Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8976

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-11-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01241/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8976
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01241/99

Mr Wortel

Zitting: 3 oktober 2000

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. De Arrondissementsrechtbank te Almelo heeft verzoeker wegens “overtreding van het bepaalde bij artikel 2.4.17 aanhef en onder b van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Losser” veroordeeld tot een geldboete van fl. 90,= subsidiair één dag hechtenis.

2. Verzoeker heeft bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. In het eerste middel wordt gesteld dat het ten aanzien van verzoeker tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit dat:

“hij te De Lutte in de gemeente Losser, op 22 maart 1998, als eigenaar of houder van een hond, deze hond anders dan aangelijnd heeft laten lopen op of aan de Zandhuizerweg, gelegen in het gebied het Lutterzand, zijnde een voor het publiek toegankelijke en door burgemeester en wethouders aangewezen plaats.”

geen steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen.

4. Blijkens het bestreden vonnis heeft de Rechtbank de bewezenverklaring onderbouwd met de volgende bewijsmiddelen:

- De verklaring van verzoeker afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep:

“Op 22 maart 1998 heb ik mijn hond onaangelijnd laten lopen op de Zandhuizerweg te De Lutte in de gemeente Losser.”

- Een in de wettelijk vorm opgemaakt proces-verbaal, met bijlagen, d.d. 4 juni 1998, proces-verbaal nummer 22.03.1998.1650.1636 van de regiopolitie Twente, inhoudende als relaas van de verbalisant:

“Ik, F.J.M. Bos, hoofdagent van de vrijwillige politie, zag dat een persoon als eigenaar of houder van een hond, deze heeft laten verblijven of lopen op een voor het publiek toegankelijke en door de burgemeester en wethouders aangewezen plaats.

Overtredingsgevens:

Datum: 22 maart 1998, de Lutte, gemeente Losser, Zandhuizerweg, een voor het openbaar verkeer openstaande weg buiten de bebouwde kom.

Betreft vermoedelijke overtreding van artikel 2.4.17 van de algemene plaatselijke verordening van de gemeente Losser.

Verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij, verbalisant, de volgende persoonsgegevens: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats], [a-straat 1].”

- Een als bijlage bij dat proces-verbaal gevoegd uittreksel uit de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Losser, voor zover van belang.

5. Terecht wordt er in de toelichting op dit middel op gewezen dat in deze bewijsmiddelen gewag wordt gemaakt van de Zandhuizerweg te De Lutte, in de gemeente Losser, maar niet van ‘het gebied het Lutterzand’.

6. Het belang daarvan is naar het inzicht van verzoeker gelegen in het volgende.

Art. 2.4.17 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Losser (hierna aan te duiden als: APV Losser) luidde ten tijde van de ten laste van verzoeker bewezenverklaarde overtreding van dit voorschrift:

“Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

1. a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;

b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaats;

c. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een door middel van tatoeage aangebracht identificatiemerk, die de eigenaar of houder duidelijk doen kennen.

2. Burgemeester en wethouders kunnen andere plaatsen aanwijzen waar het naar hun oordeel:

a. een eigenaar of houder van een hond verboden is die hond te laten verblijven of te laten lopen;

b. een eigenaar of houder van een hond verboden is die hond te laten verblijven of te laten lopen zonder dat deze is aangelijnd.”

De in deze bepaling bedoelde aanwijzing heeft plaatsgevonden bij raadsbesluit van 21 december 1993, waarbij burgemeester en wethouders van de gemeente Losser op grond van de in de Algemene PLaatselijke Verordening toegekende bevoegdheden onder meer hebben besloten:

“(Artikel 2.4.17; loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie)

Het gebied Lutterzand en het gebied Zandbergen aan te wijzen zoals in groen aangegeven op de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening, waarin het een eigenaar of houder van een hond verboden is die hond te laten verblijven of te laten lopen zonder dat deze is aangelijnd.”

7. Bedoelde bij het raadsbesluit behorende tekening bevindt zich, aldus verzoeker, niet bij de stukken betreffende deze strafzaak. De Rechtbank heeft daarvan derhalve geen kennis kunnen nemen; niet blijkt of de Rechtbank deze tekening al dan niet redengevend heeft geacht voor het bewijs, terwijl die tekening ter zitting ook niet aan verzoeker is getoond. Dit alles merkt verzoeker (ervan uitgaande dat er uit het dossier, tussen het moment waarop de Rechtbank de zaak behandelde en het dossier ter griffie van de Hoge Raad werd ontvangen, geen stukken zijn verdwenen) wederom terecht op.

