Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8965

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01510/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8965
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 178a, geldigheid: 2000-12-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 655
NJ 2001, 240

Conclusie

Nr. 01510/99

Mr Machielse

Zitting 10 oktober 2000

Conclusie inzake:

[Verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Op 7 mei 1999 heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch verdachte voor 1. Doodslag, 2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, en 3. Bedreiging met zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren.

2. Mr F.J.M. Drykoningen, advocaat te Schijndel, heeft cassatie ingesteld. Mr F.A.M. te Braake, advocaat te Goes heeft een schriftuur ingezonden houdende zeven middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het gerechtshof ten onrechte geen uitdrukkelijke beslissing heeft genomen op het verweer dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zou zijn in de strafvervolging wegens - kort gezegd - schending van het gelijkheidsbeginsel, nu medeverdachten niet zijn vervolgd.

3.2. In hoger beroep zijn twee pleitnota's overgelegd. In de pleitnota van 23 april 1999 schrijft de advocaat geacht te willen worden te hebben herhaald wat hij in eerste aanleg en in hoger beroep op 3 april 1998 naar voren heeft gebracht.

In de pleitnota van 3 april 1998 is te lezen:

2.

Hetgeen is opgemerkt in eerste aanleg en met name hetgeen in de pleitaantekening (gedateerd 7 maart 1996) doch feitelijk uitgesproken op 19 september 1996 hier herhalen.

Uitdrukkelijk nog van belang; de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie omdat terzake de doodslag alleen client wordt vervolgd.

Aldus heeft de advocaat op het punt der ontvankelijkheid niet volstaan met een in algemene bewoordingen gesteld verzoek om alles wat in eerste aanleg is betoogd als herhaald en ingelast te beschouwen.(1) Uitdrukkelijk is de kwestie van de niet-ontvankelijkheid wegens schending van het gelijkheidsbeginsel in hoger beroep aangeroerd. De pleitnota van eerste aanleg houdt ter zake het volgende in:

2. Uit het proces-verbaal blijkt dat mijn cliënt tezamen met twee anderen naar Putte is geweest en daar enige onenigheid heeft gehad met een groepje mensen dat voor een café stond waarbij vanuit het groepje een bierglas c.q. fles naar de auto is gegooid en vanuit

de auto een glas bier naar het groepje is gegooid. De officier van Justitie heeft doodslag ten laste gelegd en daarbij alleen [verdachte] gedagvaard. Dit is naar mijn mening niet terecht. Als een en ander gekwalificeerd zou moeten worden als doodslag dan zijn er medeplichtigen. 0ok in het strafrecht is het gelijkheidsbeginsel van toepassing. De Officier van Justitie kan niet de verantwoordelijkheid uitsluitend op het conto van [verdachte]

schuiven. De Officier van Justitie dient dan ook ten aanzien van het primair ten laste gelegde niet ontvankelijk te worden verklaard.

3.3. Het in het eerste en tweede lid van art. 167 Sv neergelegde opportuniteitsbeginsel houdt in, dat de officier van justitie bevoegd is op gronden aan het algemeen belang ontleend af te zien van vervolging. Beslist de officier van justitie dat hij tot vervolging overgaat, dan staat die beslissing in het algemeen níet ter beoordeling van de rechter. Slechts indien de vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsbepalingen of met beginselen van een goede procesorde - waaronder het gelijkheidsbeginsel - kan er sprake zijn van een verval van het recht tot strafvordering en van een door de rechter om die reden uit te spreken niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.(2) De enkele stelling evenwel dat anderen, bijvoorbeeld medeverdachten, niet worden vervolgd is voor een beroep op niet-ontvankelijkheid onvoldoende.(3) Er zullen door de verdediging feiten en omstandigheden gesteld moeten worden waaruit valt op te maken dat naar willekeur is vervolgd.(4)

3.4. In het in eerste aanleg aangevoerde kan ik niet een voldoende duidelijke weergave van zulke feiten en omstandigheden ontwaren. Als bedoeld zou zijn dat ook de twee inzittenden in de auto die verdachte bestuurde zich schuldig hadden gemaakt aan (deelneming aan) doodslag had het toch voor de hand gelegen als ieders bijdrage aan het delict zou zijn benoemd en aangewezen. Het enige wat is gesteld is dat er twee passagiers in de auto met verdachte meereden, dat zij in Putte onenigheid kregen en dat iemand vanuit de auto een glas bier heeft gegooid. In hoeverre de inzittenden een bijdrage aan de doodslag zouden hebben geleverd die zodanig met die van verdachte vergelijkbaar is dat het van rechtsongelijkheid zou getuigen om de een wel en de ander niet te vervolgen is niet duidelijk geworden. Hetgeen in eerste aanleg aldus is aangevoerd lijkt mij onvoldoende om te kunnen gelden als een zodanig gemotiveerd en beargumenteerd beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel dat het hof gehouden was uitdrukkelijk daarop in te gaan.(5)

Het eerste middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof de grondslag van de telastelegging heeft verlaten door iets anders bewezen te verklaren dan was telastegelegd.

4.2. Onder 1 is - voor zover in cassatie nog van belang - telastegelegd dat hij (als Nederlander) op of omstreeks 17 juni 1995 te Stabroek (Putte) in België opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers is verdachte opzettelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de Puttestraat, (met hoge, althans aanzienlijke, snelheid,) geheel of bedeeltelijk het bij die Puttestraat behorende voetpad/fietspad, althans op een niet voor automobilisten bestemd, van de rijbaan gescheiden, (verhoogde) gedeelte van die weg, opgereden, zulks terwijl zich daarop een of meer personen/persoon bevond(en), waarbij en/of waardoor (mede) hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig in botsing of in aanrijding is gekomen met de zich op dat voetpad/fietspad, althans op dat niet voor automobilisten bestemd, van de rijbaan gescheiden, (verhoogde) gedeelte van die weg, bevindende [het slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Het hof heeft daarvan bewezenververklaard dat verdachte als Nederlander op 17 juni 1995 te Stabroek (Putte) in België opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers is verdachte opzettelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de Puttestraat met hoge snelheid gedeeltelijk het bij die Puttestraat behorende fietspad, althans een niet voor automobilisten bestemd gedeelte van die weg opgereden, zulks terwijl zich daarop een of meer personen bevond(en), waarbij en waardoor hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig in botsing is gekomen met de zich op dat fietspad, althans op dat niet voor automobilisten bestemd gedeelte van die weg, bevindende [het slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Het gerechtshof heeft voorts nog nader omtrent het bewijs het volgende overwogen:

Het hof heeft op 8 mei 1998 de plaats van het ongeval geschouwd. Het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden op het bij de Puttestraat behorende fietspad, althans op een niet voor automobilisten bestemd gedeelte van die weg, zijnde dit gedeelte in elk geval gelegen vlak voor de plaats waar het bij de weg behorende fietspad begint. Gebruik van dat gedeelte door automobilisten zou de toegang ter plekke tot het (verhoogde) fietspad onmogelijk maken en zou er voorts toe leiden dat die automobilisten hun weg over dat fietspad zouden vervolgen. Meerbedoeld gedeelte van de weg is mitsdien niet voor automobilisten bestemd.

4.3. De vraag die aan de orde is of het voor de strafrechtelijke betekenis van de telastelegging verschil maakt of verdachte opzettelijk met hoge snelheid een niet voor automobilisten bestemd gedeelte van die weg is opgereden, terwijl zich daarop personen bevonden, zoals het gerechtshof heeft bewezenverklaard of dat hij opzettelijk met hoge snelheid een niet voor automobilisten bestemd, van de rijbaan gescheiden, (verhoogde) gedeelte van die weg, is opgereden, terwijl zich daarop personen bevonden, zoals oorspronkelijk was telastegelegd. Heeft het gerechtshof, om met Remmelink te spreken, gesneden "in het levend vlees" van de telastelegging?(6) Het bezwaar van het middel betreft de precieze plaats waar het slachtoffer door verdachte zou zijn aangereden. Dat is volgens De Jong een feitelijk criterium.(7) Maar feiten staan niet op zichzelf. Zij staan in het recht steeds in het licht van een normatief schijnsel. In het strafrecht kunnen de feiten waarvan een verdachte wordt beschuldigd niet los worden gezien van de context van de strafbepaling die aan die feiten geknoopt kan worden. De telastelegging bedoelt aan verdachte te verwijten dat hij een doodslag heeft gepleegd door opzettelijk met hoge snelheid in te rijden op een groep mensen. Of het delict heeft plaatsgevonden op een fietspad, een voetpad of een ander deel van de weg maakt voor de strafrechtelijke betekenis van het telastegelegde niets uit. Dat het hof heeft vrijgesproken van de omstandigheid dat de exacte plaats waar het delict plaatsvond, "van de rijbaan gescheiden" en "(verhoogd)" was, maakt van de telastegelegde doodslag niet een ander feit.(8) Boksem beveelt aan om de vraag, of door een bewezen-verklaring een ander feit is vastgesteld dan de telastelegging kennelijk bedoelt, te stellen in de sleutel van de criteria die voor art.68 Sr gelden.(9) Het lijdt geen twijfel dat een veroordeling zoals thans door het hof uitgesproken in de weg staat aan een nieuwe vervolging ter zake van het doodrijden van hetzelfde slachtoffer, maar nu op een verhoogd deel van de weg.(10)

Het tweede middel gaat niet op.

5.1. Het derde middel klaagt over het feit dat het gerechtshof definities uit het Nederlandse wegenverkeersrecht van fietspad, voetpad en rijbaan toepast op een Belgische situatie zonder zich te bekommeren om de ter zake geldende Belgische wetgeving.

5.2. Over schending van het recht van vreemde staten kan in cassatie niet worden geklaagd.(11) Het hof heeft klaarblijkelijk geconstateerd dat er sprake was van een fietspad in de zin van de Belgische verkeerswetgeving.(12) Deze uitleg is aan de feitenrechter voorbehouden.

Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte voorwaardelijk opzet bewezen heeft geacht. Het hof zou geen acht hebben geslagen op de omstandigheden die volgens HR NJ 1997,199 in ogenschouw moeten worden genomen ter beantwoording van de vraag of er van voorwaardelijk opzet of van bewuste schuld sprake is.

6.2. In het genoemde arrest overwoog de Hoge Raad ten aanzien van het voorwaardelijk opzet:

Dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe genomen - in dit verband wordt gesproken van voorwaardelijk opzet - kan, behalve op grond van de verklaring van de verdachte, worden aangenomen op grond van bijzondere omstandigheden van het geval.

5.4. In gevallen als het onderhavige, dat zich hierdoor kenmerkt dat de gebezigde bewijsmiddelen nopen tot de gevolgtrekking dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen, dient de rechter evenwel in zijn oordeel te betrekken dat - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een frontale botsing met een tegemoetkomende auto zal plaatsvinden, en hij als gevolg van zijn gedraging zelf het leven zal verliezen, eveneens op de koop toe neemt.

In HR NJ 1997,245 bood klaarblijkelijk de verklaring van verdachte zelf voldoende aanknopingspunten om het bewijs van het opzet toereikend te laten zijn. In de onderhavige casus biedt de verklaring van verdachte zelf daarvoor nauwelijks steun. Maar uit de verklaringen van [getuige 1] (bewijsmiddel 7), [getuige 2] (bewijsmiddel 10), [getuige 3] (bewijsmiddel 12), [getuige 4] (bewijsmiddel 14 en 15) en [getuige 5] (bewijsmiddel 16) valt op te maken dat verdachte zijn auto met hoge snelheid op een groep mensen instuurde, zodat de aanwezige personen zich uit de voeten moesten maken om niet te worden geraakt. Het slachtoffer, dat niet reageerde, werd door verdachte doodgereden.

6.3. Het inrijden op voetgangers is voor een automobilist niet zo riskant voor zijn eigen leven als het met grote snelheid op een tweebaansweg aansturen op een frontale botsing. Het ervaringsargument dat de Hoge Raad in NJ 1997,199 aandroeg is daarom in een geval als het onderhavige niet van toepassing. Als een automobilist bewust met zodanige snelheid op anderen inrijdt dat dezen zich slechts in veiligheid kunnen brengen door weg te duiken laat de automobilist het afhangen van de reacties van de anderen of het door hem geschapen levensgevaar zich zal verwerkelijken.(13) Hij mag er niet van uitgaan dat ieder wel in staat zal zijn een veilig heenkomen te zoeken. Als er iemand is die daarin om wat voor reden niet slaagt - denk aan het geval dat iemand gehandicapt is - zal de automobilist niet kunnen zeggen dat hij daarmee geen rekening heeft kunnen houden. Ik moge citeren uit de rechtspraak van de BGH:

Mit bedingtem Vorsatz handelt, wer den Erfolgseintritt als möglich - als nicht ganz fernliegend - erkennt und ihn billigend in Kauf nimmt. In Kauf nimmt der Täter auch einen an sich unerwünschten Erfolg, mit dessen möglichen Eintritt er sich aber abfindet; anders ist es, wenn der Täter ernsthaft - nicht nur vage - darauf vertraut, daß der Erfolg nicht eintritt (vgl. BGHSt 7, 363 ff.; BGHR StGB § 15 -Vorsatz, bedingter l, 2, 7). Der Grad der Wahrscheinlichkeit des Erfolgseintritts ist allein nicht entscheidend. Insbesondere bei der Erörterung der Frage, ob der Täter den Eintritt des als möglich erkannten Erfolges billigt, muß der Tatrichter sich mit der Persönlichkeit des Täters und allen für das Tatgeschehen bedeutsamen Umständen auseinandersetzen. Nach ständiger Rechtsprechung des BGH liegt es bei äußerst gefährlichem Tun allerdings nahe, daß der Täter mit dem Tode des Opfers rechnet, und daß er - falls er sein Handeln dennoch fortsetzt - einen solchen Erfolg auch billigend in Kauf nimmt.(14)

Degene die met een auto op een groep mensen inrijdt en niet uitwijkt als dat nog kan maakt zich mijns inziens schuldig aan een "äußerst gefährlichem Tun" als waarvan de BGH spreekt en dat als belangrijke indicator voor voorwaardelijk opzet kan gelden.

Mijns inziens doet het er niet toe of de automobilist bewust inrijdt op mensen die zich op de rijbaan bevinden, of op mensen die zich op het trottoir ophouden. Ook in het eerste geval heeft de chauffeur de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten welbewust aanvaard en op de koop toe genomen. Dat het slachtoffer onder invloed van alcohol zou zijn geweest is voor het gerechtshof niet aangevoerd, noch door het gerechtshof vastgesteld.

Het vierde middel is tevergeefs voorgesteld.

7.1. Het vijfde middel klaagt dat het gerechtshof ten onrechte een schouw in het buitenland heeft bevolen, omdat het Belgische Putte buiten het ressort van het hof valt. Het bewijsmateriaal dat door middel van de schouw is verkregen zou daarom onrechtmatig verkregen zijn. Evenmin had de getuige [getuige 6] in België beëdigd mogen worden.

7.2. De beperking van de mogelijkheid een descente te houden tot het eigen rechtsgebied is ingegeven door het argument dat een andere regeling zich niet verdraagt met de rechterlijke indeling.(15) Op deze beperking is kritiek gekomen van Corstens en Van Bemmelen.(16) Deze kritiek is gebaseerd op de constatering dat rechtbanken en hoven ook bevoegd zijn feiten te berechten die buiten hun rechtsgebied zijn voorgevallen.

7.3. Voor de rechter-commissaris in strafzaken, die op grond van art.194 Sv tot descente bevoegd is, geldt sinds 1 februari 2000 dat hij een bepaalde onderzoekshandeling ook binnen het rechtsgebied van een andere rechtbank kan verrichten, mits hij zijn ambtgenoot daarvan tijdig op de hoogte brengt (art.178a Sv). Glashelder is dat deze regeling betrekking heeft op onderzoekshandelingen binnen Nederland.

7.4. Voorts is art.539a Sv in dit verband van belang. Het eerste lid daarvan luidt:

De bevoegdheden, bij enige wetsbepaling toegekend in verband met de opsporing van strafbare feiten of in verband met het onderzoek daarnaar, anders dan ter terechtzitting, kunnen, voorzover in deze Titel niet anders is bepaald, buiten het rechtsgebied van een rechtbank worden uitgeoefend.

Deze bepaling heeft betrekking op het verrichten van daden van opsporing en onderzoek buiten de landsgrenzen.(17) In het voorlopig verslag werd door de vaste commissie in verband met het voorgestelde art.539a Sv de volgende vraag gesteld:

Uit dit artikel blijkt, dat een terechtzitting niet buiten het rechtsgebied kan worden gehouden. Kan het evenwel geen aanbeveling verdienen de mogelijkheid open te laten, dat de rechtbank besluit de terechtzitting te verplaatsen (een schouw, vgl. artikel 318 Sv.) naar buiten het rechtsgebied?(18)

In de Memorie van antwoord reageert de minister als volgt:

Artikel 539a. Het lijkt de ondergetekende niet nodig af te wijken van de regeling, vervat in artikel 318 Sv., welke de mogelijkheid een terechtzitting te houden buiten de gewone gehoorzaal beperkt tot het rechtsgebied van de betrokken rechtbank. Indien ter zitting mocht blijken, dat het houden van een schouw of het horen van getuigen of verdachten buiten ons grondgebied gewenst is, kan de rechtbank met toepassing van artikel 316 Sv. de behandeling van de zaak schorsen en het onderzoek opdragen aan de rechter-commissaris. Deze is, zoals blijkt uit artikel 539a, eerste lid, buiten het gebied van het arrondissement weI bevoegd.(19)

Aldus geeft de minister aan art.318 Sv een wijdere strekking dan het artikel vermoedelijk oorspronkelijk had. Maar onloochenbaar is de bedoeling van de minister; art.318 Sv biedt niet de ruimte een schouw buiten de landsgrenzen te houden. Het komt mij voor dat zo een uitdrukkelijk beperkende uitleg van de minister van art.318 Sv niet mag worden genegeerd. Het hof had dus op 8 mei 1998 geen schouw mogen houden buiten Nederlands grondgebied.

Het vijfde middel is gegrond.

8.1. Het zesde middel stelt dat het hof ten onrechte de leiding van het onderzoek in België in handen heeft gelegd van de Belgische onderzoeksrechter. Dat zou in strijd komen met het bepaalde in art.272 Sv.

8.2. Ik zal dit middel als een afzonderlijke klacht behandelen, los van mijn mening over het vijfde middel en uitgaande van de veronderstelling dat het vijfde middel niet gegrond is. Als ervan wordt uitgegaan dat het vijfde middel wel gegrond is heeft een bespreking van het zesde middel immers weinig zin meer.

Het proces-verbaal van de descente houdt inderdaad in dat te Putte het onderzoek wordt voortgezet onder leiding van de Belgische onderzoeksrechter. Ik maak uit het proces-verbaal van 8 mei 1998 op dat de getuigen met uitzondering van de getuige [getuige 6] allen in Bergen op Zoom zijn beëdigd en vervolgens zijn meegereisd naar Putte. Aldaar zijn foto's gemaakt en heeft een reconstructie plaatsgevonden onder leiding van de Belgische onderzoeksrechter. Daartoe heeft de Belgische onderzoeksrechter aan raadsheren, Procureur-Generaal en de advocaat de gelegenheid gegeven vragen te stellen en opmerkingen te maken. De fotorolletjes zijn aan de Nederlandse delegatie overhandigd en in Nederland vervolgens ontwikkeld.

8.3. Weliswaar stelt art.318 Sv dat ingeval van een schouw de terechtzitting wordt verplaatst, maar die bepaling gaat ervan uit dat de verplaatsing geschiedt binnen het eigen rechtsgebied van de rechtbank. In dat geval kan natuurlijk art.272 Sv tot gelding komen en kan de voorzitter de terechtzitting leiden als ware hij in zijn eigen zittingszaal. In het geval de rechter afhankelijk is van instemming van een buitenlandse autoriteit ligt de leiding van het onderzoek - ik zou bijna zeggen: natuurlijk - in handen van de buitenlandse autoriteit voor zover het gaat om het opdragen van handelingen aan de (buitenlandse) politie etc. Voor het overige zijn de autoriteiten van de verzoekende staat afhankelijk van de welwillendheid van de autoriteiten van de aangezochte staat wat betreft de uitvoering van de descente. Hier verdringt het volkenrecht een bepaling van Nederlandse strafvordering.(20)

Het zesde middel faalt.

9.1. Het zevende middel klaagt dat het hof ten onrechte de strafbaarheid van verdachte heeft aangenomen zonder acht te slaan op een RIAGG-rapport, subsidiair dat het hof geen acht heeft geslagen op dat rapport bij de straftoemeting.

9.2. Niet blijkt dat door de verdediging de niet-strafbaarheid van verdachte wegens ontoerekeningsvatbaarheid op enig moment is aangevoerd. Er is wel op 3 april 1998 door de advocaat een RIAGG-rapportage overgelegd, maar deze diende ter illustratie van verdachtes persoonlijke omstandigheden. Het feit dat dat rapport melding maakt van een posttraumatische stressstoornis is volstrekt onvoldoende om het hof tot een - ambtshalve - nader onderzoek te nopen waarvan het arrest dan had moeten doen blijken. Evenmin blijkt dat een strafmaatverweer is gevoerd waarop het hof had dienen te responderen. De inhoud van het RIAGG-rapport biedt evenmin aanknopingspunten die het hof ambtshalve uitdrukkelijk had moeten laten meewegen in de straftoemeting.(21)

Het zevende middel faalt.

