Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA9971

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2000
Datum publicatie
13-02-2001
Zaaknummer
1295
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA9971
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 1295

mr Wattel

Derde Kamer B

Onteigening

Zitting, 14 juli 2000

Conclusie inzake:

1. [Eiser 1]

2. [Eiser 2]

3. [Eiser 3]

tegen

Gemeente Eindhoven

Edelhoogachtbaar College,

1 Feiten, procesverloop en geschil

1.1 De Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben het bestemmingsplan Meerhoven van de gemeente Eindhoven goedgekeurd, welk plan voorziet in de bouw van 7000 woningen aan de westkant van de gemeente Eindhoven.

1.2 Binnen het gebied van dit bestemmingsplan had de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie) gronden in eigendom die waren ingericht ten behoeve van de luchtmacht: het terrein van het Technisch Areaal (wat dat ook moge zijn).

1.3 De Gemeente is met de Staat overeengekomen dat de Staat het terrein van het Technisch Areaal overdraagt aan de Gemeente voor de uitvoering van het bestemmingsplan Meerhoven. Tegenover die overdracht staat onder meer dat de Gemeente de verplichting op zich neemt de grond grenzend aan vliegveld Welschap aan de Staat over te dragen. Hiertoe is voor het terrein dat grenst aan vliegveld Welschap het bestemmingsplan Welschap-D vastgesteld, welk plan eveneens is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant.

1.4 Omdat de tijdige verwerving van de niet bij de gemeente in eigendom zijnde, aan de Staat over te dragen gronden in het gebied van het bestemmingsplan Welschap-D onvoldoende verzekerd was, heeft de Gemeente besloten tot onteigening van onder meer het perceel kadastraal bekend Gemeente Strijp Sectie [..] nr [..], kadastraal omschreven als bouwland, van welk perceel eisers in cassatie (hierna ook: [eiser] c.s.) als eigenaren zijn aangewezen.

1.5 [Eiser] c.s. hebben hun bezwaren tegen de onteigening ook in de administratieve procedure naar voren gebracht. Voor de Rechtbank 's-Hertogenbosch voeren zij deze bezwaren wederom aan.

1.6 De Rechtbank heeft bij vonnis van 11 februari 2000, nr. 99/1719, de onteigening(1) uitgesproken van het in § 1.4 bedoelde perceel.

1.7 De Rechtbank heeft bij bovenvermeld vonnis drie deskundigen benoemd ter opneming van de ligging en de gesteldheid van het te onteigenen perceel en ter begroting van de schade door de onteigening aan eisers in cassatie en derde belanghebbenden veroorzaakt of te veroorzaken en iedere verdere beslissing aangehouden.

1.8 [Eiser] c.s. stellen twee middelen van cassatie voor. Het eerste middel bestrijdt dat de onteigening een doel heeft dat door de Onteigeningswet wordt gedekt en betoogt dat er geen noodzaak (meer) is. Het houdt in dat de Kroon het raadsbesluit tot onteigening in redelijkheid niet goed kon keuren,

"nu immers de opgeworpen bedenking juist inhield dat het bestemmingsplan Welschap-D ten behoeve waarvan onteigend wordt, niet (langer) het volkshuisvestingsbelang dient omdat de daarin geplande situering van het Technisch Areaal, waarvan de verplaatsing nodig was om op de eerdere locatie daarvan in het belang van de volkshuisvesting de wijk Meerhoven te kunnen realiseren, door het inmiddels naar elders verplaatst zijn van dat Technisch Areaal niet meer nodig is, welke bedenking door het in het Koninklijk Besluit overwogene dat het door de Staat aan grond en gebouwen van het Technisch Areaal-complex geleden verlies "gecompenseerd dient te worden" en dat "met de uitvoering van het onderhavige bestemmingsplan dan ook een publieke taak van de gemeente Eindhoven (wordt) uitgeoefend" niet wordt weerlegd, immers eerstens (i) is het compenseren van een dergelijk, door de Staat geleden verlies als zodanig niet een publieke taak van de Gemeente, op grond waarvan tot onteigening kan worden besloten, terwijl daarnevens (ii) middels de overweging dat het hier een publieke taak van de Gemeente betreft, niet wordt weerlegd dat het volkshuisvestingsbelang niet door de onderwerpelijke onteigening wordt gediend."

