Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8827

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01900/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8827
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 01900/00

Zitting 17 oktober 2000

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Aan verzoeker is door het gerechtshof te Arnhem bij uitspraak van 3 juni 1999 een gevangenisstraf van twaalf jaren opgelegd wegens 1. “doodslag” en 2. “een lijk vernietigen, verbergen, wegvoeren en wegmaken, gepleegd met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

2. Namens verzoeker heeft mr M.W. Stoet, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Voorts heeft verzoeker heeft een schriftuur houdende zijn bezwaren tegen het arrest van het hof ingediend.

De middelen van de advocaat:

4. Het eerste middel bevat de klacht dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM in de cassatiefase is overschreden, nu tussen het instellen van het cassatieberoep op 3 juni 1999 en het inkomen van de stukken ter griffie van de Hoge Raad op 14 april 2000 ruim tien maanden zijn verstreken.

5. Het middel is gegrond. Uw Raad kan de gevangenisstraf van 12 jaren, gelet op de geringe overschrijding van de inzendingstermijn, met 5% verminderen (vgl. Uw recente arrest van 3 oktober 2000, nr. 00775/99).

6. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het verweer van de raadsman dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk diende te worden verklaard met betrekking tot feit 2 ten onrechte, althans onjuist gemotiveerd heeft verworpen.

7. Het hof heeft bedoeld verweer verworpen zoals weergegeven op p. 1/2 van zijn arrest.

8. Laat ik vooropstellen dat in eerste aanleg de raadsman geen bezwaar heeft gemaakt tegen de vordering nadere omschrijving tenlastelegging. In haar vonnis overweegt de rechtbank echter uitdrukkelijk zich ambtshalve nog eens te hebben gebogen over eventuele juridische haken en ogen met betrekking tot punt 2 van de aangepaste tenlastelegging. De rechtbank meent dat de officier van justitie met betrekking tot feit 2 in wezen buiten de ruimte is getreden die de art. 313 en 314 Sv (toepasselijk ingevolge art. 314a Sv) haar lieten. Nu de verdediging er echter geen punt van heeft gemaakt en de rechtbank zelf ook geen reden ziet om aan te nemen dat de verdachte in enig opzicht door punt 2 van de aangepaste tenlastelegging in zijn verdediging is geschaad, is de rechtbank van oordeel dat de aanpassing van de tenlastelegging onder punt 2 toewijsbaar was.

9. Wellicht is de raadsman in hoger beroep door de minder juiste overwegingen van de rechtbank op het verkeerde been gezet, en is hij zo gekomen tot het niet-ontvankelijkheidsverweer. Wat daar verder ook van zij, het hof heeft in zijn overwegingen omtrent reikwijdte en toepassing van de art. 261, 313, 314 en 314a Sv geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is ’s hofs oordeel dat er sprake is van een verband tussen de feiten die in de vordering bewaring en de summiere tenlastelegging werden genoemd en de in de gewijzigde tenlastelegging genoemde feiten geenszins onbegrijpelijk (vgl. HR 24 maart 1998, NJ 1999, 52 en HR 20 oktober 1998, NJ 1998, 535).

10. Deze overwegingen van het hof kunnen ’s hofs verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer. zelfstandig dragen.

11. Het middel faalt derhalve.

De middelen van verzoeker:

12. De klachten I en II kunnen, door hun feitelijk karakter, niet voor het eerst in cassatie aan de orde worden gesteld.

13. In hetgeen onder III wordt gesteld wordt geen uitdrukkelijke en stellige klacht geformuleerd. Men kan zich wel een voorstelling maken van de mogelijke bedoeling van verzoeker, maar vanwege het speculatieve karakter van die voorstelling meen ik dat Uw Raad zich zal moeten onthouden van een meer dan welwillende, namelijk invullende lezing.

14. De in klacht IV en klacht VI genoemde verklaringen zijn niet voor het bewijs gebezigd. Verzoeker heeft derhalve geen belang bij de klachten.

15. De inhoud van klacht V is reeds aan de orde gekomen bij de behandeling van het eerste middel van mr. Stoet en aldaar gegrond bevonden.

16. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf. Uw Raad kan zelf de nieuwe gevangenisstraf bepalen en opleggen. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG