Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA9115

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R99/079HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA9115
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 632
JWB 2000/254

Conclusie

Rekestnummer R99/079

Mr Bakels

Zitting 22 september 2000

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

1. Curaçao International Trust Company N.V.

2. The Citco Group Limited

Edelhoogachtbaar college,

1. Feiten en procesverloop

1.1 In deze Antilliaanse zaak staan de devolutieve werking van het appèl en het passeren van een bewijsaanbod centraal.

1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(a) De Citco Group houdt zich onder meer bezig met het beheren en besturen van vennootschappen ten behoeve van haar cliënten.

(b) Op verzoek van [eiser] heeft de Curaçao International Trust Company N.V. op Curaçao (hierna: Citco Curaçao) aan Citco Panama S.A. (hierna: Citco Panama) opdracht gegeven ten behoeve van [eiser] in Panama een vennootschap op te richten. Dit heeft op 18 juli 1983 geleid tot de oprichting van de vennootschap Bontravel Investments S.A. (hierna: Bontravel). [Eiser] en zijn echtgenote waren aandeelhouders daarvan. Het bestuur en de administratie van deze vennootschap werden gevoerd door Citco Panama.

(c) [Eiser] heeft vervolgens op bankrekeningen van Bontravel bij de Curaçao Banking corporation een bedrag van $ 295.000,- (USD) gestort.

(d) Op 12 december 1984 is, op advies van Citco Curaçao, in opdracht van [eiser] door Citco Panama via een statutenwijziging de naam van de vennootschap veranderd van Bontravel in Rosewood International Corporation S.A. (hierna: Rosewood Panama).

(e) Bij brief van 21 december 1988, ondertekend door Citco Panama, is aan [eiser] meegedeeld dat de Citco Group had besloten haar activiteiten te beëindigen en haar dochtervennootschap Citco Panama te liquideren. Voorts wordt daarin vermeld dat de directeur van Citco Panama, [betrokkene A], een eigen kantoor zal beginnen onder de naam International Management Corporation (Panama) S.A. (hierna: Imco). In deze brief wordt [eiser] verzocht aan Citco mee te delen op welke wijze hij wenst dat zijn belangen verder worden behartigd; daartoe wordt een drietal alternatieven voorgesteld.

(f) Per fax van 2 januari 1989 gericht aan [betrokkene A], Citco Panama, deelt [eiser] mee zijn keuze nog niet te hebben gemaakt.

(g) Bij brief van 19 januari 1989 heeft [betrokkene A] in zijn hoedanigheid van managing director van Imco aan [eiser] meegedeeld, dat Citco Panama per 31 december 1988 haar kantoor heeft beëindigd en dat Imco zorg zal dragen voor de voortzetting van de directievoering "and other corporate services" ten behoeve van de cliënten van Citco Panama.

(h) Bij afzonderlijk per fax verstuurde brieven van 25 januari 1989 heeft [eiser] aan Citco Panama en Citco Curaçao meegedeeld te kiezen voor de derde mogelijkheid die hem op 21 december 1988 was voorgesteld, te weten het overbrengen van de activa van Rosewood Panama naar een nieuw op te richten vennootschap op de British Virgin Islands, waarvan de directie gevoerd wordt door een vennootschap van de Citco Group.

(i) Op verzoek van [eiser] heeft Citco Curaçao aan Citco BVI Ltd. opgedragen ten behoeve van [eiser] een nieuwe vennootschap op de British Virgin islands op te richten. Dit heeft geresulteerd in de oprichting op 31 maart 1989 van Rosewood BVI.

(j) Ondanks herhaalde aanmaningen weigert [betrokkene A] het saldo van Rosewood Panama bij de Banco International de Panama in Panama vrij te geven. Dit saldo bedroeg op 28 december 1989 $ 82.695, 21 (USD). De reden van deze weigering is dat [betrokkene A] stelt dat hij nog een vordering op de Citco Group en/of Citco Curaçao heeft, tot zekerheid waarvan hij het onderhavige saldo achterhoudt. [Eiser] heeft met dit conflict op zichzelf niets te maken.

1.3 Tegen deze achtergrond heeft [eiser] bij het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen de onderhavige procedure ingesteld. Daarin heeft hij gevorderd Citco Curaçao en Citco Holding hoofdelijk te veroordelen aan hem een bedrag ter grootte van voormeld saldo te betalen en voorts alle (gevolg)schade te vergoeden, die hij als gevolg van de wanprestatie dan wel onrechtmatige daad van Citco Curaçao heeft geleden en nog zal lijden.

De Citco Group en Citco Curaçao hebben tegen deze vordering gemotiveerd verweer gevoerd.