Volgens [eiser] c.s. dient de onteigening niet langer het belang van de volkshuisvesting. Deze stelling is volgens hen niet (voldoende) weerlegd door de Rechtbank. De situering van het Technisch Areaal in het bestemmingsplan is inmiddels veranderd. De aanvankelijke situering werd geacht het belang van de volkshuisvesting te dienen. Een andere feitelijke invulling van het plan is niet eveneens in het belang van de volkshuisvesting.

1.9 Het tweede middel bestrijdt eveneens de noodzaak van de onteigening, nu op de grond dat de Gemeente, door met de Staat (Defensie) een overeenkomst te sluiten tot grondcompensatie voor het afstaan, door de Staat, van zijn grond in Meerhoven, zelf de noodzaak heeft gecreëerd voor de onteigening, hetgeen de onteigening onvoldoende legitimeert. De Rechtbank heeft deze grief niet weerlegd. Voorts voeren [eiser] c.s. aan dat de overeenkomst tussen de Gemeente en de Staat impliceert dat de Staat niet rechtstreeks in onderhandeling treedt met de eigenaren van de gronden. Minnelijke verwerving door de Staat wordt daarmee onmogelijk gemaakt. De Rechtbank hecht er volgens [eiser] c.s. in haar vonnis ten onrechte betekenis aan dat de overeenkomst geen onderhandelingsverbod omvat. Volgens [eiser] c.s. komt het daar feitelijk wel op neer omdat het convenant in feite in de weg staat aan rechtstreekse onderhandelingen. De Rechtbank heeft daarom een onjuiste maatstaf gehanteerd.

1.10 De Gemeente merkt in punt 6 van haar schriftelijke toelichting voor de Hoge Raad op dat [eiser] c.s. de eigendom van het te onteigenen perceel hebben verkregen middels akte van levering van 26 juni 1997.(2)

1.11 Er is een zeker verband met de momenteel bij u onder nr 1291 aanhangige zaak (Van de Ven/Eindhoven), die eveneens een onteigening in het kader van bestemmingsplan Welschap D betreft. In die zaak zijn echter - anders dan in casu - geen bezwaren in de administratieve fase ontwikkeld. In die zaak worden voorts meer en (daardoor ook) andere klachten ontwikkeld. De overlap met de onderhavige zaak zit met name in de klachten 2 en 5 in die andere zaak.

2 Het eerste middel; geen noodzaak

2.1 Het eerste middel houdt in dat niet is voldaan aan het noodzaakcriterium voor onteigening omdat een volkshuisvestingsbelang ontbreekt en het Technisch Areaal van Defensie reeds elders - buiten het gebied van Welschap D - gerealiseerd is.

2.2 In de zaak "Strijpse Kampen"(3) overwoog u over de taak van de rechter in onteigeningszaken:

"4.2.2. De wetgever heeft in de Onteigeningswet aan de burgerlijke rechter die zich over de vordering tot onteigening moet uitspreken, (...) een nauwkeurig afgebakende taak opgedragen. Tot die taak behoort niet de beoordeling van de vraag naar het algemene nut van het voorgenomen werk en de omvang daarvan, naar de plaats waar het werk tot uitvoering moet komen, naar de voor de uitvoering van dat werk benodigde grond met nauwkeurige aanwijzing van de desbetreffende terreinen en - behoudens hetgeen hierna in 4.2.3 daaromtrent zal worden overwogen - naar de noodzaak om tot onteigening over te gaan, noch de afweging van de bij dit een en ander betrokken belangen, met name het algemene belang tegenover het door de onteigening te treffen individuele belang van de bij die terreinen belanghebbenden; de beoordeling van die vragen is overgelaten aan het bestuur. Met dit wettelijke stelsel is een zelfstandige beoordeling van voormelde vragen door de onteigeningsrechter naar het tijdstip van zijn uitspraak in strijd. Weliswaar brengt het bepaalde in artikel 6 EVRM mee dat, voorzover door dit stelsel wordt tekortgedaan aan de in dat verdragsartikel bedoelde waarborgen, de Onteigeningswet buiten toepassing moet blijven, doch artikel 6 dwingt niet tot een verdergaande inbreuk op evenbedoeld wettelijk stelsel dan dat de rechter de rechtmatigheid van (het besluit tot goedkeuring van) het onteigeningsbesluit dient te toetsen en wel naar de situatie ten tijde van het (goedkeurings)besluit, zulks op grondslag van de tegen de onteigening gerichte bezwaren welke reeds in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande procedure bij het bestuur naar voren zijn gebracht. Voormelde verdragsbepaling dwingt de onteigeningsrechter dan ook niet tot een beoordeling van nieuwe bezwaren tegen de onteigening dan wel tot een beoordeling van nieuwe feiten, welke worden aangevoerd ter ondersteuning van reeds door het bestuur verworpen bezwaren, een en ander naar het tijdstip van zijn uitspraak.

