op de vitrine schoot. Met gestrekte rechterarm. Op weg naar buiten, draai ik mij om en schiet vervolgens op de vitrine.”

Onder deze omstandigheden kan cassatie achterwege blijven. Omdat het Hof op de terechtzittingen van 23 juli 1999 en 19 november 1999 telkens uit dezelfde leden was samengesteld is, ofschoon het onderzoek ter terechtzitting op de laatste zitting opnieuw is aangevangen, inhoudelijk voldaan aan het vereiste dat is beraadslaagd en beslist door de rechters die hebben deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting op grond waarvan de bestreden uitspraak is gewezen, ook voor zover het Hof zijn oordeel heeft doen steunen op hetgeen ter terechtzitting van 23 juli 1999 aan de orde is geweest, waaronder zijn eigen waarneming ten aanzien van de aldaar afgespeelde videoband waarop verzoeker commentaar gaf. Dat geldt temeer omdat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 november 1999 de verdediging geen bezwaren heeft doen horen toen de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 juli 1999 werd medegedeeld, en ook thans niet blijkt (zoals ook in het arrest van de Hoge Raad van 26 september jongstleden is overwogen) dat verzoeker door de gang van zaken in enig te respecteren belang is getroffen.

29. Ik meen derhalve dat het middel in alle onderdelen faalt.

30. Het derde middel houdt in dat het onder 4 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen zou kunnen worden afgeleid. Aangevoerd wordt dat het enkele feit dat bij verzoeker aangetroffen handboeien identiek zijn aan de handboeien waarmee de slachtoffers tijdens de overval werden geboeid ontoereikend is voor het bewijs van medeplegen.

31. De bewezenverklaring van dit feit - kort en feitelijk omschreven gaat het om een overval op coffeeshop ‘Maskot’ aan het Hudsonplein te Rotterdam op 10 januari 1998 - berust op bewijsmiddelen waaruit volgt dat in een woning waarin verzoeker destijds verbleef (bewijsmiddel 1) onder meer handboeien zijn aangetroffen (bewijsmiddel 11), waarvan verzoeker heeft erkend dat hij die voorhanden heeft gehad (bewijsmiddel 1) en die wat merk en model betreft identiek zijn aan twee van de drie stuks handboeien waarmee slachtoffers tijdens de overval op de coffeeshop zijn geboeid, terwijl twee paar extra sleuteltjes die zijn aangetroffen bleken te passen op de handboeien die bij de overval zijn gebruikt (bewijsmiddel 17), vier verklaringen van aangevers/slachtoffers betreffende de toedracht van de overval (bewijsmiddelen 13, 14, 15, en 16), een verklaring van een persoon die heeft verklaard te weten dat ‘[..]’ met twee Tunesiërs de overval heeft gepleegd (bewijsmiddel 12), alsmede op het onderzoeksresultaat dat munitiedelen die in coffeeshop ‘Maskot’ aan het Hudsonplein zijn veiliggesteld, gelet op daarop aangetroffen groeven, kraslijnen en -sporen en slagpinindrukken, zeer waarschijnlijk zijn verschoten met hetzelfde wapen als munitiedelen die zijn veiliggesteld na een overval op een garage in Rotterdam op15 december 1997 en hulzen en een gedeformeerde kogel die zijn onderzocht naar aanleiding van schieten in de ‘Sensi Bar’ te Rotterdam op 3 april 1998 (bewijsmiddel 2).Het schieten in de coffeeshop genaamd Sensi Smile op 3 april 1998 is ten laste van verzoeker als eerste feit; poging tot doodslag op zekere [slachtoffer] (werkneemster in die coffeeshop, het tweede middel ziet op de bewezenverklaring van dit feit), en het afvuren van een kogel in het garagebedrijf op 15 december 1997 is te zijnen laste, als medeplegen van afpersing, als tweede feit bewezen verklaard.

32. Het middel miskent dat het aantreffen van de (verzoeker toebehorende) handboeien in de woning waar hij verbleef niet de enige aanwijzing oplevert dat verzoeker betrokken is geweest bij de overval op de coffeeshop aan het Hudsonplein, maar in samenhang met de overige, hierboven samengevatte, aanwijzingen moet worden gezien. Niet onbegrijpelijk is dat het Hof, gelet op die samenhang, aan het aantreffen van de handboeien betekenis voor het bewijs heeft toegekend. Verzoekers betrokkenheid bij dit feit kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Ook dit middel faalt.

33. De voorgestelde middelen falen en lenen zich voor toepassing van art. 101a RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid

34. de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen trof ik niet aan. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,