Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AA9370

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-2001
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00109/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AA9370
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 28
NJ 2001, 162
VR 2001, 164 met annotatie van G.J. Holtkamp
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00109/00

Mr Wortel

Zitting: 31 oktober 2000

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft verzoeker in door hem ingesteld hoger beroep bij arrest van 13 april 1999 terzake van "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij lichamelijk letstel is toegebracht" veroordeeld tot een geldboete van f 1.000,-- subsidiair 20 dagen hechtenis, met bepaling dat deze geldboete in termijnen zal mogen worden voldaan, en hem een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee maanden.

2. Tegen deze uitspraak is namens verzoeker cassatie ingesteld. Mr drs. A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam, heeft namens verzoeker vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid, zoals bewezen verklaard, dat (als gevolg van het bewezen verklaarde handelen) een ander 'zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan'.

4. De verklaring van 'de ander' (het slachtoffer), voor zover tot bewijs gebezigd (bewijsmiddel 2), houdt omtrent het aan haar toegebrachte letsel niets in. Als bewijsmiddel 5 is een geneeskundige verklaring opgenomen, waaruit volgt dat aan letsel bij het slachtoffer is vastgesteld:

- een bloeduitstorting aan een enkel;

- vermoedelijk of mogelijk een fraktuurtje aan een sprongbeen (er staat een vraagteken, de medicus is op dit punt dus niet zeker);

- bandscheuren aan een voet.

5. In art. 6 WVW 1994 wordt naast zwaar lichamelijk letsel genoemd het letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. In zoverre bracht art. 6 WVW 1994 een zekere verruiming ten opzichte van de daardoor vervangen strafbepaling. Het oude artikel 36, tweede lid, WVW noemde de verhindering in ambts- of beroepsbezigheden. Blijkens de toelichting op het huidige art. 6 WVW 1994 is nadrukkelijk bedoeld dat onder het daar (naast 'zwaar lichamelijk letsel') genoemde letsel dat een tijdelijke ziekte of verhindering oplevert elk letsel zal kunnen worden gebracht dat een hindering oplevert in de normale bezigheden, ongeacht of dit 'ambts- of beroepsbezigheden' zijn (Kamerstukken II, 1990-1991, 22030, nr 3 (MvT), p. 68). Ook een hindering in normale huishoudelijke activiteiten valt hieronder.

6. Onmiskenbaar heeft de wetgever voor ogen gehad dat niet het veroorzaken van elke vorm van letsel, hoe licht ook, tot strafbaarheid op grond van art. 6 WVW 1994 kan voeren. Ware dat anders, dan zou de nadere omschrijving van het letsel in deze bepaling overbodig zijn geweest. In A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe (red.), De wegenverkeerswet 1994; een strafrechtelijk commentaar, 1999 (2de druk), p. 140 is het standpunt ingenomen:

"Het woord verhinderen wordt al met al heel belangrijk, omdat daarmee tot uitdrukking is gebracht dat er sprake moet zijn van een geheel onmogelijk zijn geworden de bezigheden gedurende enige tijd uit te oefenen. Verhinderen stelt hogere eisen dan hinderen, omdat bij hinderen een aangepaste uitoefening van de bezigheden niet is uitgesloten."

7. De door de wetgever gekozen formulering laat ruimte voor twijfel. Men zou de woorden "verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden" aldus kunnen interpreteren dat reeds een belemmering om gebruikelijke werkzaamheden op een - voor het slachtoffer - gebruikelijke wijze te verrichten, zonder enig ongemak dat tevoren niet bestond, onder het in art. 6 WVW 1994 bedoelde letsel (niet zijnde 'zwaar lichamelijk letsel') valt. Die interpretatie lijkt mij evenwel niet de meest aangewezene. Uit de memorie van toelichting op het huidige art. 6 WVW 1994 zal moeten worden opgemaakt dat de wetgever niets anders voor ogen had dan het elimineren van de voordien geldende beperking dat de tijdelijke verhindering van werkzaamheden betrekking moest hebben op beroepsmatig verrichte bezigheden. Een min of meer aanmerkelijke (vóór het ongeval door het slachtoffer niet ervaren) belemmering bij het verrichten van gebruikelijke werkzaamheden zal in de bewijsmiddelen besloten moeten liggen. Dat het letsel van dien aard moet zijn dat iedere vervulling van de gebruikelijke werkzaamheden voor enige tijd onmogelijk is, zoals in het hierboven aangehaalde werk is betoogd, lijkt mij evenwel niet goed te verdedigen. Ik zie niet in waarom de bij een verkeersongeval veroorzaakte kwetsuren niet onder het in art. 6 WVW 1994 bedoelde letsel gebracht zouden mogen worden indien het slachtoffer zich weliswaar enige tijd heeft kunnen behelpen, bij huishoudelijke werkzaamheden of in de uitoefening van beroep of bedrijf, maar alleen met behulp van bijzondere voorzieningen, zoals krukken om zich te verplaatsen, speciaal vervoer van en naar het werk of iets dergelijks. Ook dan zal gesproken kunnen worden van letsel van enige ernst. Mij dunkt dat het er in de kern bezien om gaat dat het door het verkeersongeval veroorzaakte letsel, als het al geen 'zwaar lichamelijk letsel' is, tenminste zodanig veel pijn en lichamelijk ongemak meebrengt dat de doorgaans ervaren fysieke mogelijkheden er in aanzienlijke mate door worden beperkt.

8. Naar mijn oordeel behoort het tot het domein van de feiten van algemene bekendheid dat scheuren in het bandweefsel van een voet, mogelijk gepaard met een kleine fraktuur in een sprongbeen, een lichamelijk ongemak vormen dat door zijn pijnlijkheid en de noodzaak van een (gips)verband noodzakelijkerwijs hinder oplevert bij elke fysieke verplaatsing, en dus bij iedere activiteit. Anders gezegd: het behoeft noch nader betoog, noch nader bewijs dat het in de bewijsmiddelen tot uitdrukking gebrachte letsel van de soort is die gemeen pijn doet en hinder veroorzaakt.

9. Dat neemt niet weg dat bij bewezenverklaring van het in art. 6 WVW 1994 bedoelde letsel dat een tijdelijke verhindering tot het uitoefenen van normale bezigheden veroorzaakt uit de bewijsmiddelen zal moeten kunnen worden afgeleid dat het slachtoffer gedurende enige tijd min of meer aanzienlijke belemmeringen bij die bezigheden heeft ervaren. Nu maak ik mij sterk dat het herstel van gescheurde voetbanden in de regel wel enige weken zal vergen, terwijl de patiënt al die tijd pijnlijke beperkingen bij het lopen zal ondervinden. Na ampele overdenking meen ik echter dat het te ver zou gaan om in algemene zin als bekend te veronderstellen dat zich gedurende dit herstelproces de door de wetgever verlangde verhindering bij werkzaamheden voordoet. Daarvoor moet méér blijken (en in de bewijsmiddelen besloten liggen) met betrekking tot de duur van het herstel in het concrete geval en de bezigheden waarin een verhindering is ondervonden. Enige steun voor dat oordeel vind ik in HR VR 1971, 98. Weliswaar ging het in dat geval om letsel dat ‘tijdelijke ziekte’ in de zin van het voormalige art. 36 WVW meebracht, maar dat doet er niet aan af dat de cassatieklacht dat ten onrechte was bewezenverklaard dat een hersenschudding en een hoofdwond als zodanig konden gelden werd verworpen op grond van de overweging dat uit de gebezigde bewijsmiddelen bleek dat de slachtoffers in een ziekenhuis waren opgenomen en na enkele weken nog niet geheel waren hersteld.

10. Naar mijn oordeel is het middel derhalve terecht voorgesteld.

11. Het tweede middel richt zich eveneens tegen de bewezenverklaring. Het bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er tussen het bewezenverklaarde door rood licht rijden en het toegebrachte letsel een causaal verband bestaat. Bewezen is verklaard dat verzoekers handelen in drie opzichten heeft bijgedragen aan het ongeval:

- de auto waarin verzoeker reed voldeed niet aan de eisen, van één van de voorbanden was het loopvlak glad afgesleten en aan de binnenzijde staken de staaldraden eruit;

- verzoeker reed te hard, en

- verzoeker stopte niet voor een rood stoplicht.

De steller van het middel doet weten dat het verzoeker ontgaat welke relatie kan hebben bestaan tussen het door rood licht rijden en het ongeval, omdat de te hoge snelheid ‘de dominante factor’ is geweest. Reeds door die snelheid zou, ongeacht of verzoeker door een rood licht was gereden of niet, het ongeval niet te voorkomen zijn geweest.

19. Klaarblijkelijk heeft het Hof geoordeeld dat het negeren van een rood stoplicht en het aanhouden van een te hoge snelheid (en het rijden met een slechte band) met elkaar in verband moeten worden gezien. Dat oordeel is geenszins onbegrijpelijk. Het kan zijn dat het aanhouden van een te hoge snelheid de bestuurder van een auto in de onmogelijkheid brengt tijdig voor een rood stoplicht tot stilstand te komen. Anderzijds matigt iemand die er voor kiest door een rood stoplicht te rijden zijn snelheid niet naar behoren. Het een kan met het ander in verband staan, en het Hof kon, zonder dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk wordt, oordelen dat de drie verkeersfouten van verzoeker tezamen het ongeval hebben veroorzaakt. In zoverre faalt het middel.