4.2.3. Voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter van de noodzaak tot onteigening naar het tijdstip van zijn uitspraak is wèl plaats indien hetgeen de gedaagde aanvoert met betrekking tot de noodzaak van onteigening, zo dat juist wordt bevonden, meebrengt dat de onteigening in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij in strijd is met het recht omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt (vgl. HR 10-8-1994, nr. 1172, NJ 1996, 35) of omdat tengevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een bestemmingsplan of enig ander aan de onteigeningswet ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering van dat plan (vgl. HR 25-5-1988, nr. 1088, NJ 1988, 927)."

2.3 In casu is geen sprake van "na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij" die ertoe leiden dat de onteigening "niet meer geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit wordt onteigend". De omstandigheden waren immers bekend en zijn ook voor het voetlicht gebracht bij de Kroon. Ook de vraag of "tengevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een bestemmingsplan of enig ander aan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering van dat plan", moet ontkennend beantwoord worden. Het gaat immers nog steeds om uitvoering van de bestemming "militair luchtvaartterrein", al is mogelijk de verplaatsing van Meerhoven naar Welschap D door Defensie aangegrepen tot een herschikking van activiteiten, met name van die welke plaatsvonden op het "Technisch Areaal".

2.4 De vraag of de onteigening in overeenstemming is met het bestemmingsplan waarvoor wordt onteigend, wordt zelfstandig en volledig door de onteigeningsrechter beoordeeld. Dit geldt ook als de bezwaren niet reeds in de administratieve fase naar voren zijn gebracht (hetgeen in casu overigens wel gebeurd is):(4)

"3.6. Het door de rechtbank niet naar de inhoud onderzochte betoog van Semler houdt onmiskenbaar in dat het (besluit tot goedkeuring van het) onteigeningsbesluit in strijd is met de wet, omdat de voorgenomen onteigening niet geschiedt ten behoeve van de uitvoering van het gewijzigde bestemmingsplan, dat immers niet voorziet in de bouw van bergingen ten behoeve van appartementen. Voor de beantwoording van de vraag of het onteigeningsbesluit aldus in strijd is met de wet, is toetsing van de aan dat besluit ten grondslag liggende belangenafweging niet aan de orde, zodat er geen reden bestaat in het algemeen te verlangen dat de voor beantwoording van die vraag aangedragen argumenten reeds tijdig in de procedure voorafgaand aan het onteigeningsgeding naar voren zijn gebracht. De onteigeningsrechter dient, indien een verweer van de hierbedoelde strekking wordt gevoerd, daaromtrent een gemotiveerde beslissing te geven, ongeacht of de in het kader van dat verweer aangevoerde argumenten ook reeds tijdig in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande procedure naar voren zijn gebracht. (...)