8. Het zou, dunkt mij, niet juist zijn verzoeker tegen te werpen dat de ligging van (voor het openbaar verkeer openstaande) wegen voor eenieder, door raadpleging van algemeen toegankelijke bronnen (zoals een kaart van het gebied), waarneembaar is en dat het daarom van algemene bekendheid te achten is dat de Zandhuizerweg ligt in het gebied Lutterzand, terwijl feiten van algemene bekendheid bij het onderzoek ter terechtzitting geen afzonderlijke aandacht vergen en ook niet uit de gebezigde bewijsmiddelen behoeven te blijken (art. 339 lid 2 Sv).

Dat zou langs het door verzoeker opgeworpen punt heengaan, aangezien hij er niet over klaagt dat de Rechtbank heeft aangenomen dat de Zandhuizerweg in het gebied Lutterzand ligt, maar het bezwaar opwerpt dat de Rechtbank bij gebreke van de bij het raadsbesluit behorende tekening niet heeft kunnen vaststellen of dat deel van de Zandhuizerweg waar verzoeker zijn hond liet lopen behoort tot het op de tekening groen aangegeven gebied, dat klaarblijkelijk het geheel of een deel van ‘Lutterzand’ bestrijkt.

9. Overigens zou ik zelfs niet voor mijn rekening durven nemen dat een door iedereen te raadplegen kaart van het gebied zou kunnen uitwijzen of de Zandhuizerweg - geheel - in ‘Lutterzand’ ligt. Om een hierna te melden reden waren burgemeester en wethouders van de gemeente Losser zo goed een exemplaar van het desbetreffende raadsbesluit ter beschikking van ondergetekende te stellen. Daarbij bevinden zich ook de door verzoeker bedoelde tekening, met groen ingekleurd gedeelte, alsmede een kaart die kennelijk op grotere schaal het ‘Lutterzand’ en omgeving weergeeft. Daaruit moet ik afleiden dat de Zandhuizerweg zich weliswaar grotendeels in het ‘Lutterzand’ bevindt, maar ook langs het ‘Lutterveld’ loopt, en aan de andere kant van een snelweg nog verder gaat. Waar (het gehucht, buurtschap of de vlek) ‘De Lutte’ ligt maakt die kaart in het geheel niet duidelijk, terwijl - en dat raakt de kern van verzoekers bezwaar - ik, mijzelf vleiend met enige handigheid in kaartlezen, door vergelijking van de bij het raadsbesluit behorende tekening met de kaart op grotere schaal (op de tekening zijn geen namen van wegen aangegeven) wel meen te begrijpen dat de Zandhuizerweg voor een deel door het op de tekening groen ingekleurde gebied loopt, maar dat is vanzelfsprekend geen vaststelling met zekerheid.

Van algemene bekendheid is de niet met zoveel woorden in de bewijsmiddelen terug te vinden plaatsbepaling daarom niet te noemen.

10. In de tot bewijs gebezigde bevindingen van de verbalisant ligt evenwel besloten dat hij heeft gezien dat een persoon (die vervolgens verzoeker bleek te zijn) een hond liet lopen op een door burgemeester en wethouders aangewezen plaats, hetgeen de verbalisant reden gaf om overtreding van art. 2.4.17 APV Losser te vermoeden.

Daartegen voert verzoeker aan dat het relaas van de verbalisant in dit opzicht een voor het bewijs ontoelaatbare gissing inhoudt.

Met name meent verzoeker dat aan het relaas van de verbalisant het karakter van een voor bewijsdoeleinden ontoelaatbare gissing moet worden toegekend, omdat deze niet heeft gerelateerd of hij de hond van verzoeker wel of juist niet aangelijnd heeft zien lopen, terwijl art. 2.4.17 APV Losser een onderscheid kent tussen plaatsen waar het verboden is een hond onaangelijnd te doen lopen of verblijven enerzijds, en plaatsen die burgemeester en wethouders kunnen aanwijzen als gebieden waar het steeds verboden is een hond te laten lopen of verblijven, ongeacht of die hond is aangelijnd of niet.

11. Het is inmiddels vaste rechtspraak te noemen dat opsporingsambtenaren door hun functie en opleiding verondersteld kunnen worden te beschikken over inzicht in regelgeving (laatstelijk HR NJ 2000, 12), en daarnaast ook over kennis van plaatselijke omstandigheden, voor zover voor de toepasselijkheid van die regelgeving van belang (vgl. HR NJ 1972, 34).

