Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8925

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R00/023HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8925
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 420, geldigheid: 2000-12-08
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 429d, geldigheid: 2000-12-08
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 429o, geldigheid: 2000-12-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 617
NJ 2001, 269
EB 2001, 29
JWB 2000/244

Conclusie

Rolnummer R00/023HR

Mr. Bakels

Zitting 15 september 2000

Conclusie inzake

[Verzoekster]

t e g e n

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar college,

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze alimentatiezaak in het principaal beroep kort gezegd om de vragen of het hof (a) buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en (b) een onbegrijpelijk gemotiveerde beslissing heeft gegeven. In het incidenteel beroep is de vraag aan de orde of het hof het samenlevingsverweer van de man en diens in dat verband gedane bewijsaanbod, met een begrijpelijke motivering heeft gepasseerd.

1.2 In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat partijen op 5 november 1992 met elkaar zijn gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.

1.3 Bij rekest van 9 april 1997 heeft de man aan de rechtbank Alkmaar verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De vrouw heeft tegen dit verzoek geen verweer gevoerd. Zij heeft in reconventie evenwel aanspraak gemaakt op een bijdrage in haar levensonderhoud van f 7.500, - per maand. De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij stelde niet over enige draagkracht te beschikken en betoogde bovendien dat vrouw samenleeft met een andere man als ware zij met deze gehuwd.

1.4 Bij deelvonnis van 20 november 1997, dat in zoverre in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven op 5 februari 1998, heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Zij liet tevens de vrouw toe te bewijzen dat de man in staat is de door haar gevraagde bijdrage in haar levensonderhoud te voldoen.

1.5 Nadat de vrouw daartoe twee getuigen had voorgebracht en de man in contra-enquête één getuige, heeft de rechtbank op 25 februari 1999 een eindbeschikking gewezen. Zij bepaalde, kort gezegd, dat de man aan de vrouw een bedrag van f 2.100, - per maand dient te voldoen als bijdrage in haar levensonderhoud. Het meer of anders gevraagde wees zij af.

1.6 Tegen deze eindbeschikking is de man in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam. De vrouw heeft de door de man aangevoerde grieven bestreden.

1.7 Na mondelinge behandeling van de zaak heeft het hof bij beschikking van 16 december 1999 de bestreden beschikking vernietigd, de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie nader bepaald op f 350,- per maand en het meer of anders verzochte afgewezen.

1.8 Tegen deze beschikking is de vrouw tijdig in cassatie gekomen.(1) De man voerde verweer en stelde van zijn kant incidenteel cassatieberoep in. In het incidenteel beroep heeft de vrouw verweer gevoerd.

2. Bespreking van het principaal beroep

2.1 Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Met onderdeel A voert de vrouw kort gezegd aan dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden omdat de man in hoger beroep geen grieven heeft aangevoerd tegen de hoogte van zijn door de rechtbank vastgestelde alimentatieplicht.

De beoordeling van dit onderdeel vergt dossieronderzoek.

2.2 In appèl voerde de man drie grieven aan. Met grief I betoogde hij dat de rechtbank de door de vrouw verlangde alimentatie ten onrechte gedeeltelijk heeft toegewezen. Zij had óf het verlangde bedrag van f 7.500, - moeten toewijzen óf het verzoek moeten afwijzen. Met grief II voerde de man aan dat de rechtbank de vrouw ten onrechte (gedeeltelijk) geslaagd heeft geacht in de bewijslevering waartoe zij was toegelaten. Grief III strekte ten betoge dat de man ten onrechte als alimentatieplichtig is aangemerkt, gezien het samenlevingsverweer dat hij heeft gevoerd.

2.3 Het onderdeel is, naar het mij voorkomt, terecht voorgedragen. Alle drie de grieven strekten, op telkens andere gronden, ertoe om de man te ontslaan van elke alimentatieverplichting. Geen grief is gericht tegen de hoogte van het bedrag waarop de rechtbank de alimentatieplicht van de man heeft vastgesteld. Onder die omstandigheden is het hof inderdaad buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door weliswaar de grieven impliciet te verwerpen en het inkomen van de man zelfs expliciet op hetzelfde bedrag vast te stellen dat de rechtbank als uitgangspunt had aanvaard (rov. 3.3 slot), maar de hoogte van de alimentatie niettemin op een (zeer aanzienlijk) lager bedrag vast te stellen dan waartoe de rechtbank was gekomen.

2.4 In zijn verweerschrift in cassatie bestrijdt de man deze conclusie door erop te wijzen dat in het petitum van het appèlrekest werd gevraagd

"vast te stellen dat de man niet (meer) verplicht is tot het doen van enige bijdrage, subsidiair de opgelegde bijdrage op nihil te stellen."

Nu de man mede om nihilstelling heeft verzocht, behoeft de vraag of de man een grief heeft gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde hoogte van zijn alimentatieplicht, geen beantwoording, aldus nog steeds dit verweerschrift.