3.7. (...) De stukken van het geding en het vonnis van de Rechtbank laten geen andere conclusie toe dan dat het hier slechts om een mogelijkheid gaat tot gebruik van een zeer klein deel van het gebouw, die wegens haar ondergeschikte betekenis niet afdoet aan de aard en inrichting van dat gebouw als parkeergarage in de zin van artikel 20A onder c van de planvoorschriften, te weten: een gebouw "dienende als stallingsruimte voor motorvoertuigen". Op grond van het voorgaande is derhalve niet de gevolgtrekking gerechtvaardigd dat het volgens het onteigeningsbesluit op te richten gebouw geen parkeergarage is en derhalve evenmin de gevolgtrekking dat de onteigening niet geschiedt ter uitvoering van het gewijzigde bestemmingsplan. (...)"

De A-G Loeb concludeerde:

"dat een ingevolge de regeling van art. 84, lid 3, Ow. niet door de Kroon beoordeeld bezwaar tegen het oordeel van de raad over de noodzaak tot onteigening (...), alsook een voor het eerst in het onteigeningsgeding naar voren gebracht bezwaar (...) alleen dan door de onteigeningsrechter kan worden beoordeeld, wanneer het de afweging van belangen, die aan (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit ten grondslag ligt, niet aan de orde stelt. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat de onteigeningsrechter zich over de belangenafweging zou hebben uit te spreken naar aanleiding van feiten en omstandigheden, die de raad en/of de Kroon niet bekend waren en niet bekend hoefden te zijn, toen zij tot hun onderscheiden belangenafwegingen kwamen en dat zou de onteigeningsrechter op de stoel van het bestuur zetten."

PCEvW annoteerde:

"dat de gewone rechter het KB desgevorderd moet toetsen, maar zulks "slechts" op zijn rechtmatigheidsaspecten. Anders komt dit te liggen indien zich in de periode tussen het KB en het gebruik door de gemeente van de onteigeningstitel die dit KB immers behelst, veranderingen voordoen in het onderliggend bestemmingsplanregiem, dat dus waarop die titel juist is gebaseerd en ter fine van de verwezenlijking van welk bestemmingsplan onteigend wordt. De onteigening moet noodzakelijk zijn en is dat niet indien er "tijdens de rit", sedert het KB een discrepantie is ingetreden in die zin dat aan het plan is gesleuteld of dat er anderszins onteigend wordt voor iets anders dan het KB "toestaat". Hoe gering de bedoelde discrepantie kan zijn om tot een negatief toetsingsresultaat te kunnen leiden, wijst het (...) arrest Gemeente Hardinxveld-Giessendam/Van de Bree(5) wel uit.

(...)

Tenslotte nog een opmerking van meer systematische aard; de "grondregel" luidt dus als volgt: alleen toetsing van bezwaren die in de administratieve procedure al aan de orde waren, behalve als ze van een ander type zijn en niet passen binnen het kader van een belangenafweging. Zulk een stelsel is eigenlijk het normale in het bestuurs- en het ruimtelijk ordeningsrecht. Men stappe in op het station van vertrek, zo niet dan mist men de trein definitief: er vertrekt geen volgende en men kan ook niet op een latere halte instijgen. Men vindt dit principe voor het algemene bestuursrecht terug in art. 6:11 Awb en voor het ruimtelijk ordeningsrecht in art. 27, eerste lid WRO voor de gewone bestemmingsplanprocedure."

2.5 De bezwaren van [eiser] c.s. op dit punt zijn door de Kroon in haar KB van 14 januari 1999(6) als volgt verworpen:

"Voor zover de reclamanten stellen dat de gebouwen, die naar de mening van de reclamanten gepland waren op onder meer hun grond, reeds elders zijn gerealiseerd, overwegen Wij dat uit het ter zake ingestelde onderzoek, alsmede uit de overgelegde stukken is gebleken dat het verlies van de Staat aan zowel grond als gebouwen van het Technisch Areaal-complex - ten behoeve van de VINEX-locatie Meerhoven - gecompenseerd dient te worden."

(...)

"Wij benadrukken te dien aanzien dat het onderhavige bestemmingsplan onder andere strekt tot compensatie van het verlies van zowel grond als gebouwen van het Technisch Areaal-complex, ten behoeve van de VINEX-lokatie Meerhoven. Met de uitvoering van het onderhavige bestemmingsplan wordt dan ook een publieke taak van de gemeente Eindhoven uitgeoefend."

