Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:AA9368

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-2001
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00945/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AA9368
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 137c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 303 met annotatie van B.P. de Vermeulen
JOL 2001, 31
NJ 2001, 203
NTM/NJCM-bull. 2001, p. 741 met annotatie van J.-P. Loof
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00945/99

Mr Machielse

Zitting 26 september 2000

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoeker is bij arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 juni 1999 vrijgesproken, na een veroordelend vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 6 oktober 1998. Verzoeker was in eerste aanleg veroordeeld voor het primair tenlastegelegde, te weten het "zich in het openbaar, bij geschrift, opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid", tot een geldboete van fl. 300,-- subsidiair 6 dagen hechtenis en tot betaling van een bedrag van fl. 157,84 aan de benadeelde partij Stichting Azimut.

De onderhavige zaak is bekend uit de publiciteit, niet in de laatste plaats omdat verzoeker een parlementariër is die - ook meer beroepsmatig - van zich laat horen.

2. Het Openbaar Ministerie heeft tijdig cassatieberoep ingesteld en één middel van cassatie voorgesteld.

3. Voorts heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, namens de benadeelde partij een middel van cassatie voorgesteld.

4. Art. 430 lid 1 Sv bepaalt dat tegen een vrijspraak geen cassatieberoep open staat. Op grond van de rechtspraak van uw Raad lijdt deze regeling uitzondering, indien het een zogenoemde onzuivere vrijspraak betreft. Daarvan is onder meer sprake indien de verdachte van iets anders is vrijgesproken dan aan hem was tenlastegelegd.

5.1. Aan verzoeker is primair tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 10 juni 1996 tot en met 3 juli 1996 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, zich in het openbaar schriftelijk opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten homoseksuele mensen, wegens hun homoseksuele gerichtheid, hebbende hij, verdachte, op 10 juni 1996 te 's-Gravenhage opzettelijk tijdens een interview/ vraaggesprek met een of meer medewerker(s) van het weekblad 'De Nieuwe Revu' zich in woorden van navolgende strekking uitgelaten en/of (vervolgens) de navolgende tekst(en) als weergave van vorengenoemd interview/ vraaggesprek goedgekeurd/geautoriseerd:

- De EO weert bewust homoseksuelen, heeft Andries Knevel verklaard. Goeie zaak? 'Ik denk dat je onderscheid moet maken tussen de homoseksuele praxis die ik afwijs en homoseksuelen als zodanig. Ik verwerp fraudeurs ook niet compleet omdat ze fraude bedrijven. Wat ik bedoel is dit "je kunt best iemand aannemen die een keer in de fout is gegaan. Zolang die persoon maar de intentie heeft om degelijke misstappen niet te herhalen."' en/of

- Ondertussen plaatst u frauderen en het praktiseren van homoseksualiteit wel op een lijn.

'Wij christenen hebben een geweldig kwalijke eigenschap ontwikkeld: we brengen ten onrechte gradaties aan in Gods geboden. Alsof je erg en minder erg hebt! Maar waarom zou stelen, bijvoorbeeld uitkeringen pikken van de overheid, minder erg zijn dan zondigen tegen het zevende gebod? Ja, waarom zou een praktiserend homoseksueel beter zijn dan een dief?'

welke hierboven weergegeven tekst(en) (vervolgens) zijn/is gepubliceerd in het weekblad 'De Nieuwe Revu' nummer 27 van 27 juni - 3 juli 1996;

5.2. Aan verzoeker is subsidiair tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 10 juni 1996 tot en met 03 juli 1996 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een of meer uitlating(en) openbaar heeft gemaakt die, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, voor een groep mensen, te weten homoseksuele mensen, wegens hun homoseksuele gerichtheid, beledigend was/waren, hebbende hij, verdachte, zich op 10 juni 1996 te 's-Gravenhage tijdens een interview met een of meer medewerker(s) van het weekblad 'De Nieuwe Revu' in woorden van navolgende strekking uitgelaten en/of (vervolgens) de navolgende tekst(en) als weergave van voornoemd interview goedgekeurd/geautoriseerd:

- De EO weert bewust homoseksuelen, heeft Andries Knevel verklaard. Goeie zaak? 'Ik denk dat je onderscheid moet maken tussen de homoseksuele praxis die ik afwijs en homoseksuelen als zodanig. Ik verwerp fraudeurs ook niet compleet omdat ze fraude bedrijven. Wat ik bedoel is dit "je kunt best iemand aannemen die een keer in de fout is gegaan. Zolang die persoon maar de intentie heeft om degelijke misstappen niet te herhalen."' en/of

- Ondertussen plaatst u frauderen en het praktiseren van homoseksualiteit wel op een lijn.