2.5 Dit verweer ziet eraan voorbij

"dat de appellant, evenals de eiser in eerste aanleg, aan de tegenpartij en aan de rechter kenbaar moet maken niet alleen wat hij vordert, maar ook wat de grondslag is van zijn vordering. (...) De eis dat de conclusie met redenen omkleed moet zijn, vindt zijn grondslag hierin, dat de tegenpartij moet weten waartegen zij zich heeft te verdedigen."(2)

Aan deze eis voldoet het onderhavige appèlrekest niet, voorzover althans ter beoordeling staat of daarin op voor de tegenpartij en de rechter voldoende duidelijk wijze is geklaagd over de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde alimentatie. Weliswaar mag de appèlrechter de grieven op "onbekrompen" wijze uitleggen(3), maar

"té onbekrompen is in het algemeen (...) de uitleg van de appelrechter die oordeelt dat een grief geacht wordt het geschil in eerste aanleg volledig in appel aan de orde te stellen op de enkele grond dat deze een klacht behelst over afwijzing van de vorderingen in eerste aanleg en met zoveel woorden inhoudt het geschil in volle omvang aan de appelrechter voor te leggen."(4)

In het onderhavige geval is trouwens zelfs niet eens van een zodanige (rest)grief sprake, maar beroept de man zich - zoals gezien - uitsluitend op het petitum van zijn appèlmemorie.

2.6 Onderdeel B, dat overigens ten opzichte van het onderdeel A subsidiair is te achten, klaagt, samengevat weergegeven, dat het hof een onbegrijpelijke beslissing heeft genomen door op basis van dezelfde gegevens als de rechtbank tot uitgangspunt dienden, zonder enige motivering de alimentatie op een aanzienlijk lager bedrag vast te stellen.

2.7 Dienaangaande moet enerzijds worden opgemerkt dat de afweging en waardering van de factoren die de draagkracht van de man bepalen, zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. In cassatie kan zijn oordeel niet op juistheid worden getoetst. Aan dit oordeel mogen bovendien geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Evenmin is de rechter gehouden alle berekeningen die aan zijn oordeel ten grondslag hebben gelegen, in zijn beschikking op te nemen. Maar er is een grens, namelijk dat

"uit de beschikking voldoende blijkt van welke gegevens de rechter gebruik heeft gemaakt."(5)

2.8 Naar ik meen is die grens in het onderhavige geval overschreden. Zoals eerder opgemerkt is het hof ter bepaling van de draagkracht van de man expliciet van hetzelfde bedrag uitgegaan als de rechtbank. En uit zijn arrest blijkt niet dat hij de behoefte van de vrouw op een ander bedrag heeft gesteld. Niettemin heeft het hof de door de man aan de vrouw verschuldigde alimentatie zonder enige motivering op een bedrag gesteld dat 16% bedraagt van wat de rechtbank passend achtte. Onder de bovengenoemde omstandigheden heeft hof kennelijk van andere, niet in zijn arrest genoemde gegevens gebruik gemaakt. Omdat uit het arrest niet blijkt welke gegevens dit zijn, althans onvoldoende inzicht wordt gegeven in de door het hof gevolgde gedachtegang, treft de motiveringsklacht eveneens doel.

3. Bespreking van het incidenteel beroep

3.1 De klacht in het incidenteel beroep luidt, kort weergegeven, dat het hof het beroep van de man op art 1:160 BW (het samenlevings-verweer) onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Ook het bewijsaanbod dat de man in dit verband heeft gedaan, is door het hof op onvoldoende gronden gepasseerd.

3.2 In zijn appèlrekest heeft de man ter toelichting van grief III gesteld dat de vrouw is gaan samenwonen met een zekere [betrokkene A]. Hij heeft aangekondigd een krantenartikel ter griffie te deponeren waaruit dit blijkt en een bewijsaanbod gedaan. Dit depot is vervolgens op 23 april 1999 daadwerkelijk verricht.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man dit verweer herhaald, daaraan toevoegende dat inmiddels krantenartikelen zijn verschenen waarin staat dat de vrouw en haar nieuwe partner in hun woonplaats [woonplaats C] overlast hebben veroorzaakt.

De vrouw erkende dat de desbetreffende krantenartikelen haar betroffen, maar bestreed dat zij is gaan samenwonen met [betrokkene A].

3.3 Het hof overwoog over dit verweer en deze grief het volgende (rov. 3.2):

"Voor de vaststelling dat een gescheiden echtgenote samenleeft met een ander als ware zij gehuwd, zoals bedoeld in artikel 1:160 BW, is conform de jurisprudentie van de Hoge Raad niet alleen vereist dat de gescheiden echtgenote en die ander elkaar wederzijds verzorgen, maar ook dat zij met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. In casu zijn door de man onvoldoende concrete omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat er aan de hiervoor vermelde eisen zou zijn voldaan. (...)"

3.4 Aldus overwegend heeft het hof een juiste maatstaf toegepast.(6) Daaruit volgt dat het hof eveneens met juistheid heeft overwogen dat de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De man heeft immers niet gesteld dat de vrouw en haar nieuwe partner elkaar wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Het door hem gedane bewijsaanbod is daarom eveneens terecht door het hof gepasseerd. Een partij die niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, behoeft immers niet tot bewijslevering te worden toegelaten. Het incidenteel beroep kan dus geen doel treffen.

4. Conclusie

Deze strekt

- in het principaal beroep: tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Hof 's-Gravenhage en

- in het incidenteel beroep: tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Het cassatierekest is op 15 februari 2000 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

2 HR 24 april 1981, NJ 1981, 495.

3 Zoals aanbevolen door Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 1992, nr. 40

4 Snijders/Wendels, Civiel appel, 1999, nr. 194, met aanhaling van jurisprudentie.

5 HR 17 maart 2000, NJ 2000, 313.

6 Zie hierover uitgebreid en met vermelding van veel literatuur en rechtspraak de conclusie van de A-G Langemeijer voor HR 17 december 1999, NJ 2000, 122.