2.6 De Kroon overwoog voorts:

"Zonder deze grondtransacties [tot verplaatsing van het Technisch Areaal, PJW] zal de VINEX-locatie Meerhoven niet (verder) ontwikkeld kunnen worden. De keuze van de lokatie waarnaar het Technisch Areaal zal worden verplaatst is overigens een planologisch aspect. Uit het ter zake ingestelde onderzoek is naar voren gekomen dat op de vliegbasis Eindhoven de luchttransportfunctie van de Koninklijke Luchtmacht zal worden geconcentreerd. Het inmiddels op de vliegbasis gevestigde luchttransportsquadron, dat onder meer een humanitaire hulpverleningstaak heeft, dient zo spoedig mogelijk operationeel te kunnen zijn. Gelet op het vorenstaande is het naar Ons oordeel duidelijk dat de defensieve bestemming een algemeen belang is. (...) Met de uitvoering van het onderhavige bestemmingsplan wordt dan ook een publieke taak van de gemeente Eindhoven uitgeoefend."

2.7 De Rechtbank overwoog op dit punt:

(5.5.1) "Eiseres heeft gemotiveerd bestreden dat de bestemmingen van het bestemmingsplan Welschap-D niet zullen worden gerealiseerd. Zij heeft een indelingsschets van het noordelijk gebiedsdeel van de vliegbasis Eindhoven, behorend bij het besluit van B&W van Eindhoven d.d. 7 april 1998, overgelegd, waarop is aangegeven dat in het plangebied van Welschap-D een radarbult, een HIPIR-cirkel en, deels op het perceel van gedaagden, een oefengebied voor geleide wapens en een uitbreiding ten behoeve van logistieke/operationele ondersteuning is gepland, welke voorzieningen samenhangen met de verplaatsing van het Technisch Areaal en welke voorzieningen passen in de bestemming "militair luchtvaartterrein".

5.5.2. Uit de door gedaagden overgelegde stukken blijkt dat de bestemmingen aangewezen in het bestemmingsplan Welschap-D zijn:

- militair luchtvaartterrein;

- militaire randzone;

- water met ecologische verbindingszone;

- wonen;

- openbare weg.

Veruit het grootste deel van het gebied dat door het plan wordt bestreken heeft de bestemming "militair luchtvaartterrein".

(...)

5.5.3. Ook indien juist is hetgeen gedaagden hebben aangevoerd, dat enkele voorzieningen die aanvankelijk in het gebied waarop het plan Welschap-D betrekking heeft, waren gepland, daar thans niet meer zijn voorzien, is daarmee niet gegeven dat de bestemming "militaire luchtvaartterrein" ter plaatse niet wordt gerealiseerd."

2.8 Het komt mij voor dat aldus voldoende gemotiveerd is dat er voldoende publiek belang en voldoende noodzaak voorhanden is. Het oordeel dat Defensie niet in natura (grond) gecompenseerd hoefde te worden, ook niet ten behoeve van de luchttransportfunctie en voor het kunnen aanleggen van een radarbult, komt niet aan de onteigeningsrechter toe, tenzij de tegengestelde beslissing in redelijkheid niet door de Kroon genomen kon worden. De toetsing door de rechter van bezwaren die de afweging van de bij het besluit betrokken belangen betreffen, dient zich nu eenmaal, behoudens de hierboven bedoelde noodzaaktoetsing, te beperken tot de vraag of de Kroon bij die afweging in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat het in de dagvaarding beschreven perceel in het publiek belang ten name van de gemeente voor de realisering van het bestemmingsplan, en te algemenen nutte dient te worden onteigend.(7) U zie ook de conclusie van de A-G Moltmaker voor HR 25 mei 1988, nr. 1088, NJ 1988, 927 m.nt. MS onder NJ 1988, 928; NJO 1988/7:

"4.4. Voorzover bij de totstandkoming van de onteigeningstitel elementen van overheidsbeleid een rol spelen kan deze titel naar mijn mening door de onteigeningsrechter slechts marginaal worden getoetst: kon de overheid bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot dit besluit komen. Vgl. HR 24 jan. 1986, NJ 1986, 746, m.nt. PAS en (betreffende de onverbindendheid van lagere wetgeving) HR 16 mei 1986, NJ 1987, 251, m.nt. MS (Landbouwvliegersarrest), waarover o.m. O. de Savornin Lohman, Regelmaat 1988, p. 2 e.v. Voor zover uit het Aral-arrest (HR 6 febr. 1987, RvdW 1987, 49 NJ 1988, 926) zou mogen worden afgeleid dat Uw Raad daar een volledige toetsing op het oog heeft, geldt die beslissing i.c. in zoverre niet, dat het daar een door de burgerlijke rechter te beoordelen geschil betrof, dat reeds eerder door de Kroon (als administratieve rechter) was beslist. Dat de burgerlijke rechter dit geschil dan opnieuw ten volle zelfstandig moet beoordelen ligt voor de hand. Bij de beoordeling door de onteigeningsrechter van een administratieve beleidsbeslissing van de Kroon is dat niet het geval. De rechter zou dan plaatsnemen op de stoel van de administratie."

2.9 Ik meen, in het licht van het bovenstaande, dat het oordeel van de rechtbank geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en voldoende gemotiveerd is.

2.10 Daar komt bij dat

(a) de litigieuze onteigening niet het volkshuisvestingsbelang hoeft te dienen. De bestemmingsplanonteigening (art. 77 Ow) staat in Titel IV Ow. Het opschrift van deze titel luidt: "Over onteigening in het belang van de ruimtelijke ontwikkeling en van de volkshuisvesting". De ruimtelijke ontwikkeling van de Gemeente Eindhoven is met de verplaatsing van het Defensieterrein gediend, en

(b) er in casu onmiskenbaar een indirect volkshuisvestingsbelang gediend wordt, nu het bestemmingsplan Welschap-D is opgesteld om de VINEX-lokatie Meerhoven te kunnen realiseren.

2.11 Mijns inziens faalt het eerste middel.

3 Het tweede middel; de overeenkomst tussen Gemeente en Defensie

3.1 De tweede klacht van [eiser] c.s. houdt in de eerste plaats in dat de overeenkomst tussen de Gemeente en de Staat aan rechtstreekse onderhandelingen door [eiser] c.s. met de Staat in de weg staat. De Staat heeft bij dergelijke onderhandelingen geen belang (hij krijgt de gronden toch wel van de Gemeente) en zal zich dus niet tegen de Gemeente willen laten uitspelen. Hierdoor heeft de Gemeente zichzelf in de positie gebracht dat ze moet onteigenen om haar afspraak met de Staat na te kunnen komen.

3.2 De Rechtbank overwoog op dit punt:

(5.9) "De enkele omstandigheid dat de gemeente zich met het sluiten van dat convenant [met de Staat, PJW] heeft verplicht tot levering van het onderhavige perceel aan de Staat, brengt als zodanig niet met zich dat de gemeente het onmogelijk heeft gemaakt dat de Staat als uiteindelijk beoogde eigenaar van die grond deze op minnelijke wijze van [[eiser] c.s.] zou verwerven. Het moge zo zijn dat [[eiser] c.s.] van hun bereidheid tot onderhandelen met de Staat aan het Ministerie van Defensie en de gemeente hebben blijk gegeven, en dat het Ministerie niet tot onderhandelen bereid is gebleken, maar [[eiser] c.s.] hebben niet gesteld - en dat is hier van belang - dat het Ministerie niet met hen heeft willen onderhandelen vanwege een met de gemeente dienaangaande gemaakte afspraak, en van een dergelijke afspraak is ook niet gebleken."