'Wij christenen hebben een geweldig kwalijke eigenschap ontwikkeld: we brengen ten onrechte gradaties aan in Gods geboden. Alsof je erg en minder erg hebt! Maar waarom zou stelen, bijvoorbeeld uitkeringen pikken van de overheid, minder erg zijn dan zondigen tegen het zevende gebod? Ja, waarom zou een praktiserend homoseksueel beter zijn dan een dief?'

welke hierboven weergegeven tekst(en) (vervolgens) zijn/is gepubliceerd in het weekblad 'De Nieuwe Revu' nummer 27 van 24 juni - 3 juli 1996;

6. Het hof heeft de gegeven vrijspraken als volgt gemotiveerd:

Het hof is van oordeel dat de zin "Ja, waarom zou een praktiserend homoseksueel beter zijn dan een dief?" op zich zelf, los van de context, als een beledigende uitlating wegens homoseksuele gerichtheid in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht zou zijn aan te merken. Door praktiserende homoseksuelen op één lijn te stellen met plegers van in het Wetboek van Strafrecht genoemde misdrijven wordt de waardigheid van de betreffende groep mensen miskend. Dat deze uitlating slechts praktiserende homoseksuelen, en niet homoseksueel geaarde (niet praktiserende ) personen betreft, doet naar het oordeel van het hof aan het bovenstaande niet af. Bij homoseksuelen is immers de homoseksuele praxis - zoals dit ook ten aanzien van heteroseksuelen kan worden aangenomen - juist sterk verbonden met hun identiteit, zodat verwerping van die praxis verwerping van hun bijzondere identiteit impliceert. Bovendien heeft de wetgever bij de totstandkoming van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht bewust de bescherming tegen beledigende uitlatingen niet beperkt tot beledigende uitlatingen wegens homoseksuele geaardheid, maar gekozen voor bescherming tegen beledigende uitlatingen wegens homoseksuele gerichtheid. Met homoseksuele gerichtheid wordt bedoeld: homoseksuele geaardheid en het daarmee samenhangende gedrag.

Het hof is evenwel van oordeel dat de context waarin deze uitlating is geplaatst en de daaruit blijkende kennelijke bedoeling daarvan het beledigende karakter aan die uitlating ontneemt. Uit die context blijkt immers duidelijk dat verdachte in feite zegt dat hij op grond van zijn geloofsovertuiging homoseksuele praxis afwijst als zondig, namelijk als strijdig met een van de bijbelse geboden en dat hij het, eveneens op grond van die geloofsovertuiging, onjuist vindt om in die geboden gradaties aan te brengen. In die context wordt door de retorische vraag "waarom zou een praktiserende homoseksueel beter zijn dan een dief?" de waardigheid van praktiserende homoseksuelen niet aangetast. De betreffende zin is dan niet meer dan een illustratie ter verduidelijking van de uitgedragen geloofsovertuiging. Gezien bovendien de grondrechtelijke vrijheden van godsdienst en van meningsuiting stond het verdachte vrij zijn geloofsovertuiging uit te dragen. De wijze waarop hij dat deed valt, zoals uit het voorgaande blijkt, binnen acceptabele proporties.

Nu er naar het oordeel van het hof geen sprake is van een beledigende uitlating in de zin van de artikelen 137c en 137e van het Wetboek van Strafrecht dient verdachte - alleen al om die reden - van het primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

7. Uit 's hofs hiervoor onder 6. weergegeven overweging volgt dat zijn vrijspraak zowel betrekking heeft op het in de tenlastelegging - primair - opgenomen opzetverwijt als het daarin - subsidiair - opgenomen culpaverwijt.(1) In beide gevallen heeft het hof klaarblijkelijk - en in essentie samengevat - zijn vrijspraken laten berusten op zijn oordelen:

(i) dat verzoekers uiting "Ja, waarom zou een praktiserend homoseksueel beter zijn dan een dief?", geïsoleerd beschouwd als beledigend kan gelden;

(ii) dat de gewraakte zin echter moet worden beoordeeld in samenhang met de context waarin deze uitlating is gedaan;

(iii) dat die context gevormd wordt door verdachtes uitleg van zijn geloofsovertuiging;

(iv) dat de gewraakte zin slechts een illustratie is die bedoeld is ter verduidelijking van verdachtes geloofsovertuiging;

(v) dat gelet op die context de aangehaalde zin de waardigheid van praktiserende homosexuelen niet aantast.