1.4 Het gerecht in eerste aanleg heeft, nadat het op 3 februari 1997 en 21 juli 1997 een tussenvonnis had gewezen, bij eindvonnis van 11 mei 1998 de Citco Group en Citco Curaçao hoofdelijk veroordeeld de schade te vergoeden die [eiser] als gevolg van hun onrechtmatige daad heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, nader op te maken bij staat.

In zijn op 3 februari 1997 gewezen eerste tussenvonnis heeft het gerecht de vordering van de hand gewezen, voorzover deze op wanprestatie was gebaseerd (grondslagen a. en b.). Het gerecht formuleerde in dat vonnis voorts een reeks schriftelijk door partijen te beantwoorden vragen in verband met de beoordeling van de grondslagen c. en d. van de vordering (kort samengevat: onrechtmatige daad).

In zijn tweede tussenvonnis van 21 juli 1997 heeft het gerecht o.m. het verweer van de Citco Group en Citco Curaçao besproken dat niet [eiser] schade lijdt doordat niet meer over voormeld banksaldo kan worden beschikt, maar Rosewood Panama, die dan ook als enige een vordering zou kunnen instellen. Het gerecht verwierp dit verweer omdat [eiser] aanvankelijk vrijelijk over de op naam van Rosewood Panama gestelde tegoeden kon beschikken en inmiddels niet meer (rov. 1).

Aan de beslissing die in het eindvonnis werd genomen, lag in de kern ten grondslag dat Citco Group en Citco Curaçao de liquidatie van het Citco Panama zodanig onzorgvuldig hebben verricht dat [eiser] als gevolg daarvan niet meer over het ten name van Rosewood Panama staande banksaldo kon beschikken. Dit is onrechtmatig tegenover [eiser], zodat de Citco Group en Citco Curaçao schadeplichtig tegenover hem zijn.

1.5 Tegen deze drie vonnissen hebben de Citco Group en Citco Curaçao hoger beroep ingesteld bij het gemeenschappelijk hof van justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.

1.6 Bij vonnis van 12 januari 1999 heeft het hof grief IV gegrond geacht. Deze was gericht tegen de verwerping in het tweede tussenvonnis van het verweer dat [eiser] geen schade lijdt doordat hij niet meer over voormeld banksaldo kan beschikken. Het hof overwoog daartoe o.m. dat indien juist is

"dat [eiser] slechts "economisch" eigenaar ("beneficial owner") van de aandelen is, dan heeft [eiser] "als (werkelijke) aandeelhouder/begunstigde van Rosewood" (memorie van antwoord, onder 10) - gelijk een gewone aandeelhouder - een indirect belang bij deze gelden en de daarmee verband houdende gestelde schade. Aan dit indirecte belang kan hij evenwel geen (directe) vordering tot vergoeding van schade ontlenen, zoals door hem gesteld. Ook het feit dat [eiser], zoals door hem gesteld, niet de vrije beschikking heeft over Rosewood Panama en de door haar beheerde gelden, "welke gelden overigens wel van hem waren en door hem om o.m. fiscale motieven in Rosewood zijn ingebracht" (conclusie van repliek onder 47), leidt niet tot schade die door hem kan worden gevorderd."

Daarom heeft het hof de bestreden vonnissen vernietigd en de vordering alsnog afgewezen.

1.7 Tegen dit vonnis heeft [eiser] tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld. Beide partijen hebben de zaak door hun respectieve advocaten schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 [Eiser] heeft één cassatiemiddel voorgesteld, dat bestaat uit twee onderdelen.

2.2 Onderdeel 1 strekt ten betoge dat het hof, door zich in rov. 4.4 te beperken tot beantwoording van de vraag of de Citco Group en Citco Curaçao onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser] als aandeelhouder van Rosewood Panama en niet in te gaan op de door [eiser] in eerste instantie mede aan zijn vordering ten grondslag gelegde wanprestatie, zijn taak als appèlrechter heeft miskend en zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.3 Ook in het Antilliaanse procesrecht heeft het appèl devolutieve werking.(2) Deze brengt mee dat het hof, na gegrondbevinding van de vierde grief, de in eerste aanleg verdedigde en in appèl niet prijsgegeven stellingen van [eiser], die door het gerecht in eerste aanleg waren verworpen, diende te behandelen.(3) De beoordeling van het onderdeel spitst zich daarom toe op de vraag of 's hofs vonnis zo moet worden uitgelegd dat het de onderhavige, in hoger beroep niet prijsgegeven, grondslag van de vordering van [eiser] hééft behandeld (en deze eveneens heeft verworpen).(4)

2.4 Ook al gaat de Hoge Raad uit van een vermoeden van juistheid van de beslissing waarvan beroep(5), toch komt aan alles ooit een eind. In het onderhavige geval kan m.i. niet worden volgehouden dat het bestreden vonnis door partijen redelijkerwijs niet anders kon worden begrepen dan, en door het hof zelf is bedoeld(6) als mede houdende een beslissing op de door [eiser] aan zijn vordering ten grondslag gelegde wanprestatie. Cruciaal in dit verband is dat het hof in de eerste zin van rov. 4.3 de door hem beoordeelde vorderingen aldus weergeeft, dat [eiser] schadevergoeding vordert wegens het feit dat het saldo van Rosewood Panama niet is vrijgegeven. Dat is kennelijk een samenvatting van de door het gerecht in eerste aanleg in zijn tussenvonnis van 3 februari 1997 in rov. 2 onder c. en d. weergegeven grondslag van de vordering (onrechtmatige daad), die het gerecht na bewijslevering uiteindelijk heeft gehonoreerd.

