Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA9132

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R00/011HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA9132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 658
JWB 2000/256

Conclusie

Rek.nr. 00/011HR

Mr Strikwerda

Parket, 1 sept. 2000

conclusie inzake

[Verzoeker]

tegen

Gemeente 's-Gravenhage

Edelhoogachtbaar College,

1. Met een op 23 januari 1998 gedateerd verzoekschrift heeft verweerster in cassatie, hierna: de Gemeente, zich gewend tot de Kantonrechter te 's-Gravenhage met het verzoek te bepalen dat verzoeker van cassatie, hierna: [verzoeker], en zijn (toenmalige) echtgenote [betrokkene A] aan de Gemeente een bedrag van f 12.339,46 schuldig zijn wegens over de periode van 1 maart 1994 tot en met 31 december 1994 ten onrechte aan genoemde [betrokkene A] verleende bijstand (RWW).

2. Na mondelinge behandeling van het verzoek ter terechtzitting van de Kantonrechter op 25 februari 1998, op welke terechtzitting [verzoeker] in persoon, doch zonder bijstand van een advocaat, is verschenen, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 25 februari 1998 het verzoek van de Gemeente toegewezen. De griffier van het Kantongerecht heeft [verzoeker] bij aangetekend schrijven van 3 april 1988 in kennis gesteld van deze beschikking.

3. [Verzoeker] heeft bij een op 1 mei 1998 ter griffie van de Rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen beroepschrift hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de Rechtbank.

4. De Rechtbank heeft bij beschikking van 13 december 1999 [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, zulks op de grond dat [verzoeker] zijn hoger beroep niet tijdig heeft ingesteld. Daartoe overwoog de Rechtbank onder meer (r.o. 2.1):

"In de onderhavige verzoekschriftprocedure diende [verzoeker] - die als belanghebbende in persoon bij de kantonrechter was verschenen - binnen twee maanden na de dagtekening der eindbeschikking hoger beroep in te stellen (artikel 88 lid 2 Algemene bijstandswet juncto artikel 429n lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), hetgeen hij heeft nagelaten.

De stelling van [verzoeker] dat de kantonrechter na afloop van de mondelinge behandeling ter terechtzitting - 25 februari 1998 - in strijd met artikel 429k lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen dag heeft bepaald waarop hij de beschikking zou geven, kan [verzoeker] niet baten. Weliswaar is de redactie van het proces-verbaal van inlichtingen van 25 februari 1998 in dat verband voor tweeërlei uitleg vatbaar (...), maar op grond van de stukken staat vast dat de griffier van het kantongerecht te 's-Gravenhage [verzoeker] bij aangetekend schrijven van 3 april 1998 in kennis heeft gesteld van de beschikking waarvan beroep. Deze kennisgeving zal daags na verzending bij [verzoeker] zijn bezorgd, zodat [verzoeker] nog tot het einde van de beroepstermijn - 25 april 1998 - ruimschoots de tijd heeft gehad zijn hoger beroep in te stellen. Dat [verzoeker] getalmd heeft met het instellen van het onderhavige hoger beroep, is een omstandigheid die, naar het oordeel van de rechtbank, voor zijn risico en rekening moet komen en dus niet kan leiden tot een latere aanvang van de beroepstermijn."

5. [Verzoeker] is tegen de beschikking van de Rechtbank (tijdig) in cassatie gekomen. Het cassatieberoep berust op drie middelen. De Gemeente heeft een verweerschrift ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep van [verzoeker] te verwerpen.

6. Middel I verwijt de Rechtbank het recht te hebben geschonden door [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep. Ten onrechte zou de Rechtbank op de vraag naar de ontvankelijkheid van het door [verzoeker] ingestelde hoger beroep art. 88 (oud) Abw en art. 429n lid 2 Rv toepasselijk hebben geacht, aangezien art. 88 (oud) Abw per 1 juli 1997 is vervallen en sedert die datum het huidige art. 86 Abw geldt.

7. Het op 23 januari 1998 gedateerde verzoekschrift van de Gemeente, waarmee de onderhavige procedure werd ingeleid, is ingediend ná de inwerkingtreding op 1 juli 1997 van de wijziging van de nieuwe Algemene bijstandswet (Abw) bij Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248 (Wet boeten), terwijl het besluit tot terugvordering door de Gemeente is bekendgemaakt bij schrijven van 14 november 1995 (overgelegd als bijlage bij het inleidend verzoekschrift), derhalve vóór de inwerkingtreding op 1 juli 1997 van de genoemde wijziging van de Abw. Art. XVI lid 2 van de Wet boeten bepaalt dat ten aanzien van besluiten tot weigering, terugvordering of verrekening, die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn bekendgemaakt, het recht zoals dat voor die datum gold van toepassing blijft. Hieruit volgt dat in de onderhavige procedure van toepassing zijn de procesregels voor de terugvordering in rechte van kosten van bijstand volgens de Abw, zoals deze luidden tot 1 juli 1997, waaronder art. 88 lid 2 (oud) Abw. Volgens deze bepaling moet art. 429n lid 2 Rv van overeenkomstige toepassing worden geacht (HR 12 juni 1998, NJ 1998, 643). De Rechtbank heeft derhalve het recht niet geschonden door de vraag naar de ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn hoger beroep te toetsen aan art. 88 lid 2 (oud) Abw jo. art. 429n lid 2 Rv. Het middel faalt.