Het gerechtshof heeft bovendien eraan herinnerd dat het aan verdachte geoorloofd was zijn geloofsovertuiging uit te dragen en is tot de slotsom gekomen dat verdachte dat niet op onaanvaardbare wijze heeft gedaan. Vervolgens kwam het hof tot een vrijspraak omdat naar zijn oordeel geen beledigende uitlating door verzoeker is gedaan.

In cassatie moet derhalve worden onderzocht of dit samenstel van oordelen van juistheid getuigt.

8. Laat ik vooropstellen dat ik het oordeel van het hof deel, dat de uitlating, "Ja, waarom zou een praktiserend homoseksueel beter zijn dan een dief?" "op zich zelf, los van de context, als een beledigende uitlating wegens homoseksuele gerichtheid in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht zou zijn aan te merken". Deze uitlating tast op zichzelf beschouwd de waardigheid van homoseksuele mensen aan en brengt hen als groep in diskrediet.(2) Terzijde merk ik op dat, nu deze enkele uitlating vanwege haar inhoud so wie so als grievend zou kunnen worden bestempeld, verzoekers opzet tot deze belediging eveneens zou kunnen worden verondersteld.(3)

9. De vraag die dus meteen opdoemt is of er reden is, om aan te nemen dat op grond van de context waarin verzoekers woorden zijn geplaatst en de eventueel daarmee gepaard gaande (grondwettelijke) rechtsbescherming van verzoeker, het in beginsel beledigende karakter van die woorden in de zin van de artikelen 137c en 137e Sr daaraan komt te ontvallen.

10. Vermeulen heeft uit de jurisprudentie, mijns inziens met juistheid, een fundamentele eis gedestilleerd waaraan een beroep op geloofsbelijdenis dan wel op de vrijheid van meningsuiting moet voldoen wil het beledigend karakter komen te ontvallen: de uiting moet de godsdienstige overtuiging direct uitdrukken. "Uit de uiting zèlf moet op te maken zijn dat het gaat om het uitdragen van een godsdienstige of geloofsovertuiging; indien dat niet het geval is kan enkel de vrijheid van meningsuiting worden ingeroepen".(4) Ik voeg hier meteen aan toe dat de Hoge Raad inmiddels ook meermalen tot uitdrukking heeft gebracht dat de context van de uitlatingen van groot belang is; zo dienen passages in een geschrift in samenhang met de overige inhoud van dat geschrift, en ook gelet op de strekking daarvan, te worden gelezen.(5) Dat het om een godsdienstige of geloofsovertuiging gaat, kan dus óók direct uit de context van een geschrift worden opgemaakt.

Voorts benadrukt Vermeulen meermalen, mijns inziens eveneens op steekhoudende gronden, dat "de interpretatie die de betrokkene van de door hem ingeroepen religieuze of levensbeschouwelijke regels geeft uitgangspunt [dient] te zijn"(6) en dat verder van belang is dat "geloofsverkondiging - naar haar aard - veelal met zich brengt dat anders- of niet-gelovigen gekwetst worden; de verkondiger probeert immers anderen ervan te overtuigen dat hun godsdienst of levensovertuiging onjuist is, dat ze dwalen, zondigen etc. en zich - omwille van hun eigen heil - tot de waarheid (d.w.z. zijn waarheid) dienen te bekeren".(7)

Anders evenwel dan Vermeulen, meen ik niet dat het erop lijkt dat de (huidige) artikelen 137c en 137e Sr "de vrijheid van meer orthodoxe groeperingen om de traditionele sexuele moraal te verkondigen aantast", mede nu de wetgever zulks niet uitdrukkelijk heeft onderschreven, hetgeen Vermeulen zelf overigens eveneens uitdrukkelijk onderkent.(8) Ook meer orthodoxe gelovigen, of dit nu de Joodse traditie, de christelijke facties, de Islam of gelovigen van anderen huize betreft, hebben op grond van art. 6 GW een sterk recht om hun geloof - op enigerlei wijze - uit te dragen en te verkondigen.(9)

11. Ik keer terug naar de vraag of 's hofs interpretatie en kwalificatie van verzoekers uitlating, gelet op de context waarin deze is geplaatst, terecht in het beschermende kader van art. 6 GW is geplaatst.