10. Ambtshalve breng ik nog het volgende onder de aandacht, als het vijfde middel niet gegrond zou worden bevonden.

Het hof heeft voor het bewijs gebezigd de verklaringen van [getuige 1] (nr. 7) en [getuige 7] (nr. 18) ter terechtzitting, tevens schouw, op 8 mei 1998 afgelegd. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 mei 1998 houdt met betrekking tot deze verklaringen het volgende in:

In het ter beschikking van het onderzoek gestelde voertuig

nemen plaats: De voorzitter van het hof, de griffier, de

raadsman van verdachte en de getuige [getuige 1].

Op aanwijzingen van de getuige wordt het traject van de door

de verdachte gereden route nagereden, zoals de route staat

beschreven in de door de getuige tegenover de politie en

tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaringen.

Tijdens de rit worden door de fotograaf foto's genomen.

De getuige [getuige 1] verklaart ten tijde van de rit-

zakelijk weergegeven- als volgt: (etcetera).

De verklaring die de getuige vervolgens heeft afgelegd keert als bewijsmiddel in het arrest terug.

Betreffende de verklaring van de getuige [getuige 7] is het volgende opgetekend in het proces-verbaal;

Vervolgens nemen in het voertuig plaats: De voorzitter van het

hof, de griffier, de raadsman van de verdachte en de getuige

[getuige 7].

De getuige verklaart tijdens de rit -zakelijk weergegeven-

voorts: (etcetera)

In het arrest wordt de verklaring deze getuige tijdens die rit heeft afgelegd voor het bewijs gebezigd.

In beide gevallen gaat het dus om verklaringen die ter terechtzitting zijn afgelegd, maar buiten aanwezigheid van twee leden van het gerechtshof en van de Procureur-Generaal. Het komt mij voor dat het horen van getuigen buiten aanwezigheid van twee leden van het college en van het openbaar ministerie ongeoorloofd is en tot nietigheid moet leiden, omdat het tot het wezen van het strafproces behoort dat het onderzoek ter terechtzitting wordt gevoerd ten overstaan van alle leden van het hof en van de Procureur-Generaal. In ieder geval kan niet worden gezegd dat het (gehele) hof heeft kunnen beraadslagen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting nu een deel van dat onderzoek buiten twee leden van het gerechtshof om is gevoerd. Daarom kan het bestreden arrest naar mijn mening niet in stand blijven.

11. Ik acht het vijfde middel gegrond en meen dat daarom vernietiging van het bestreden arrest zal moeten plaatsvinden. Ook zou het arrest vernietigd behoren te worden op de ambtshalve ontwikkelde grond.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar een aangrenzend hof ter berechting en afdoening.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR NJ 1999,59.

2 HR NJ 1998,407.

3 HR NJ 1987,731; HR NJ 1989,37; HR NJ 1989,883;

4 HR NJ 1989,621.

5 Zie voor avas HR NJ 1998,52,

6 J. Remmelink, Visies op telastelegging, in Bij deze stand van zaken (Melaibundel), p. 411. Zie voorts Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 3e druk, p.597 e.v.

7 D.H. de Jong, De macht van de telastelegging, p.96 e.v.

8 HR NJ 1988,787; HR NJ 1994,551; HR NJ 1996,250; HR NJ 1997,106. Zie voor een duidelijke denaturering HR NJ 1989,905.

9 J. Boksem, Op den grondslag der telastlegging, p.228 e.v.

10 Zie nog G. Corstens, De dwang van de telastelegging, DD 1993, p.93 e.v., waar een pleidooi is aan te treffen voor een versoepeling van de grondslagleer onder meer met een beroep op de noodzaak beslissingen die op volstrekt onbegrip in de samenleving stuiten te voorkomen.

11 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 4e druk, p.60.

12 Het Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer (B.S. 09.12.1975) geeft als omschrijving van "fietspad" in art.2 onder 7; "het deel van de openbare weg dat voor het verkeer van fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A is voorbehouden door de verkeersborden D7, D9 of door de wegmarkeringen bedoeld in artikel 74.

"Rijbaan" is in art.2.1 omschreven als "het deel van de openbare weg dat voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht."

13 Vgl. HR NJ 1951,475.

14 BGH 7 juli 1999, NStZ 1999, p.507.

15 Blok/Besier, Het Nederlandsche strafproces, Tweede Deel, p.95.

16 Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 3e druk, p.588; Van Bemmelen, Strafvordering, 6e druk, p.313.

17 BHTK 1964-1965, 7979, nr. 3, p. 5.

18 BHTK 1965-1966, 7979, nr. 5, p. 2.

19 BHTK 1965-1966, 7979, nr. 6, p. 3.

20 Zoals ook is af te leiden uit art.10 Wet AB.

21 Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 3e druk, p.695.