20. Het bevat nog een tweede klacht, namelijk dat art. 395 lid 5 Sv is geschonden omdat in de strafmotivering alleen gewag wordt gemaakt van het door rood licht rijden. De strafmotivering zal aldus moeten worden verstaan dat het Hof van de drie bewezenverklaarde aspecten van verzoekers handelen, als gevolg waarvan het ongeval is ontstaan, het door rood licht rijden als de meest ernstige verkeersfout heeft aangemerkt, en heeft geoordeeld dat met name die factor bepalend moet zijn voor de zwaarte van de op te leggen straffen. Zo gelezen is de strafmotivering niet strijdig met de bewezenverklaring. Art. 359 lid 5 Sv, dat de rechter verplicht in de uitspraak de redenen te vermelden die in het bijzonder de straf hebben bepaald, is niet geschonden.

21. Het middel faalt derhalve in beide onderdelen.

22. In het derde middel wordit gesteld dat de art. 315 en 415 Sv zijn geschonden doordat het Hof ten onrechte zou hebben geweigerd een door de verdediging opgegeven persoon als getuige te horen.

23. Bedoeld verzoek is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal gedaan ter terechtzitting van 12 februari 1999. Op die zitting is het onderzoek ter terechtzitting voor bepaalde tijd aangehouden omdat twee op de lijst geplaatste getuigen niet waren verschenen. Het verzoek ook de in dit middel bedoelde getuige te horen is afgewezen. Na hervatting van het onderzoek op de terechtzitting van 30 maart 1999 is het opnieuw aangevangen in verband met de gewijzigde samenstelling van het Hof. Uit het van die zitting opgemaakte proces-verbaal blijkt niet dat de raadsman zijn verzoek de in het middel bedoelde persoon als getuige te horen opnieuw heeft gedaan. De bestreden uitspraak is alleen naar aanleiding van de terechtzitting van 30 maart 1999 gewezen.

24. Cassatieberoep kan niet worden ingesteld tegen beslissingen die niet ten grondslag liggen aan de bestreden einduitspraak (vgl. HR NJ 1996, 424), tenzij zich omstandigheden voordoen waaruit moet worden afgeleid dat op eerdere zittingen genomen beslissingen, en de gronden waarop die berusten, door de rechter op de terechtzitting(en) die wèl aan de uitspraak ten grondslag liggen zijn overgenomen (vgl. HR NJ 1998, 153). Laatstbedoeld geval kan zich voordoen indien de rechter, met goedvinden van partijen, vaststelt dat hetgeen voorafgaand aan het opnieuw aanvangen van het onderzoek is geschied wordt geacht te zijn herhaald. Dat doet zich hier niet voor.

25. Ten aanzien van dit middel zal verzoeker in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

26. Het vierde middel klaagt erover dat het Hof het (verkorte) arrest niet tijdig heeft aangevuld.

27. Het (verkort) arrest is op 13 april 1999 gewezen. Daartegen heeft verzoeker, die niet gedetineerd was, op 15 april 1999 beroep in cassatie ingesteld. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in het ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijnde art. 365a Sv, is gedateerd 3 januari 2000. De in art. 365a, derde lid, Sv voorgeschreven termijn is derhalve inderdaad niet in acht genomen. Overschrijding van die termijn behoeft evenwel niet tot nietigheid te leiden, vgl. HR NJ 1998, 557. Voorts brengt overschrijding van die termijn, op zichzelf beschouwd, niet met zich mee dat het recht op berechting binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, is geschonden.

28. Het middel treft derhalve geen doel.

29. In het vijfde middel wordt geklaagd over schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn doordat de stukken na het instellen van cassatie niet tijdig bij de Hoge Raad zijn ontvangen.Het cassatieberoep is, als zo-even reeds opgemerkt, op 15 april 1999 ingesteld. De op de zaak betrekking hebbende stukken zijn bij de Hoge Raad ontvangen op 19 januari 2000, derhalve iets meer dan 9 maanden na het instellen van dit rechtsmiddel. Het recht op berechting binnen een redelijke termijn wordt geacht te zijn geschonden indien er meer dan acht maanden zijn verstreken tussen het instellen van cassatie en de inzending van de daarop betrekking hebbende stukken naar de Hoge Raad, vgl. HR 3 oktober 2000, griffienr 00775/99, overweging 3.3.

30. Deze klacht is dus terecht gedaan. Enige vermindering van de opgelegde hoofdstraf is in verband daarmee aangewezen, aangezien niet kan worden vastgesteld dat de vertraging bij het inzenden van de stukken is gecompenseerd door een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep. Daar ook het eerste middel terecht is voorgesteld, hetgeen tot verwijzing zal moeten voeren, zal het Hof waarnaar wordt verwezen die strafvermindering moeten bepalen.

31. Redenen waarom de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen vond ik niet. Deze conclusie strekt er toe

- dat verzoeker in dit cassatieberoep niet-ontvankelijk zal worden verklaard ten aanzien van het derde middel;

- dat de bestreden uitspraak naar aanleiding van het eerste en het vijfde middel zal worden vernietigd, en de zaak zal worden verwezen naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan;

- dat het beroep ten aanzien van het tweede en het vierde middel zal worden verworpen, waarbij gebruik gemaakt zal kunnen worden van de in art. 101a RO bedoelde korte motivering.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden