Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA9070

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
02476/00 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA9070
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 15, geldigheid: 2000-12-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 02476/00/U

Mr Wortel

Zitting: 7 november 2000

(bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verzoeker=de opgeëiste persoon]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het namens verzoeker ingestelde cassatieberoep betreft een op 20 juni 2000 door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam gedane uitspraak waarbij de uitlevering van verzoeker aan de Duitse autoriteiten ter fine van vervolging deels ontoelaatbaar (ter zake van het als feit 2 in een Haftbefehl van het Amtsgericht te Karlsruhe van 21 februari 2000, kenmerk Gs 460/00 E omschreven feit) en deels toelaatbaar (ter zake van de overige in dat Haftbefehl omschreven feiten) is verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel ziet op de omstandigheid dat de uitlevering van verzoeker aan de Bondsrepubliek Duitsland ‘verderlevering’ in de zin van art. 15 van het - op dit uitleveringsverzoek toepasselijke - Europees Verdrag betreffende de uitlevering (EUV, Trb 1965, 9) zal vormen. Uit de stukken blijkt dat verzoeker naar aanleiding van een Nederlands verzoek door de Roemeense autoriteiten aan Nederland is uitgeleverd. Tot de stukken behoren voorts een afschrift van een in de Roemeense taal gestelde uitspraak van het ‘Tribunalu Bucuresti, Sectia I Penala’, alsmede een door een beëdigd vertaler gewaarmerkte vertaling van dat stuk, waaruit blijkt dat het een op 30 maart 2000 gedane uitspraak van de Rechtbank te Boekarest betreft, waarbij op een daartoe strekkend verzoek van de Nederlandse autoriteiten de grondslag van de uitlevering van verzoeker aan Nederland is uitgebreid tot andere feiten, en tevens toestemming is verleend voor de verdere uitlevering van verzoeker aan de Bondsrepubliek Duitsland.

4. Aan het proces-verbaal van de zitting van de Amsterdamse Rechtbank is een exemplaar gehecht van bij die gelegenheid overgelegde pleitnotities. Daarin is onder meer opgemerkt dat de uitspraak van de Rechtbank de Boekarest aldus moet worden gelezen dat de toestemming om verzoeker verder te leveren aan de Bondsrepubliek slechts gegeven is met betrekking tot de feiten die in dezelfde uitspraak zijn toegevoegd aan de grondslag van de uitlevering van verzoeker aan Nederland. De verdediging heeft betoogd dat, aangezien dit geen feiten zijn die vóór 1997 werden begaan - en met het oog op het ‘specialiteitsbeginsel’ dat het uitleveringsrecht beheerst - de uitlevering van verzoeker aan de Bondsrepubliek ontoelaatbaar verklaard moet worden met betrekking tot hetgeen in het tegen verzoeker uitgevaardigde Haftbefehl als feiten 1 en 2 is omschreven, welke feiten in 1995 en in 1996 zouden zijn gepleegd.

5. Dienaangaande is in de bestreden uitspraak overwogen:

“Namens de opgeëiste persoon is het navolgende gesteld. De uitlevering dient ontoelaatbaar te worden verklaard aangezien -kort weergegeven- de Roemeense autoriteiten op grond van de onder 4. vermelde stukken,” (het vonnis van de Rechtbank te Boekarest en begeleidend schrijven, JW) “niet geacht kunnen worden toestemming te hebben gegeven voor de verderlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland ter strafvervolging van de feiten genoemd in het Haftbefehl.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het antwoord op de vraag of de Roemeense autoriteiten in de onderhavige zaak toestemming tot verderlevering naar Duitsland hebben gegeven is niet voorbehouden aan de rechtbank maar aan de Minister van Justitie.”

6. Nu de uitlevering van verzoeker aan de Bondsrepubliek Duitsland ontoelaatbaar is verklaard

ten aanzien van het in het Haftbefehl onder 2. omschreven feit, kan het middel, dat tegen deze

verwerping van het verweer opkomt, slechts betrekking hebben op de toelaatbaarverklaring van

de uitlevering van verzoeker ter zake van het in dat Haftbefehl onder 1. omschreven feit.

7. Overigens moet ik bekennen dat mij niet geheel duidelijk is geworden welke gedachte de steller van het middel heeft gevolgd. Daarin wordt betoogd dat het in dit verband gaat om de competentieverdeling tussen rechter en minister, en dat de Uitleveringswet met betrekking tot de door art. 15 EUV verlangde toestemming van een aangezochte Staat geen uitdrukkelijke voorziening omtrent die bevoegdheidsverdeling kent. Vervolgens wordt opgemerkt dat in art. 12 Uw, waarin het specialiteitsbeginsel tot uitdrukking komt, uitdrukkelijk is bepaald dat de minister van Justitie toestemming kan geven aan een verzoekende Staat om de opgeëiste persoon te vervolgen ter zake van feiten die vóór het tijdstip van de uitlevering zijn begaan.