3.3 [Eiser] c.s. zijn van oordeel dat het onderhavige convenant feitelijk gelijkgesteld kan worden met een verbod voor de Staat om rechtstreeks met hen te onderhandelen. Dat een dergelijk verbod aan de rechtmatigheid van de onteigening in de weg kan staan, volgt uit uw arrest in de zaak Koopmans/Leeuwarden:(8)

"3.5. Uitgangspunt (...) moet zijn dat overeenkomstig de strekking van de Onteigeningswet slechts dan onteigening kan plaatsvinden wanneer de noodzaak daartoe bestaat. Voor zover een oordeel daaromtrent toetsing vereist van de aan (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit ten grondslag liggende belangenafweging kan in een onteigeningsgeding in het algemeen slechts acht worden geslagen op bezwaren die door de gedaagde of een tussenkomende partij in de procedure voorafgaand aan het onteigeningsgeding tijdig naar voren zijn gebracht. Op voormelde noodzaak betrekking hebbende bezwaren daarentegen, die zozeer aan de rechtmatigheid van de onteigening in de weg staan dat belangenafweging als hiervoor bedoeld niet aan de orde komt, kunnen ook indien zij niet in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande procedure naar voren zijn gebracht aan de onteigeningsrechter worden voorgelegd.

3.6. De weigerachtigheid van het MCL vormt een zodanig bezwaar indien (...) die weigerachtigheid haar grond vindt in een door het MCL met de Gemeente reeds voor het Koninklijk Besluit van 8 december 1992 gemaakte afspraak dat het MCL met betrekking tot de verwerving van de grond niet rechtstreeks met Koopmans c.s. in contact zou (mogen) treden.

3.7. Immers, door een afspraak als de door Koopmans c.s. gestelde kon de aan de grond van Koopmans c.s. bij het onderhavige bestemmingsplan gegeven bestemming niet door het MCL worden verwezenlijkt dan nadat de Gemeente die grond van Koopmans c.s. had verworven. Hieruit volgt dat de Gemeente door die afspraak met het MCL te maken zich zelf in de positie heeft gebracht die grond - zo nodig - te moeten onteigenen.

3.8. In een dergelijk geval komt aan de onteigenende partij niet een beroep op de noodzaak tot onteigening toe omdat niet kan worden aanvaard dat naar de bedoeling van de wetgever het middel van onteigening ook met het oog op die situatie is gegeven.

3.9. Door voorbij te gaan aan de door Koopmans c.s. gestelde afspraak tussen de Gemeente en het MCL heeft de Rechtbank ervan blijk gegeven niet te hebben onderkend dat Koopmans c.s. hiermee een bezwaar tegen de rechtmatigheid van de onteigening van hun grond aan de orde hebben gesteld van dien aard dat het ook nog in het onteigeningsgeding naar voren kan worden gebracht."

Na verwijzing moest de vraag beantwoord worden of de weigerachtigheid van het MCL om rechtstreeks met Koopmans c.s. te onderhandelen, voortkwam uit een afspraak van het MCL met de gemeente. Uiteindelijk kwam dit punt niet meer aan de orde omdat het MCL inmiddels de grond toch nog rechtstreeks van Koopmans c.s. had verworven.

3.4 In de onderhavige zaak hebben [eiser] c.s. niet gesteld dat de Staat met de Gemeente heeft afgesproken dat de Staat niet zelf met [eiser] c.s. zal onderhandelen. Het feit dat het Ministerie van Defensie niet met [eiser] c.s. heeft willen onderhandelen (zich niet heeft willen laten uitspelen en het wellicht wel prima vond dat de gemeente alle rompslomp opknapte, kortom: achterover leunde) is op zichzelf niet voldoende om de onteigening onrechtmatig te oordelen. Bovendien verschilt de zaak Koopmans/Leeuwarden ook in die zin van de onderhavige dat het MCL, anders dan de Staat in casu, niet een gegadigde voor de grond was die ook zelf de bevoegdheid tot onteigening heeft. Het komt mij bestuurlijk efficient voor dat de Staat en de Gemeente in casu een keten van twee causaal verbonden onteigeningen door twee verschillende overheden hebben ineengeschoven tot één onteigening waarbij de ene overheid min of meer voor de andere optreedt in ruil voor interbestuurlijke minnelijkheid. Anders gezegd: met de Staat valt niet zoveel te onderhandelen als met het MCL, gezien de stok die de Staat wel, maar het MCL niet achter de deur heeft. En niet valt in te zien welk rechtens relevant belang [eiser] c.s. er bij zouden hebben om door de Staat in plaats van door de Gemeente onteigend te worden.

