Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA9053

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R00/042HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA9053
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2001/14
JOL 2000, 634
NJ 2001, 251
RvdW 2001, 2
Ondernemingsrecht 2001, 1
JWB 2000/252

Conclusie

Rek.nr. R00/042HR

Mr Strikwerda

Parket, 8 sept. 2000

conclusie inzake

Intramco Europe B.V.

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], is op 1 oktober 1994 als verkoper in dienst getreden bij thans verzoekster van cassatie, hierna: Intramco.

2. Met een op 6 augustus 1999 ingediend verzoekschrift heeft Intramco zich gewend tot de Kantonrechter te Lelystad met het verzoek om op de voet van art. 7:685 BW de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen op de kortst mogelijke termijn te ontbinden. Aan haar verzoek heeft Intramco ten grondslag gelegd dat zich omstandigheden hebben voorgedaan die een dringende reden in de zin van art. 7:677 lid 1 BW opleveren, althans dat er sprake is van veranderingen in de omstandigheden als bedoeld in art. 7:685 lid 2 BW.

3. Nadat [verweerder] tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 22 oktober 1999 het verzoek van Intramco op de daaraan subsidiair meegegeven grondslag toewijsbaar geoordeeld en, voor het geval Intramco haar verzoek niet intrekt vóór of op 5 november 1999, de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 8 november 1999 ontbonden, onder toekenning aan [verweerder] als vergoeding ex art. 7:685 lid 8 BW van een bedrag van f 90.500,- bruto, alsmede van het recht om conform een op 4 september 1997 tussen partijen gesloten overeenkomst gebruik te maken van de daarin opgenomen optieregeling, en met veroordeling van Intramco tot betaling van voormelde vergoeding aan [verweerder], c.q. medewerking aan de uitoefening van voormeld recht door [verweerder].

4. Intramco heeft haar verzoek niet ingetrokken en is van de beschikking van de Kantonrechter in hoger beroep gekomen bij de Rechtbank te Zwolle. Zij voerde aan dat zij, niettegenstaande het bepaalde in art. 7:685 lid 11 BW, ontvankelijk is in haar hoger beroep, aangezien de Kantonrechter, door als vergoeding aan [verweerder] het recht toe te kennen om gebruik te maken van een optieregeling conform de tussen partijen bestaande overeenkomst, buiten het toepassingsgebied van art. 7:685 BW is getreden. Intramco verzocht de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter te vernietigen voor zover daarbij aan [verweerder] het recht tot gebruikmaking van genoemde optieregeling als vergoeding is toegekend.

5. Bij beschikking van 26 januari 2000 heeft de Rechtbank het hoger beroep van Intramco tegen de beschikking van de Kantonrechter ongegrond verklaard. De Rechtbank was van oordeel dat de Kantonrechter - anders dan Intramco stelde - op grond van art. 7:685 lid 8 BW bevoegd was aan [verweerder] bij wege van vergoeding naar billijkheid het recht toe te kennen tot gebruikmaking van zijn optierecht conform de daartoe tussen partijen bestaande regeling en dat dit oordeel van de Kantonrechter te rechtvaardigen is. De Rechtbank concludeerde dat de Kantonrechter niet buiten het toepassingsgebied van art. 7:685 BW is getreden (r.o. 8).

6. Intramco is tegen de beschikking van de Rechtbank (tijdig) in cassatie gekomen met een uit drie onderdelen opgebouwd middel. [Verweerder] heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

7. Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan het in het elfde lid van art. 7:685 BW (destijds het elfde lid van art. 7A:1639w BW) neergelegde rechtsmiddelenverbod alleen worden doorbroken, indien erover wordt geklaagd dat de vorige rechter (a) buiten het toepassingsgebied van het artikel is getreden, (b) het artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, of (c) bij de behandeling van de zaak essentiële vormen heeft verzuimd. Zie o.m. HR 12 maart 1982, NJ 1983, NJ 1983, 181, HR 4 april 1986, NJ 1986, 549 en HR 24 april 1992, NJ 1992, 672 nt. PAS. Zie ook HR 28 mei 1999, NJ 2000, 220 nt. JBMV. De eerste twee gronden hebben betrekking op beslissingen van de rechter met betrekking tot de vraag of aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van het artikel al dan niet is voldaan. Zie o.m. HR 12 maart 1982, NJ 1983, 181, HR 13 maart 1987, NJ 1987, 1017 en HR 6 maart 1992, NJ 1992, 707 nt. PAS. De klacht dat de vorige rechter het artikel verkeerd heeft toegepast is onvoldoende om het rechtsmiddelenverbod te doorbreken. Zie o.m. HR 19 februari 1993, NJ 1993, NJ 1993, 351 nt. HER, HR 27 maart 1998, NJ 1998, 553 en HR 13 november 1998, JAR 1999, 12.

8. Het door Intramco voorgestelde middel houdt niet met zoveel woorden een klacht in die doorbreking van het rechtsmiddelenverbod rechtvaardigt. Een zodanige klacht ligt, naar mijn lezing, ook niet in het middel besloten. Het middel werpt immers geen klacht op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de Kantonrechter niet buiten het toepassingsgebied van art. 7:685 BW is getreden. Evenmin houdt het middel de klacht in dat de Rechtbank door te beslissen zoals zij heeft gedaan zelf buiten het toepassingsgebied van art. 7:685 BW is getreden, d.w.z. ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de voorwaarden voor toepassing van de regeling van art. 7:685 BW is voldaan. Het middel strekt in zijn drie onderdelen uitsluitend ten betoge dat het oordeel van de Rechtbank omtrent de door de Kantonrechter aan [verweerder] toegekende vergoeding wegens schending van art. 7:685 lid 8 BW onjuist is, althans niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed.

9. Uit het voorgaande volgt dat Intramco, nu zij in cassatie geen beroep heeft gedaan op een grond die het rechtsmiddelenverbod kan doorbreken, in haar cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Vgl. HR 22 oktober 1999, NJ 1999, 798.

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van Intramco in haar cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,