8. Waarom de steller van het middel in art. 12 Uw een aanknopingspunt ziet om te betogen dat

de Rechtbank met de hierboven weergegeven overweging het systeem van de Uitleveringswet

heeft miskend ontgaat mij. Mogelijk - maar dat valt uit het middel niet duidelijk op te maken -

heeft de steller ervan het oog gehad op het derde lid van art. 12 Uw, waarin is geregeld dat

uitlevering door Nederland niet wordt toegestaan dan onder het algemeen beding dat de

opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van de minister van Justitie aan de

autoriteiten van een derde Staat ter beschikking zal worden gesteld ter zake van feiten die vóór

het tijdstip van de uitlevering door de uitgeleverde persoon zijn begaan. Deze bepaling ziet

derhalve op de door Nederland te geven toestemming voor verderlevering, en dat is het

spiegelbeeld van hetgeen in het onderhavige geval speelt:.

9. Hooguit zou men in het derde lid van art. 12 Uw een aanknopingspunt kunnen vinden voor de

juistheid van het oordeel dat een eventuele weigering van de uitlevering die een ‘verderlevering’

van de opgeëiste persoon vormt is voorbehouden aan de minister. Aangezien hem de

bevoegdheid toekomt aan een verzoekende Staat toestemming voor verderlevering te verlenen,

ligt het voor de hand hem ook aan te merken als de autoriteit die bevoegd is vast te stellen of

de verlangde toestemming van de zijde van een aangezochte Staat aanwezig is.

10. Ook overigens ontgaat mij waarom de in dit middel bestreden overweging met het stelsel van de Uitleveringswet in strijd zou kunnen komen. In een zaak waarin het Benelux Uitleverings- en rechtshulpverdrag (BUV, Trb. 1962, 97 en Trb. 1974, 161) toepasselijk was heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het aan de minister van Justitie is voorbehouden om te beslissen of het bepaalde in art. 14, eerste lid, eerste volzin, BUV aan uitlevering in de weg staat: HR 1991, 825. In dezelfde zin was al beslist (ook in een uitleveringszaak die door het BUV werd beheerst) in HR 1990, 50. Art. 14, eerste lid, eerste volzin, BUV heeft dezelfde strekking als art. 15 EUV. Het ligt niet voor de hand om ten aanzien van de op grond van art. 15 EUV vereiste toestemming anders te oordelen dan is geschied in deze twee eerdere uitspraken van de Hoge Raad.

11. De in dit middel bestreden overweging getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zij is voorts naar behoren met redenen omkleed. Het middel faalt.

12. Het tweede middel bevat de klacht dat de Rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft

gegeven aan het wettelijke en verdragsrechtelijke ‘ne bis in idem beginsel’. In het bijzonder

wordt gesteld dat sprake is van schending van art. 9 Uw en de art. 8 en 9 EUV.

13. Het middel heeft betrekking op een verweer dat in de bestreden uitspraak als volgt is

samengevat en verworpen:

“De raadsman acht voorts het verzoek, voor zover het betrekking heeft op de feiten 3 en 4 van het Haftbefehl, ontoelaatbaar, aangezien de opgeëiste persoon voor dezelfde feiten reeds in Nederland wordt vervolgd.

Naar het oordeel van de rechter is dit eveneens geen grond de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren, aangezien de Nederlandse strafzaak nog niet inhoudelijk ter terechtzitting is behandeld, er dus geen onherroepelijk vonnis ligt en een eventuele straf nog niet tenuitvoergelegd is. De imperatieve weigeringsgrond van artikel 9 van het toepasselijke verdrag (ne bis in idem) doet zich derhalve thans nog niet voor. De minister zal te zijner tijd bij het nemen van zijn beslissing over de uitlevering met deze Nederlandse strafzaak en haar afloop rekening moeten houden.

De rechtbank verwerpt derhalve ook dit verweer van de raadsman.”

14. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de Rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 8 EUV en art. 9 Uw. Uit art. 9, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid Uw vloeit evenwel voort dat het niet ter beoordeling van de rechter doch van de minister van Justitie staat te beoordelen of gebruik gemaakt dient te worden van de door art. 8 EUV gegeven bevoegdheid de uitlevering te weigeren, vgl. HR NJ 1981, 318 en (ten aanzien van vergelijkbare bepalingen in andere verdragen) HR NJ 1983, 373 alsmede HR NJ 1985, 157. Ook het tweede middel faalt derhalve.

15. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De Rechtbank heeft de uitlevering “aan de Duitse autoriteiten” (deels) toelaatbaar verklaard. Dat is minder juist uitgedrukt. “Contracting party” in de zin van art. 1 van het - op dit uitleveringsverzoek toepasselijke - Europees Uitleveringsverdrag is immers de Bondsrepubliek Duitsland. Toelaatbaar had daarom verklaard moeten worden de uitlevering “aan de Bondsrepubliek Duitsland”, vgl. HR NJ 2000, 364. Het dictum van de bestreden uitspraak zal in zoverre verbeterd kunnen worden gelezen.

16. De middelen falen en lenen zich voor toepassing van art. 101a RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,