3.5 Voor zover [eiser] c.s. stellen dat onvoldoende mogelijkheid tot minnelijke verwerving bestond, merk ik op dat zij in cassatie niet meer aanvoeren dat de Gemeente niet (voldoende) heeft geprobeerd het perceel bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen (art. 17 Ow). Kennelijk hebben zij dit verweer laten vallen. Dat de Staat wellicht weinig zin had in rechtreekse onderhandelingen met [eiser] c.s., doet slechts ter zake indien zulks onbehoorlijk bestuur zou opleveren, leidende tot onrechtmatigheid in civielrechtelijke zin. De Staat was in elk geval niet verplicht om in plaats van de Gemeente met [eiser] c.s. te onderhandelen. Overigens hebben [eiser] c.s. niets concreets aangevoerd, met name niet een onderhandelverbod of een andere jegens [eiser] onbehoorlijke afspraak tussen Gemeente en Staat die - of ander onbehoorlijk overheidshandelen dat - de (wijze van) onteigening jegens [eiser] c.s. onrechtmatig zou maken.

3.6 Het aanbod tot onderhandelen van [eiser] c.s. jegens Staat was trouwens wel erg summier. In een fax(9) aan de "Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken" (van de Staat) schreef [eiser 3] (dat is de derde eiser tot cassatie):

"Ondergetekenden delen verder nog mede dat als Defensie, ondanks dat er geen urgentie is, toch deze gronden wil verwerven, de eigenaren hierover graag in overleg met Defensie willen treden."

Aan de gemeente heeft [eiser 3] medegedeeld(10):

"Indien het Ministerie van Defensie het perceel nodig denkt te hebben, zijn wij bereid met hen daarover in overleg te treden."

Het is echter niet aan de Hoge Raad om een aanbod tot onderhandeling op concreetheid te beoordelen. Voldoende is dat vast staat dat de weigering door de Staat niet voortkomt uit een afspraak met de Gemeente ter zake noch overigens zodanig in strijd komt met de beginselen van behoorlijk bestuur dat de rechtmatigheid van de onteigening erdoor aangetast wordt.

3.7 Ik meen dat ook het tweede middel faalt.

4 Conclusie

Ik geef u in overweging het beroep in cassatie te verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

(a-g)

1 Gevorderd was (§ 4.1 Rb): "de onteigening (...) bij vervroeging uit te spreken". Dit bedoelt de rechtbank ook ongetwijfeld in haar vonnis nu er nog deskundigen worden benoemd ter opneming van het perceel en ter begroting van de schade, maar ze schrijft het niet.

2 De gemeente lijkt met deze mededeling erop te willen wijzen dat [eiser] c.s. het bouwland op een laat tijdstip hebben gekocht. Het bestemmingsplan Welschap-D is vastgesteld door de gemeenteraad op 16 november 1997, dus na de verkrijging door [eiser] c.s.

3 HR 9 februari 2000 na conclusie A-G Ilsink, RvdW 2000/47.

4 HR 2 april 1997 na conclusie A-G Loeb, NJ 1997, 730 m.nt. PCEvW.

5 HR 25 mei 1988 na conclusie A-G Moltmaker, NJ 1988, 927 m.nt. MS, BR 1988, blz. 761 m.nt. PCEvW op blz. 775.

6 Nr. 99.000093, gepubliceerd in Staatscourant 27, dinsdag 9 februari 1999.

7 Zie r.o. 3.4 van HR 25 mei 1988, nr. 1089 na conclusie A-G Moltmaker, NJ 1988/928 m.nt. MS; NJO 1988/8.

8 HR 10 augustus 1994 na conclusie A-G Moltmaker, NJ 1996, 35 m.nt. MB.

9 Productie 1 bij de pleitnota van [eiser] c.s. voor de Rechtbank.

10 Productie 2 bij de pleitnota van [eiser] c.s. voor de Rechtbank.