2.5 Onder deze omstandigheden zou het geen uitleg maar inleg zijn om in 's hofs vonnis mede een beslissing over grondslagen a. en b. te lezen. Daarmee beklaagt [eiser] zich immers niet over het feit dat de ten name van Rosewood Panama gestelde tegoeden niet zijn vrijgegeven. Hij stelt achtereenvolgens, kort weergegeven,

a. dat Citco Curaçao de onderhavige vennootschappelijke structuur heeft geadviseerd en in het leven heeft geroepen, zodat zij voor het deugdelijke functioneren daarvan heeft in te staan en

b. dat Citco Curaçao hem, in strijd met haar fiduciaire zorgplicht, het slachtoffer laat worden van een zakelijk geschil dat zij heeft met [betrokkene A], waar hij ([eiser]) buiten staat.

Wellicht kan nog worden verdedigd dat 's hofs motivering mede grondslag b. kortsluit, maar dat geldt in elk geval niet voor grondslag a. Onderdeel 1 is dus terecht voorgedragen.

2.6 Onderdeel 2 strekt ten betoge dat het hof het door de advocaat van [eiser] bij pleidooi gedane bewijsaanbod ten onrechte zonder enige motivering heeft gepasseerd.

2.7 In zijn pleitaantekeningen van 10 november 1998 heeft de advocaat van [eiser] het volgende bewijsaanbod gedaan:

"18. [Eiser] biedt bewijs aan van zijn stellingen door alle middelen rechtens, zonder evenwel onverplicht enige bewijslast op zich te nemen. In het bijzonder wenst [eiser] [getuige 1] als getuige te doen horen. [Getuige 1] kan verklaren hoe een en ander te werk is gegaan bij de oprichting van Rosewood, hoe de contacten tussen [eiser] en Citco liepen en hoe, waar en bij wie de verantwoordelijkheden lagen. Ook kan [getuige 1] nader aangeven wat de door [eiser] geleden schade is. Daarnaast wenst [eiser] [getuige 2] en [getuige 3] te doen horen. Zij kunnen bevestigen en aanvullen c.q. toelichten hetgeen zij reeds in de door hen afgelegde verklaringen hebben gezegd en welke verklaringen door [eiser] in de procedure werden overgelegd. Ook kan [getuige 4] over de verhuizing van Rosewood uit Panama een verklaring geven."

2.8 Volgens de vaste rechtspraak van de Hoge Raad zal de rechter die een bewijsaanbod passeert, zijn oordeel moeten motiveren.(7) Nu het hof het bewijsaanbod onbesproken heeft gelaten, bestaat zowel de mogelijkheid dat het dit aanbod over het hoofd heeft gezien als dat het dit stilzwijgend heeft verworpen omdat het te vaag zou zijn en/of niet ter zake dienend. Met name ten aanzien van de getuige [getuige 1] kan echter moeilijk worden volgehouden dat dit aanbod een van deze laatste twee kwalificaties verdient, omdat de door de advocaat van [eiser] opgegeven thema's van belang kunnen zijn juist voor grondslag a. Zowel in de eerste als in de laatste veronderstelling heeft het hof daarom onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.(8) Ook dit onderdeel treft dus doel.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, terugwijzing van de zaak naar het gemeenschappelijk hof en hoofdelijke veroordeling van Citco Curaçao en de Citco Group in de proceskosten .

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Het cassatierekest is ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 9 april 1999.

2 Asser, Burgerlijk procesrecht in: Inleiding tot het Nederlands-Antilliaans recht (1997), blz. 455 e.v..

3 Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (1992), nr. 76; Snijders/Wendels, Civiel appel, 2e druk (1999), nr. 244.

4 Zoals verdedigd in de schriftelijke toelichting van Citco Group en Citco Curaçao, nummers 2.2 en 2.3.

5 Veegens/ Korthals Altes/ Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, 1989, nr. 158.

6 HR 23 juni 1989, NJ 1990, 381.

7 Zie o.a.: HR 21 mei 1999, NJ 2000, 13; Snijders/Wendels, a.w., nr. 230-233 en de daar aangehaalde rechtspraak; Asser, a.w., blz. 449-451.

8 Zie ook: HR 29 oktober 1999, NJ 1999, 823.