De Rechtbank kon aan het tot bewijs gebezigde relaas van de verbalisant, een hoofdagent van vrijwillige politie, geredelijk deze betekenis toekennen dat de verbalisant uit hoofde van zijn opleiding en ervaring, gedragen door zijn daaruit voortkomende kennis van plaatselijke voorschriften en bekendheid met plaatselijke omstandigheden, heeft vastgesteld dat het deel van de Zandhuizerweg alwaar hij verzoeker en diens hond aantrof, is gelegen in het gebied dat bij besluit van het bevoegd gezag is aangewezen op grond van art. 2.4.17. APV Losser.

12. Daar kan niet aan afdoen dat in het relaas van de verbalisant, zoals door de Rechtbank weergegeven en tot bewijs gebezigd, niet is te vinden of verzoeker zijn hond al dan niet aangelijnd had. Er is geen enkele aanleiding te veronderstellen dat er, naast het bovengenoemde raadsbesluit, nog een andere aanwijzing op grond van art. 2.4.17 APV Losser had plaatsgevonden, waarbij gebieden zijn aangewezen waarin men in het geheel geen honden mag laten loslopen, aangelijnd of niet, en er is dus ook geen enkele aanleiding om er aan te twijfelen dat de verbalisant heeft vastgesteld dat is gehandeld in strijd met die APV-bepaling in verband met het ene raadsbesluit dat daarop gegrond is.

13. Dat impliceert dat de verbalisant waarnam dat verzoeker in het aangewezen gebied zijn hond los liet lopen. Dat heeft de verbalisant ook met zoveel woorden opgeschreven in de met de hand ingevulde ‘kennisgeving van bekeuring’ (in politiekringen, naar ik meen, wel een ‘mini-proces-verbaal’ genoemd). Daarin is aangetekend:

“Een hond laten lopen terwijl deze niet aangelijnd is op een publ. toegankelijk aangewezen pl.”

en

“Na diverse waarschuwingen

- Proj. loslopende honden -

toch nog loslopende hond aangetroffen”

14. De reden waarom verzoeker in het relaas van de verbalisant een ontoelaatbare gissing ziet doet zich in werkelijkheid niet voor. Derhalve mocht de Rechtbank op basis van de bevindingen van de verbalisant mede aannemen dat de overtreding inderdaad is begaan in een aangewezen gebied als bedoeld in art. 2.4.17 APV Losser.

Het middel faalt.

15. Het tweede middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde feit ten onrechte is aangemerkt als overtreding van art. 2.4.17, aanhef en onder b APV Losser.

Daartoe wordt aangevoerd - samengevat - dat de Rechtbank zich heeft laten leiden door een tekst van die bepaling, gevoegd bij het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar, die verouderd was.

Verzoeker stelt dat die, door de Rechtbank gehanteerde, tekst van de APV-bepaling is vastgesteld op 21 december 1993, sedertdien herhaaldelijk is gewijzigd, en ten tijde van de bewezenverklaarde overtreding in bewoordingen was gesteld die meebrengen dat

het bewezenverklaarde niet op grond van art. 2.4.17, aanhef en onder b strafbaar kon zijn.

16. Ik wil van verzoeker aannemen dat de tekst van de APV-bepaling die bij het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar is gevoegd overeenkomt met de tekst die op 21 december 1993 is vastgesteld. Op een tevens bij het proces-verbaal gevoegd exemplaar van (het relevante deel van) het besluit van burgemeester en wethouders waarbij gebieden zijn aangewezen op grond van deze APV-bepaling is met de hand geschreven “Raadsbesluit vastgesteld 21/12/93, inwerking 6/01/94”.

17. Dezerzijds is het gemeentebestuur van Losser verzocht de tekst toe te sturen van de art. 2.4.17 en 6.1. (waarin de strafbaarstelling is opgenomen) APV Losser, en van het raadsbesluit ter aanwijzing van gebieden krachtens art. 2.4.17 APV Losser, zoals die bepalingen en dat besluit luidden ten tijde van de bewezenverklaarde overtreding en zoals zij thans luiden, alsmede van de bij het ‘aanwijzingsbesluit’ behorende tekening. Aan dat verzoek is voldaan. Ik verzoek de Hoge Raad deze stukken bij zijn beoordeling van het middel te betrekken, en heb verzocht een afschrift van deze stukken, tezamen met deze conclusie, aan verzoeker toe te zenden.

18. Uit deze stukken blijkt dat art. 2.4.17 APV Losser ten tijde van de bewezenverklaarde overtreding luidde zoals hierboven onder 6 weergegeven.

Terecht merkt verzoeker op dat deze bepaling op dat moment - en blijkens de nu bijgevoegde stukken ook thans nog - drie grondslagen bood (en biedt) waarop burgemeester en wethouders gebieden kunnen aanwijzen.

Krachtens art. 2.4.17, aanhef, eerste lid onder b kunnen burgemeester en wethouders, naast voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaatsen, zandbakken en speelweiden, overige gebieden aanwijzen alwaar het verboden is honden te laten lopen of verblijven.

Krachtens art. 2.4.17, aanhef en onder 2.a. kan een ‘andere plaats’ worden aangewezen waar dat verbod geldt.

Krachtens art. 2.4.17, aanhef en onder 2.b. kan een ‘andere plaats’ worden aangewezen waar het verboden is een hond te laten lopen of verblijven zonder dat deze is aangelijnd.

19. Ook weer terecht wijst verzoeker erop dat de tekst van de APV-bepaling die aan het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar is gehecht, en die klaarblijkelijk door de Rechtbank is gebruikt ter bepaling van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde, burgemeester en wethouders uitsluitend de mogelijkheid bood naast de voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaatsen, zandbakken en speelweiden, nog andere gebieden aan te wijzen waar een verbod tot het laten lopen of verblijven van honden gold, ongeacht of die honden waren aangelijnd of niet.

20. Verzoeker meent nu dat de tenlastelegging, met het oog op art. 2.4.17 APV Losser zoals die bepaling werkelijk gold, als bestanddeel van het feit mede had moeten bevatten dat het om een gebied ging waar het ingevolge de aanwijzing van burgemeester en wethouders verboden was een hond te laten lopen zonder dat deze was aangelijnd.

21. Daar kan tegenover gesteld worden dat de Rechtbank klaarblijkelijk heeft geoordeeld dat de tenlastelegging, vermeldende dat verzoeker zijn hond anders dan aangelijnd heeft laten verblijven of lopen, betrekking had op een door strafbaarstelling ondersteunde verbodsnorm die besloten ligt in het samenstel van art. 2.4.17 APV Losser - in de bij de Rechtbank bekende doch in werkelijkheid achterhaalde formulering - en het raadsbesluit van 21 december 1993, en die verbodsnorm aldus heeft uitgelegd dat burgemeester en wethouders niet, zoals zij ook op grond van die verouderde versie van de APV-bepaling hadden kunnen doen, hebben bepaald dat in het door hen aangewezen gebied een algeheel verbod tot het laten lopen of verblijven van honden gold, maar hebben volstaan met het verbieden van het aldaar laten lopen of verblijven van een niet-aangelijnde hond.

22. Die uitleg van de tenlastelegging komt mij voor niet te getuigen van een verkeerde rechtsopvatting. Voorts meen ik dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het onaangelijnd laten lopen van een hond in het door burgemeester en wethouders aangewezen gebied op grond van art. 2.4.17 en 6.1 APV Losser een strafbare overtreding opleverde. Daaraan doet niet af dat de (achterhaalde) tekst van art. 2.4.17 APV Losser waarvan de Rechtbank zich heeft bediend niet met zoveel woorden de bevoegdheid geeft het verbod tot het laten lopen van een hond in een aan te wijzen gebied te beperken tot het onaangelijnd laten lopen van die hond. Ik zou als bestuursrechtelijk uitgangspunt in dit verband willen handhaven dat wie het meerdere mag, ook tot het mindere bevoegd is. Nu vaststaat dat het verbod tot het onaangelijnd laten lopen van een hond in het door burgemeester en wethouders aangewezen gebied van kracht was, niet gezegd kan worden dat burgemeester en wethouders met het raadsbesluit van 21 december 1993 de hen in art. 2.4.17 APV Losser, zoals die bepaling aanvankelijk gold, toegekende bevoegdheid hebben overschreden, en voorts vastgesteld moet worden dat ook de tekst van die APV-bepaling zoals die in werkelijkheid gold een toereikende grondslag opleverde voor het uitvaardigen van dat verbod, is de overtreding ervan, naar mij voorkomt, terecht bewezen en strafbaar verklaard.

23. Dat neemt uiteraard niet weg dat de rechter wordt geacht de wet te kennen en toe te passen zoals die gold ten tijde van de tenlastegelegde gedraging.

In cassatie moet worden vastgesteld dat het tenlastegelegde handelen weliswaar verboden en strafbaar was, maar op grond van de art. 2.4.17, aanhef en lid 2 onder b en 6.1. APV Losser.

De door de Rechtbank gegeven kwalificatie is derhalve onjuist. In zoverre is het middel terecht voorgesteld, maar dit gebrek zal de Hoge Raad op grond van art. 440 lid 2 Sv zelf kunnen herstellen.

24. In het derde middel wordt betoogd dat de Rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat verzoeker strafbaar handelde, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat verzoeker met het verbod bekend was, met name ook zonder raadpleging van de bij het raadsbesluit van 21 december 1993 behorende tekening met een groen ingekleurd gebied kon weten dat hij in het gebied ‘Lutterzand’ zijn hond niet los rond mocht laten lopen of dat kan hebben begrepen uit bij dat gebied geplaatste verbodsborden.

25. In het algemeen zal naar mijn inzicht niet van de strafrechter gevergd kunnen worden dat hij onderzoekt of een verdachte bekend was met het in een algemeen verbindend voorschrift opgenomen verbod waarvan de overtreding is tenlastegelegd. Algemeen verbindende voorschriften kunnen ingevolge wettelijke bepalingen (in dit geval art. 139 Gemeentewet) eerst die verbindende kracht hebben na behoorlijke bekendmaking, en de strafrechter zal er in beginsel, in ieder geval indien ter zake geen behoorlijk onderbouwd verweer is gevoerd, vanuit moeten kunnen gaan dat die bekendmaking heeft plaatsgevonden.

Voorts kan onbekendheid van een verdachte met een strafrechtelijke bepaling niet in de weg staan aan vervolging en berechting, vgl. HR DD 93.387.

26. Ook zal, indien ter zake geen herkenbaar verweer is gevoerd of het dossier geen ernstige aanwijzing voor het tegendeel oplevert, de strafrechter mogen aannemen dat zich geen bijzondere schulduitsluitende omstandigheden voordoen, zonder gehouden te zijn dienaangaande een ambtshalve onderzoek in te stellen.

27. Blijkens het van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep opgemaakte proces-verbaal heeft verzoeker aldaar niet aangevoerd met de overtreden bepalng onbekend te zijn geweest en daar een schulduitsluitende omstandigheid in te zien.

Bovendien kon de Rechtbank, voor zover dat van belang zou kunnen zijn, uit het proces-verbaal van politie opmaken dat verzoeker heeft kunnen weten dat hij ter plekke zijn hond niet los mocht laten lopen. In dat proces-verbaal is namelijk gerelateerd dat verzoeker diverse malen was gewaarschuwd. Weliswaar heeft verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven dat dit niet juist is, maar weerspreken is nog geen weerleggen.

28. Dit middel kan daarom geen doel treffen.

29. Ambtshalve merk ik nog op dat het mij niet juist voorkomt dat in het (op verzoek van de verdachte) schriftelijk gewezen vonnis als bewijsmiddel is vermeld “het als bijlage bij voormeld proces-verbaal (lees: gevoegd, JW) uittreksel uit de algemene plaatselijke verordening van de gemeente Losser, voor zover van belang”.

Nu de door de Rechtbank relevant geachte inhoud van die bijlage niet in de uitspraak is vermeld zou zij in zoverre, ingevolge het bepaalde in art. 359, leden 1 en 10, in verband met de art. 425 en 415 Sv, aan nietigheid leiden, vgl. HR NJ 1959, 66 en HR NJ 1979, 31.

Het komt mij evenwel voor dat dit aldus aangehaalde bewijsmiddel voor de bewezenverklaring niet redengevend kan zijn. De inhoud van toepasselijke bepalingen uit algemeen verbindende voorschriften behoeft geen bewijs, terwijl het bewijs dat verzoeker het hem tenlastegelegde heeft begaan volledig - met inbegrip van de omstandigheid dat de overtreding werd begaan in het door burgemeester en wethouders aangewezen gebied - besloten ligt in de andere twee bewijsmiddelen. Daarom meen ik dat het in dit geval een begaanbare weg is het vonnis verbeterd te lezen, met dien verstande dat het onder 3 vermelde bewijsmiddel wordt weggelaten. Te wijzen valt in dit verband op HR DD95.013, HR NJ 1993, 55, HR 21 september 1999, griffienr. 111.164A en HR NJ 1999, 49.

30. Het eerste en derde middel falen en lenen zich voor toepassing van art. 101a RO. Het tweede middel is ten dele terecht voorgesteld. Overigens vond ik geen gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen.

Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, doch uitsluitend ten aanzien van de kwalificatie; dat de Hoge Raad het bewezenverklaarde feit zal kwalificeren als:

“Overtreding van het bepaalde bij artikel 2.4.17 aanhef en tweede lid onder b. van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de Gemeente Losser”

en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,