12. In mijn ogen is dit, met overigens de nodige voorzichtigheid, wel het geval. 's Hofs oordeel dat verzoekers gewraakte uitspraak niet meer dan een illustratie is ter verduidelijking van verzoekers uitgedragen geloofsovertuiging, acht ik feitelijk en niet onbegrijpelijk. Verzoeker geeft weliswaar eerst aan wat de christelijke leer behelst, en ventileert vervolgens zijn wat persoonlijker kritiek op het werken met gradaties in Gods geboden, maar ook dat doet verzoeker klaarblijkelijk op grond van en in directe aansluiting op zijn geloofsbeleving. Immers, dat het om geloofsovertuiging gaat kan in casu direct uit de context van het op schrift gestelde interview worden opgemaakt. De laatste zin, die de telastelegging uit het interview citeert, staat in rechtstreeks verband tot de eerdere uitlatingen. Verzoeker ontdoet daarin de geboden Gods van hun door christenen aangebrachte nuanceringen en komt dan tot de retorische vraag waarom het ene verbod ("Gij zult niet stelen") zwaarder zou zijn dan het andere ("Gij zult geen onkuisheid doen"), waarom de een die het ene verbod schendt beter zou zijn dan degeen die het andere verbod aan zijn laars lapt.

Enige terughoudendheid acht ik bovendien wel op zijn plaats voor een rechter, die de lastige vraag of sprake is van een (zuivere) "geloofsverkondiging"(10) moet beantwoorden.(11) De grens tussen min of meer persoonlijke levensbeschouwelijke uitingen en (zuivere) geloofsverkondigingen is immers vaag en vloeiend. Wanneer op het eerste gezicht meer levensbeschouwelijke uitingen worden verpakt in een boodschap waarin ook de christelijke leer wordt verkondigd, krijgen die levensbeschouwingen al snel de kleur van een geloofsverkondiging.(12) Weliswaar blijft er, ook binnen een bredere context van (op de bijbel gestoelde) uitingen, ruimte bestaan voor een verklaring die van een strikt persoonlijke visie getuigt waarmee - op zichzelf genomen - niet met vrucht de bescherming van art. 6 GW kan worden inroepen,(13) maar in verzoekers zaak acht ik dit niet het geval. Kortom: 's hofs oordeel dat (i t/m iv) verzoekers gewraakte uiting gelet op de context waarin dit is gesteld een vorm van geloofsbelijdenis is geweest, houdt in cassatie stand.

13. Rijst nu de vraag of hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat (v) deze geloofsbelijdenis gelet op die context de waardigheid van homosexuelen niet aantast. In dit opzicht is van belang dat het grondrecht van geloofsverkondiging gelet op de wetsgeschiedenis van deze bepaling (in een situatie als de onderhavige) een sterk grondrecht is; zo heeft dit een beduidend sterkere horizontale werking dan het grondrecht van vrije meningsuiting.(14)

Verzoeker heeft gesteld dat zijn geloof de homoseksuele praxis verbiedt, zoals ook bijvoorbeeld stelen zondig is. Inhoudelijk voegt het gegeven voorbeeld niets toe aan de boodschap. Verzoeker heeft bijvoorbeeld niet gezegd dat alle praktiserende homoseksuelen misdadigers zijn, evenals dieven. De uitlatingen van verzoeker beperken zich, zoals gezegd, tot een uitleg van zijn religieuze overtuiging en verbinden daaraan geen conclusies die de perken van die overtuiging te buiten gaan.(15) Voor de waardering van de context acht ik ook wel van belang dat het gaat om een interview, waarbij het zaak is voor de vragende journalisten om aan de geïnterviewde prikkelende, ongewone, geruchtmakende antwoorden te ontlokken. De gemiddelde lezer zal zich van dit bijzondere karakter van de publikatie bewust moeten zijn en moeten bedenken dat zo een vraaggesprek meestal weinig ruimte voor genuanceerde uitleg biedt. De beperkingsclausule op art. 6 GW is derhalve mijns inziens niet in het geding.(16) De vergelijking van de homosexuele praktijk, als belichaming van zondig gedrag dat in strijd is met de geboden, met ander zondig gedrag, zoals het wegnemen van andermans eigendom, moet als toegevoegd, aan de Bijbel ontleend voorbeeld mijns inziens in zowel grondwettelijke als strafrechtelijke zin worden gesauveerd.

