Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8974

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-11-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00900/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8974
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 237
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 593
NJ 2001, 49
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 00900/99

Zitting 19 september 2000

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoeker is door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch bij arrest van 21 april 1999 vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit en ter zake van 2. “opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en 3. “opzettelijk een dubbel huwelijk aangaan” en “een huwelijk aangaan wetende dat de wederpartij daardoor een dubbel huwelijk aangaat” veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. Het cassatieberoep richt zich kennelijk niet tegen de gegeven vrijspraak.

3. Het eerste middel klaagt erover dat uit de ten aanzien van feit 3 gebezigde bewijsmiddelen weliswaar kan volgen dat verzoeker wist dat [betrokkene A] in 1975 met verzoekers broer was getrouwd, maar niet dat hij wist dat dit huwelijk naar Filippijns recht nog geldig c.q. niet geannuleerd was.

4. Ten laste van verzoeker is onder 3 bewezenverklaard dat hij:

“op 3 augustus 1990 te Manil[l]a opzettelijk een dubbel huwelijk is aangegaan met [betrokkene A] en met [betrokkene A] een huwelijk is aangegaan terwijl hij wist dat die Barba daardoor een dubbel huwelijk is aangegaan.”

5. Zoals in het middel met juistheid wordt opgemerkt, blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat verzoeker wist dat [betrokkene A] op 3 mei 1975 was getrouwd met zijn broer [betrokkene B]. Voorts blijkt uit de door het hof als bewijsmiddel 15 tot het bewijs gebezigde rapport van een medewerker van de IND van 12 december 1997, van welk rapport blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep de korte inhoud aan verzoeker is medegedeeld, dat vorenbedoeld huwelijk (naar ik begrijp: gesloten op 3 augustus 1990, NJ) niet was geannuleerd.(1) Nu het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet inhoudt dat door of namens verzoeker gemotiveerd is aangevoerd dat hij vóór het moment van de huwelijksvoltrekking op 3 augustus 1990 uit betrouwbare en terzake kundige bron heeft vernomen dat het eerdere huwelijk van zijn bruid met zijn broer was geannuleerd, kon het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen tot het oordeel komen dat verzoeker heeft geweten dat [betrokkene A] een dubbel huwelijk aanging door met hem te trouwen.

Hoewel het enigszins hachelijk kan zijn om uit iets negatiefs tot een positief weten te concluderen, meen ik dat de processuele opstelling van verzoeker eventuele twijfel wegneemt. Hier doet zich namelijk het gezegde voor dat “iemand ook teveel kan ontkennen.” Het geval wil immers dat verzoeker ter terechtzitting in eerste aanleg èn in hoger beroep heeft ontkend te weten dat [betrokkene A] met zijn broer [betrokkene B] was getrouwd. Zijn zuster Andrea heeft echter in haar tot bewijs gebezigde verklaring (bewijsmiddel 13) gezegd dat verzoeker bij de voltrekking van dat huwelijk “best man” was, terwijl er foto’s van de gebeurtenis bestaan, waarop verzoeker is afgebeeld. Voorts heeft een andere broer verklaard dat géén van zijn broers bij de voltrekking van het huwelijk tussen [betrokkene A] en [betrokkene B] ontbrak (verzoeker dus ook niet; bewijsmiddel 14). Met andere woorden: door te ontkennen dat hij wist van dat huwelijk heeft hij zijn eigen glazen ingegooid, waar het het bewijs van zijn wetenschap van het dubbel huwelijk van [betrokkene A] betreft. Mijns inziens behoeft hier de vraag of - naar analogie van het helingsartikel, zoals wel wordt gesuggereerd - onder de opzetformulering van “wetende dat” in art. 237 Sr ook voorwaardelijk opzet valt te rubriceren, zelfs niet te worden gesteld, omdat voor verzoeker het (voort)bestaan van het huwelijk meer dan voldoende waarschijnlijk was.(2)

6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

7. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof de strafoplegging niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed, aangezien in verband met de ten laste van verzoeker onder 3 bewezenverklaarde feiten art. 55, eerste lid, Sr had dienen te worden toegepast.

8. Het middel faalt reeds bij gebrek aan belang, aangezien de toepassing van art. 55, eerste lid, Sr niet tot een ander strafmaximum zou hebben geleid (vgl. HR 2 september 1997, NJ 1998, 74). Het ten laste van verzoeker onder 2 bewezenverklaarde misdrijf kent een strafmaximum van zes jaren gevangenisstraf en op de ten laste van verzoeker onder 3 bewezenverklaarde delicten staat een gevangenisstraf van maximaal telkens vier jaren. Gelet op de samenloop van de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten heeft het hof de strafoplegging terecht mede gegrond op art. 57 Sr. De toepassing van art. 57 Sr leidt er toe dat, ongeacht of daarnaast nog toepassing wordt gegeven aan art. 55, eerste lid, Sr, de maximale gevangenisstraf die aan verzoeker ter zake van de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten kan worden opgelegd acht jaren bedraagt.

9. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende overweging.

10. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Echtscheiding is blijkens dat rapport niet mogelijk naar Filippijns recht maar men kan een huwelijk wel annuleren, hetgeen betekent dat hiervan een aantekening wordt gemaakt op de zijkant van het huwelijkscontract in het centrale register.

2 Zie E. Sikkema, Weten en begrijpen: onbegrijpelijk begrippen, DD 1999, 998-1015; zie voor beweerde opzetuithollingstendenties in de rechtspraak over bijzondere delicten: D.H. de Jong en M. Kessler, Opzet in de Opiumwet: bewijs en inhoud, NJB 1999, 385-391; D.H. de Jong, Verantwoordelijkheid en schuld, DD 1999, 827-839.