8. Middel II klaagt dat de Rechtbank het recht heeft geschonden doordat zij heeft nagelaten (ambtshalve) te oordelen dat de Kantonrechter ten onrechte de Gemeente ontvankelijk heeft geoordeeld in haar inleidend verzoek en heeft nagelaten de Gemeente alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. De Rechtbank zou hebben miskend dat sedert 1 juli 1997 de terugvorderingsprocedure niet meer is ondergebracht bij de civiele rechter en dat sedertdien een bestuursrechtelijke terugvorderingsprocedure dwingend is voorgeschreven.

9. Het middel faalt op dezelfde grond als middel I. Het miskent dat ingevolge de genoemde overgangsbepaling van art. XVI lid 2 van de Wet boeten in het onderhavige geval de op 1 juli 1997 ingevoerde bestuursrechtelijke terugvorderingsprocedure niet van toepassing is. Aangezien het besluit tot terugvordering door de Gemeente is bekend gemaakt bij schrijven van 14 november 1995, derhalve vóór 1 juli 1997, zijn de procesregels voor de terugvordering in rechte van kosten van bijstand volgens de Abw, zoals deze luidden tot 1 juli 1997, van toepassing. De Gemeente was voor de terugvordering derhalve aangewezen op de toen geldende civielrechtelijke terugvorderingsprocedure en heeft dus de juiste procedure gevolgd door zich met haar verzoek tot de kantonrechter te wenden.

10. Het subsidiair voorgestelde middel III strekt ten betoge dat de Rechtbank in redelijkheid had moeten oordelen dat [verzoeker] in de gegeven omstandigheden geacht kon worden tijdig hoger beroep te hebben ingesteld. Als relevante omstandigheden noemt het middel dat de Kantonrechter ter zitting van 25 februari 1998 niet heeft gezegd wanneer hij uitspraak zou doen, dat [verzoeker] op die zitting zonder bijstand van een advocaat is verschenen, dat de beschikking van de Kantonrechter niet eerder dan op 3 april 1998 is verzonden, en dat in de brief van 3 april 1998 aan [verzoeker] niet wordt bekend gemaakt of en binnen welke termijn hij desgewenst hoger beroep kon instellen.

11. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat de Rechtbank, bij de beoordeling van de vraag of [verzoeker] geacht kan worden tijdig in hoger beroep te zijn gekomen, naar analogie van art. 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had behoren te onderzoeken of, hoewel het beroepschrift na afloop van de toepasselijke appeltermijn was ingediend, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan niettemin achterwege kon blijven op grond van het feit dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [verzoeker] in verzuim is geweest.

12. Op zichzelf is juist dat in een procedure, zoals de onderhavige, die strekt tot terugbetaling van bijstand, de maatstaf van art. 6:11 Awb voor analogische toepassing in aanmerking komt (zie onder meer HR 27 mei 1994, NJ 1994, 609 nt. MS, HR 18 oktober 1996, NJ 1998, 3 en HR 28 mei 1999, NJ 1999, 613). De Rechtbank heeft dat ook niet miskend, nu zij, blijkens het slot van r.o. 2.1 van de bestreden beschikking, heeft onderzocht of de termijnoverschrijding door [verzoeker] verschoonbaar is geweest. Voor zover het middel strekt ten betoge dat de Rechtbank heeft nagelaten bij de beoordeling van de ontvankelijkheidsvraag de maatstaf van art. 6:11 Awb toe te passen en dat zij onverkort heeft vastgehouden aan de in HR 13 oktober 1989, NJ 1990, 495 en HR 17 november 1989, NJ 1990, 496 geformuleerde maatstaf, mist het derhalve feitelijke grondslag.

13. Voor zover het middel wil betogen dat de Rechtbank de bedoelde maatstaf onjuist heeft toegepast, kan het middel m.i. evenmin slagen. Blijkens HR 28 mei 1999, NJ 1999, 613 (r.o. 3, waarin onder meer verwezen wordt naar de conclusie van A-G Spier onder 3.8) is voor een lichtvaardige toepassing van art. 6:11 Awb geen plaats. Beroepstermijnen zijn immers van openbare orde en dienen zwaarwegende belangen. Het ligt daarom op de weg van de indiener aan te tonen dat indiening zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk was heeft plaatsgevonden. In de onderhavige zaak is het beroepschrift op 1 mei 1998 ingediend ter griffie van de Rechtbank, derhalve bijna een maand na de verzending van de beschikking van de Kantonrechter naar [verzoeker] (3 april 1998). Dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat [verzoeker] nog ruimschoots de tijd heeft gehad zijn hoger beroep in te stellen, getuigt niet van een onjuiste opvatting over de maatstaf van art. 6:11 Awb. Dat oordeel kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie op zijn juistheid verder niet worden getoetst.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,