14. De Procureur-Generaal bij het hof te 's-Gravenhage schrijft in zijn cassatiemiddel wel dat het hof de bedoeling van verzoeker op de voorgrond heeft gesteld in plaats van de aard van de uitlating, maar het gerechtshof heeft terecht de context van de uitlating in zijn beschouwingen betrokken en heeft op grond daarvan geen beledigend karakter aangenomen. Het middel gaat ook uit van een verkeerde lezing van de overwegingen van het hof door te stellen dat verzoeker de Bijbelse terminologie heeft verlaten en aansluiting heeft gezocht bij eigentijdse strafrechtelijke begrippen. De steller van het middel voert dit punt kennelijk aan om de uitlatingen van verzoeker los te maken van hun geloofsachtergrond. In de overwegingen van het hof ligt evenwel besloten dat de gelijkstelling van praktiserende homosexuelen met praktiserende dieven enkel een illustratie was van de stelling van verzoeker dat het één niet minder een zonde is dan het andere. Ik waag ook te bestrijden dat verzoeker zich van typisch strafrechtelijke begrippen heeft bediend. Woorden als "stelen", "uitkeringen pikken" hebben een alledaagse, voor ieder begrijpelijke betekenis, nog daargelaten dat het verbod "Gij zult niet stelen" niet uitsluitend strafrechtelijke betekenis heeft.

15. 's Hofs oordeel dat er geen sprake is van een beledigende uitlating in de zin van de artikelen 137c en 137e van het Wetboek van Strafrecht, acht ik dan ook juist. Het geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting van "beledigend" in de zin van de genoemde strafrechtsbepalingen. Dat de desbetreffende uitingen - op zijn zachtst gezegd - homoseksuelen uiterst onaangenaam zullen hebben getroffen, kan hieraan in strafrechtelijke zin niet afdoen.

16. Nu 's hofs vrijspraken naar mijn oordeel zuiver zijn, acht ik het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk. Derhalve zal de Hoge Raad evenmin in kunnen gaan op het namens de beledigde partijen ingediende middel.

17. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaart in diens cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Vgl. (de conclusie van A-G Meijers vóór) HR NJ 1987, 534, m.nt GEM.

2 MvA, Kamerstukken II 1969-1970, 9724, nr. 6, p. 5.

3 NLR, aant. 5 op art. 261 Sr.

4 B.P. Vermeulen, artikel 6, in: Akkermans/Koekoek, De Grondwet, Een artikelsgewijs commentaar, tweede druk, p. 124.

5 Zie onder meer HR NJ 1991, 313, rov. 5.3 en de conclusie van A-G Leijten; HR NJ 1990, 667, m.nt, 't H en HR NJ 1986, 689.

6 B.P. Vermeulen, t.a.p., p. 127.

7 B.P. Vermeulen, t.a.p., p. 140. Zie voor dit problematische karakter van de geloofsverkondiging ook N.L.R., aant. 9 op art. 137c Sr en Janssen, (diss.), p. 394-396.

8 B.P. Vermeulen, t.a.p., p. 124.

9 Vgl. EHRM, NJ 1998, 359, m.nt. EJD; HR (eerste kamer) AB 1984, 366 m.nt. FHvdB / HR (eerste kamer) NJ 1985, 350, m.nt. EEA.

10 Vgl. op dit punt rov 6 van het hof, dat zich aansloot bij de President in kort geding, in de civiele zaak tegen "de Goerees", naar aanleiding waarvan de Hoge Raad (eerste kamer) zijn in HR NJ 1991, 289, m.nt. EAA. gepubliceerde arrest heeft gewezen.

11 Zie de noot van Alkemade in de civiele zaak tegen "de Goerees", naar aanleiding waarvan de Hoge Raad (eerste kamer) zijn in HR NJ 1991, 289, m.nt. EAA. gepubliceerde arrest heeft gewezen. De annotator bij deze uitspraak getuigt ervan enige moeite te hebben met het feit dat "de rechter zo wel heel dicht bij de vraag wat tot de geloofsverkondiging kan worden gerekend"..

12 Zie de - op dit punt kritische - noot van 'tH, rubriek 5, bij HR NJ 1992, 568 en de aldaar genoemde jurisprudentie.

13 Zie HR NJ 1986, 689, m.nt. 't H, en in het bijzonder rubriek 3. en 4 in deze noot, waarin een heldere (semantische) analyse wordt gegeven van het - niet steeds doorslaggevende - belang van de context van beledigende uitlatingen..

14 B.P. Vermeulen, t.a.p., p. 134-141, m.n. p. 134-135, nt. 179.

15 Zie het arrest van het gerechtshof Arnhem, nr. 6 in HR NJ 1991, 289, waar sprake was van kennelijk onjuiste en onzorgvuldige suggesties van verbanden tussen homosexualiteit en AIDS..

16 Anders - in civilibus - in het bijzonder HR NJ 1991, 289 en ook HR NJ 1988, 702