Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:ZD1671

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-01-2000
Datum publicatie
16-01-2020
Zaaknummer
112.067P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:ZD1671
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36e
Wetboek van Strafvordering 338
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 511f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOW 2000, 1
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 112.067 P

Zitting 2 november 1999

Mr. Jörg

Conclusie inzake:

[betrokkene]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gerechtshof te Arnhem heeft op 6 oktober 1998 verzoekster veroordeeld tot het betalen van twintigduizend gulden aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, te vervangen door honderdtwintig dagen hechtenis.

2. Namens verzoekster heeft mr R. Zilver, advocaat te Wijk bij Duurstede, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over een door het hof gebezigd bewijsmiddel waarop de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd. Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou het hof ten onrechte gebruik hebben gemaakt van kasboeken en notities welke, volgens een uitdrukkelijk ter terechtzitting gevoerd verweer, volgens een uitdrukkelijk ter terechtzitting gevoerd verweer, onbetrouwbaar zouden zijn. Gezien dit verweer zou het hof nader hebben moeten motiveren waarom het zich bij de berekening van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel desondanks op deze kasboeken en notities heeft gebaseerd.

4. Aan dit verweer van de raadsman is blijkens het proces-verbaal der terechtzitting in hoger beroep het volgende voorafgegaan:

‘’Verdachte, door de voorzitter ( ) ondervraagd, verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb niets te maken met handel in drugs en wens verder niets te verklaren (p. 2).

Verdachte verklaart ( ):

( ) Er wordt gekeken naar de administratie van [betrokkene 1] , maar hij heeft niet alles netjes op een rijtje staan, het is dus raar dat daarvan wordt uitgegaan’’ (p. 3).

5. Zonder op te merken dat deze laatste opstelling van verzoekster zich niet zonder meer met de eerste laat rijmen, deelt de voorzitter daarop mede:

‘’Een kastekort is alleen maar in het voordeel van verdachte. [betrokkene 1] ( ) heeft ook nog gezegd dat verdachte en hij samen f 40.000,- in het huis hebben gestoken. Dit zou ieder voor f 20.000,- zijn, het bedrag dat de politie heeft berekend aan wederrechtelijk verkregen voordeel. De politie is voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van de tijd waarin de administratie is bijgehouden, dit is van 28 november 1995 tot 11 maart 1996, terwijl de handel liep van 1 mei 1995 tot 29 maart 1996. Deze laatste periode heeft de officier van justitie bij de berekeningen aangehouden’’ (p. 3-4).

Hierna volgen de opmerkingen van de raadsman omtrent de onbetrouwbaarheid van de administratie van [betrokkene 1] .

6. Waar is dat het hof niet expliciet in zijn beslissing heeft gemotiveerd waarom het desondanks heeft gemeend het proces-verbaal waarin door de verbalisant een berekening is gemaakt op basis van de administratie van [betrokkene 1] . voor het bewijs van de omvang van het wederrechtelijk genoten voordeel te mogen bezigen.

7. Naar mijn oordeel behoefde het hof dit in het licht van wat het wèl deed ook niet expliciet te doen.

In de eerste plaats is het bestreden proces-verbaal niet het enige bewijsmiddel dat de omvang van het voordeel bewijst.

In de tweede plaats is het zo dat de voorzitter van het gerecht reeds bij de behandeling van de ontnemingsvordering heeft aangegeven hoe een eventueel kastekort kan worden geduid; welk bedrag de mededader als gezamenlijk genoten voordeel heeft opgegeven; en dat de periode waarop de vordering betrekking heeft en waarin het voordeel zou zijn behaald, ruimer is dan de periode waarover de (beweerdelijk onnauwkeurige) administratie is bijgehouden.

8. Wanneer deze mededelingen van het hof tezamen met de (ongenummerde) bewijsmiddelen, bevattende de verklaring van [betrokkene 1] . (p. 4- 6 van het arrest) en het relaas van verbalisant (p. 6) in aanmerking worden genomen meen ik dat voldoende op het verweer is gerespondeerd.

9. Meer in detail kan immers worden gezegd dat de toelichting op het middel er ten onrechte vanuit gaat dat het wederrechtelijk verkregen voordeel hoofdzakelijk is geschat aan de hand van de genoemde kasboeken en notities. De bewijsconstructie geeft anders aan. Verder heeft, zoals de voorzitter ter terechtzitting aangaf, getuige [betrokkene 1] . ook verklaard dat verzoekster en hij veertigduizend gulden van de gemaakte winst in hun huis hebben gestoken. Deze verklaring, opgenomen in het eerste hierboven genoemde bewijsmiddel luidt:

‘’Er werd natuurlijk winst gemaakt door ons. Een groot deel van deze winst is in ons nieuwe huis gestoken. ( ) Ik denk dat er ongeveer f 40.000,- in het huis is gestoken.’’

10. Het door het hof geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt de helft van dit bedrag, zijnde verzoeksters aandeel in de winst (die volgens [betrokkene 1] . gezamenlijk evenredig werd gedeeld) en die blijkens [betrokkene 1] ’ verklaring hoger was dan wat in hun huis werd gestoken. Met andere woorden: het werkelijke voordeel is eerder hoger dan lager geweest. Dat dat voordeel aan de hand van de verkoop van softdrugs is behaald wordt ondersteund door de kasboeken en notities waaruit in ieder geval blijkt dat voor ruim een kwart miljoen gulden aan softdrugs is verkocht.

11. Het middel mist feitelijke grondslag en faalt derhalve.

12. Het tweede middel klaagt over schending van het recht om binnen redelijke termijn te worden berecht. De toelichting op het middel valt in twee klachten uiteen.

13. Allereerst klaagt de toelichting op het middel over de overschrijding van de redelijke termijn in de appèlfase. Tussen het instellen van hoger beroep en de eerste behandeling ter terechtzitting van het hof zijn bijna zeventien maanden verstreken.

14. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep is dit punt niet door verzoekster of haar raadsman naar voren gebracht. Het middel kan reeds niet slagen omdat een dergelijk verweer niet met succes voor het eerst in cassatie kan worden opgeworpen (HR 16 maart 1993, NJ 1993, 673 rov. 5.2. m.nt. ThWvV).

15. Ten tweede klaagt de toelichting op het middel over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Deze klacht faalt omdat de stukken nog geen vier maanden nadat beroep in cassatie was ingesteld ter griffie van Uw Raad zijn ingekomen (HR 22 september 1998, NJ 1998, 814 rov. 4.2.) en de eerste behandeling ter terechtzitting van Uw Raad plaatsvond toen nog geen elf maanden sinds het instellen van beroep in cassatie waren verstreken. Het middel is ondeugdelijk.

16. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen, zodat ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,